| Wie
was en is de Heere Jezus Christus ?
|
Door.. Bijbels
Panorama
|
|
|
Deel 4 ..... De Heere Jezus Christus
......... de Zoon van David.
De geslachtsrekening
in Matheus 1 geeft aan dat Jezus van Nazareth uit de lijn van erfgenamen
van o.a. Koning David afkomstig was, en Hij dus in principe rechten kon laten gelden op deze
troon. De lijn van afstamming loopt via Zijn vader Jozef, in Mattheüs
1:20 door de engel des
Heeren wordt aangesproken als "zone Davids". Ondanks dat Jozef
de Heere Jezus niet verwekt had, was hij wel de wettige vader van de Heere
Jezus omdat hij de echtgenoot van Maria was. Op deze wijze kwam de titel
"Zoon van David" terecht bij de Heere Jezus.
|
Geslachtsregister uit
Mattheüs
1
|
|
De lijn van erfrecht aangaande het Koningschap over
de troon van David (dus over Israël : 2 en 10 stammen)
|
|
Abraham ............................ David
........................... Jezus .....
Christus
Volgens deze lijn was Hij de Zoon van David
|
Ondanks dat de Heere Jezus dus
rechten had op de troon, was dit echter onmogelijk want er was sinds de
ballingschap van zowel de tien als de twee stammen geen koning meer
aangesteld over het huis van Jakob. Er waren dus nog wel erfgenamen van de
koninklijke familie, maar zij regeerden niet over de twee stammen, en
helemaal niet over de 12 stammen als geheel ! Als we nu de Schriftplaatsen opzoeken
waar deze titel voorkomt, dan blijkt dat er wordt gesproken over het
beloofde Koninkrijk over het huis van Jakob (12 stammen), een Koninkrijk
wat géén einde zou hebben.
 |
"En de
engel zeide tot haar : Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij
God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren,
en zult Zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn, en de Zoon des
Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon
van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning
zijn in der eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde
zijn." Lukas 1:30-33 |
Als dit beloofde Koninkrijk géén
einde zou hebben, dan moet dat betekenen dat de Koning ook géén einde
zou hebben, en dus moest beschikken over het eeuwige leven. Vanuit dit
oogpunt gezien kon de Heere Jezus pas de werkelijke "Zoon van David" worden
als Hij uit de dood was opgestaan en Hij over het eeuwige leven zou
beschikken. In Zijn "dagen des
vleses" was Jezus van Nazareth dus wel een zoon van David, net zoals
Zijn vader Jozef ook een zoon van David was. Zij waren
afstammelingen uit de Koninklijke familie. Maar pas na Zijn opstanding
werd Hij de Zoon van David (de Messias) die vanuit het Oude
Testament beloofd was.
|
Heere Jezus
Christus
......... de Zoon van David |
 |
In deze positie als de Zoon van David
zal de Heere Jezus Christus als Koning regeren over het "huis van
Jakob" of, zoals het op andere plaatsen genoemd wordt; "de
12 stammen van het huis Israëls". Dit zoals vele Schriftplaatsen
in het Oude Testament het beloofd en voorzegd hebben. Ondanks dat de Heere
Jezus Christus bij Zijn opstanding deze troonrechten over het huis
Israëls ontving, werden deze niet direct tot uitvoering gebracht. De
vestiging van dit aardse Koninkrijk laats nog op zich wachten ondanks dat
Hij dit Koninkrijk terstond zou kunnen opeisen.
 |
"Ik toch heb Mijn Koning gezalfd
over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd:
Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Eis
van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de
einden der aarde tot Uw bezitting.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in
stukken slaan als een pottenbakkersvat. Nu
dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij
rechters der aarde! Dient den
HEERE met vreze, en verheugt u met beving". Psalm
2 : 6-11
|
De Zoon werd bij Zijn opstanding door God gegenereerd als Eersteling van
een nieuwe schepping. De vestiging van het Koninkrijk over Israël is hier
een onderdeel van, echter voordat dit ten uitvoer gebracht zou worden had
God eerst een plan met de heidenen. Dit wordt o.a. aangehaald in
Handelingen 15 door de apostel Jakobus :
 |
"En
nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders,
hoort mij. Simeon heeft
verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een
volk aan te nemen door Zijn Naam.
En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk
geschreven is: Na dezen zal Ik
wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die
vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en
Ik zal denzelven weder oprichten". Handelingen
15 : 13-16
|
Het blijkt dat "de roeping van de Gemeente" oftewel het
"aannemen van een volk door en voor Zijn Naam" eerst zal
plaatsvinden. Pas daarna zal de Zoon zich ontfermen over het vervallen
huis van David. Dit herstel en terugverzamelen van het volk Israël
kan in vele Schriftplaatsen worden terug gevonden.
 |
"En
de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israels gevankelijk
zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden
overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en
heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij
altemaal door het zwaard gevallen zijn;
Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen
gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.
Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu
zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over
het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;
Als zij hun schande zullen
gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij
tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden,
en er niemand was, die hen verschrikte. Als
Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd
zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd
zal zijn voor de ogen van vele heidenen; Dan
zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik
ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder
verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer
overgelaten. En Ik zal
Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn
Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de
Heere HEERE. Ezechiël
39 : 23-29
|
in dit gedeelte uit Ezechiël wordt uiteengezet waarom de Heere zich van
het volk Israël had afgewend en Zijn aangezicht voor hun had verborgen,
dit was vanwege hun ongerechtigheid, hun ongeloof. In het stukje wat er op
volgt wordt de terugverzameling over het ganse huis (10 en 2 stammen)
beschreven. De Heere zal Zich niet meer voor hen verbergen en zal Zijn
Geest over hen uitstorten. De terugverzamelde gelovige Israëlieten zullen
dus wedergeboren worden en de Heilige Geest, de Geest van de Heere Jezus
Christus, ontvangen. Ook in de onderstaande Schriftplaatsen wordt dit
bevestigd :
 |
"Daarom
zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet
om uwentwil, gij huis Israels! maar om Mijn heiligen Naam, dien
gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen
zijt. Want Ik zal Mijn
groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien
gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen
weten, dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u
voor hun ogen zal geheiligd zijn.
Want Ik zal u uit de heidenen
halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw
land brengen. Dan
zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al
uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven
in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees
wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal
maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten
zult bewaren en doen. En
gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij
zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn".
Ezechiël 36 : 22-28
|
 |
"Voorts
zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen
zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult
gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de
HEERE, uw God, gedreven heeft; En
gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem
gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw
kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En
de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer
ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken,
waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.
Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u
de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
En de HEERE, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen
erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij
zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen".
Deut. 30 : 1-5
|
De terugverzameling van Israël en de vestiging van het Koninkrijk liggen
dus nog in de toekomst. Er staat dus nog heel wat te gebeuren in Palestina
|
Voor verdere studies
over de terugverzameling en de vestiging van het Messiaanse rijk verwijzen wij naar de volgende Bijbelstudies :
|
|
|
|
De Heere Jezus Christus
......... de Zoon van
God.
Net als bij de voorafgaande titels werd ook
deze bijzondere positie, namelijk "de Zoon van God" pas werkelijkheid
bij de opstanding van de Heere Jezus Christus. De Heere Jezus kon pas
"de Zoon van God" worden nadat Hij eerst de weg van vernedering,
lijden en sterven was gegaan (zoals
besproken in deel 2). In Zijn aardse rondwandeling was Hij wel
afkomstig van de Vader, zoals Hij meerder malen te kennen gaf, o.a. in
Johannes 8, in de discussie met de Joden :
 |
"Ik weet,
dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn
woord heeft in u geen plaats. Ik spreek wat Ik bij Mijn
Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien
hebt. Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze
vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo
zoudt gij de werken van Abraham doen. Maar nu zoekt gij Mij
te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van
God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. Gij doet de werken
uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit
hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God. Jezus
dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij
liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem.
Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij
gezonden". Johannes
8: 37-42
|
Ook in Johannes 3 wordt hierover gesproken :
 |
"Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken,
wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze
getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd
heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse
zou zeggen? En niemand is opgevaren in den hemel, dan
Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die
(nu) in de hemel is". Johannes
3 : 11-13
|
In dit gedeelte van Johannes 3 spreekt de Heere Jezus over het feit dat de
Zoon des mensen alleen naar de hemel kon gaan (na Zijn opstanding) als Hij
daarvan ook afkomstig was. In Zijn positie als de dienstknecht Jezus van Nazareth,
was Hij afkomstig van zowel de Heere .... uit de hemel nedergedaald als
van Adam ..... uit de mensen genomen. Omdat op deze wijze beide
lijnen bij elkaar komen is de Christus, die geworden is Zoon van God en
Zoon des mensen, de Middelaar tussen God en de mensen.
| Heere
Jezus
Christus
......... de Zoon van God |
 |
In Zijn verhoogde positie als de Zoon van God is Hij gezonden in de wereld
om op te treden als de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Als we het
gedeelte in Johannes 3 verder lezen staat er :
 |
" En gelijk Mozes de slang in de woestijn
verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft,
niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad,
dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem
gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in
de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door
Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt niet
veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet
heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. En dit is het oordeel, dat het licht in de
wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het
licht; want hun werken waren boos. Johannes
3 :14-19
|
Zoals Mozes een slang verhoogde in de woestijn, waardoor het volk Israël
genezen werd van de vele slangenbeten. Moest ook de Zoon des mensen
verhoogd worden, opdat Hij in Zijn verhoogde positie (als de Christus, de
Zoon van de Levende God) verlossing zou kunnen brengen aan de vele
gelovigen. Als hier dus staat dat God Zijn eniggeboren Zoon gegeven
heeft slaat dit niet op de Heere Jezus tijdens Zijn aardse rondwandeling,
maar heeft het betrekking op de positie die de Heere Jezus nu (na Zijn
opstanding) bekleed als de Christus, de Hogepriester van het Nieuwe
Verbond.
Een soortgelijk
Schriftgedeelte waarin de Heere Jezus deze verbinding legt tussen de Zoon
des mensen en de Zoon van God is in Johannes 6 waar Hij spreekt over het
Brood des Levens, het Brood dat (na Zijn opstanding) vanuit de hemel zou
"nederdalen" :
 |
"47Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij
gelooft, heeft het eeuwige leven. 48
Ik ben het Brood des levens. 49
Uw vaders hebben het Manna gegeten in de
woestijn, en zij zijn gestorven. 50
Dit is het Brood, dat uit den hemel
nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. 51
Ik ben dat levende Brood, dat uit den
hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der
eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik
geven zal voor het leven der wereld. 52
De Joden dan streden onder elkander,
zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? 53
Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar,
voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet,
en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. 54
Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt,
die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 55
Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn
bloed is waarlijk Drank. 56
Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt,
die blijft in Mij, en Ik in hem. 57 Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden
heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven
door Mij. 58 Dit is het Brood, dat uit den hemel
nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn
gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven. Johannes
6 : 47-58
|
De Heere Jezus wijst hier al vooruit op Zijn
verhoogde positie in de hemel, van waaruit Hij Zichzelf zou offeren als
Gode welbehaaglijk offer (Zijn lijden en sterven was dit niet !). In Zijn
positie als de Zoon van God, en als de Hogepriester naar de ordening van
Melchizédek zou Hij verzoening doen voor Zijn volk en hen (ons gelovigen)
reinigen van een kwaad geweten.
 |
14
Dewijl wij dan een groten Hogepriester
hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus,
den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15
Want wij hebben geen hogepriester, die
niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle
dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder
zonde. 16
Laat ons dan met vrijmoedigheid
toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen
verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer
tijd.
1
Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor
de mensen in de zaken, die bij God te
doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de
zonden; 2
Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en
dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3
En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk,
alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden. 4
En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen
wordt, gelijkerwijs als Aaron. 5
Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om
Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt
Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. 6
Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt Priester
in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
7
Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene,
Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen
geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze. 8
Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd
heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. 9
En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een
oorzaak der eeuwige zaligheid geworden; 10
En is van God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizédek.
Hebr 4: 14-16 en 5 : 1-10
|
De Heere Jezus bekleed de functie als de Hogepriester naar de ordening van
Melchizédek, een Hogepriester die met ons kan lijden en die weet wat er
in ons mensen omgaat. Dit kan Hij weten omdat Hij zelf mens was !!!.
|
Voor verdere studies
over Zijn werk als de Hogepriester
verwijzen wij u naar de volgende Bijbelstudies :
|
|
|
|
|
Deze Bijbelse uiteenzetting over de Naam "Heere Jezus Christus" is uitgewerkt in vier delen.
Heeft u deel 1 , deel
2 of deel 3 gemist dan kunt u deze hier selecteren.
Wie was en is de Heere Jezus Christus ?
|
|
|