|
Waar komt in de Bijbel het spreken in tongen voor?
In Markus 16:17 verwijst de Heer Zelf naar
het spreken in tongen. Drie andere plaatsen vinden we in Handelingen
2:4 en 11; 10:46 en 19:6.
In de brieven
van Paulus is het 1 Korinthe 12 tot 14 waar we lezen
over het spreken in tongen. Buiten deze schriftplaatsen vinden we nergens iets over dit onderwerp in
het Nieuwe Testament.
De eerste maal dat in
tongen wordt gesproken, lezen we hoe de apostel Petrus het
pinkstergebeuren verklaarde. Hij zegt: "
 |
"Dit
is het wat gesproken is door de profeet Joël......"
Han. 2:16 aangehaald uit Joël 3:1-5 |
Een zorgvuldige
bestudering van deze profetie toont ons echter, dat Joël met geen woord
geprofeteerd heeft dat er in 'tongen' gesproken zou worden. Hij profeteerde, dat
de Heilige Geest gegeven zou worden; en dat is waar Petrus naar verwijst.
Nu kan eenvoudig uit Joël gezien worden dat deze profetie in zijn volle omvang
pas in een latere tijd vervuld zal worden. Wij verwachten dit aan het begin van
de 1000 jaren. Bij deze volledige vervulling van Joël 3 wordt de Heilige
Geest uitgestort op alle vlees; hetgeen noch op de pinksterdag, noch
daarna, gebeurde (Jésaja 44:3).
De
verzen 28 en 29 van het tweede hoofdstuk van Joël zullen pas vervuld
worden als de zon verandert in duisternis en de maan in bloed, als de
grote en vreselijke Dag des Heeren komt, in de periode van grote
verdrukking en in de daaropvolgende 1000 jaren (vgl.
Openbaring 6:12 etc.).
In
die tijd zal echter niet in tongen gesproken worden. De Heer belooft in Zefanja
3 dat Hij de volken andere reine lippen zal geven opdat zij allen de
naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder.
Wanneer de volken in de 1000 jaren één taal zullen spreken zullen de
heidenen ook werkelijk kunnen vragen laat ons met u optrekken naar
Jeruzalem, want wij hebben gezien dat de Heer met u is.
 |
"
Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder. Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden
brengen" Zefanja
3:9,10
|
Wat op de pinksterdag
gebeurde was een voor-vervulling van wat straks in de 1000 jaren een algemene
ervaring zal zijn: de uitstorting van de Heilige Geest op de dan levende
mensheid.
Bij de uitstorting
van de Geest op de pinksterdag werd als extra teken, die de profetie niet
genoemd had, het spreken in tongen openbaar.
De eerste verwijzing
naar dit teken had de Heer zelf gegeven in Markus 16:17.
Zoals met veel teksten in de Bijbel is deze eerste verwijzing een sleutel om
later voorkomende teksten te begrijpen. De Heer zegt in Markus 16:17-18:
 |
" En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond
worden" . Markus
16:17-18
|
"Deze tekenen zullen de gelovigen volgen" :
- In Mijn naam zullen zij boze
geesten uitdrijven.
- In
nieuwe tongen zullen zij spreken.
- Slangen
zullen ze opnemen.
- Indien
zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen.
- Op
zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.
Uit
vers 17 wordt duidelijk dat het om door God als tekenen gegeven
openbaringen gaat. Als tekenen die de gelovigen zouden volgen. Inderdaad
zien we in de dagen die na Pinksteren volgen, dat de genoemde tekenen ook
werkelijk hen volgden die geloofden.
Dat
het in het geval van tongenspreken inderdaad alleen om een teken ging,
bevestigt Paulus, als hij in 1 Korinthe 14:22 nadrukkelijk
zegt:
 |
" Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die
geloven" .1
Korinthe 14:22
|
"Daarom
zijn de tongen een teken niet voor hen die geloven, maar voor de
ongelovigen."
De
eigenlijke bedoeling van een teken wordt ons in Johannes 20:31 en 32
uitgelegd met de woorden:
 |
"...Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;
Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn
Naam...."Johannes
20:31, 32
|
Zo
moeten we de goddelijke tekenen zien. Een teken is er niet om het teken
zelf. Het heeft de bedoeling, een waarheid te leren en te bewijzen, te
laten zien. Deze Goddelijke tekenen hadden in de eerste plaats hun
betekenis voor de Joden, meer dan voor iemand anders. De Joden werden
geacht tekenen te onderkennen. In geval van het teken der tongen is het
opvallend, dat dit, bij alle drie gelegenheden in Handelingen, gegeven
wordt aan Joden. Ook in Korinthe waren veel Joden, zoals uit Handelingen
18:5 blijkt, Hij betuigde de Joden dat Jezus de Christus
is.
Paulus zegt aan de Korinthiërs, dat:
 |
"... de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;.."
(1 Korinthe 1:22)
|
We
kunnen dus vaststellen dat de boodschap aan de Joden in verband staat met
het teken der tongen, zoals bij alle in de schrift voorkomende
gebeurtenissen te herkennen is:
A.
Met pinksteren in Handelingen
 |
"...Zo wete dan zekerlijk het ganse huis
Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt..."
Handelingen
2:36
|
B.
In Cesarea, waar we in de geschiedenis van hoofdman Cornelius lezen:
 |
"...En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten
zich (stonden
verbaasd), dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen
(naties)
uitgestort werd..." Handelingen
10:45
|
C. In
Eféze zei Paulus tot de twaalf mannen die daar de Heilige Geest
ontvingen:
 |
"...... Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus......"
Handelingen
19:4
|
Johannes' opdracht was om de Christus te openbaren aan Israël (Johannes
1 :31). In de Korinthebrief schrijft Paulus aan de Korinthiërs
dat de 'tongen' gegeven zijn als een teken voor hen die niet geloven (1
Korinthe 14:22). Dat hij daarmee de Joden bedoelt bewijst het
voorafgaande vers waar hij de wet aanhaalt en spreekt over dit
volk, als hij zegt:
 |
"......In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen
tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de
Heere......."
Handelingen
14:21
|
Het is duidelijk, dat Paulus hier de profeet Jesaja citeert (Jesaja
28:11-12), om te tonen voor wie de tongen als teken gegeven
zijn. De door de profeten geschoolde mensen in Israël zouden deze taal
der tekenen zonder meer moeten begrijpen.
Zoals
ook in het Oude Testament geschieden alle tekenen en wonderen in
overeenstemming met een goddelijke planmatigheid.
Alle
wonderen zijn er voor een bepaald tijdsbestek. De wonderen b.v. die de
uittocht uit Egypte voorafgingen waren niet meer nodig toen Israël in de
woestijn kwam en vielen daar weg. De wonderen in de woestijn, bijvoorbeeld
de wolkkolom, hielden op toen men de Jordaan overging.
Wanneer
we deze regel toepassen op het teken der tongen vinden we dat ook dit
teken een in fasen verlopende openbaring van God was, en wel in drievoud.
1e
fase,
".... allen spreken in
tongen..."
Het
teken van tongen spreken werd op de pinksterdag gegeven. Toen de Heilige
Geest werd uitgestort begonnen allen met andere tongen te spreken,
zoals de Geest hen gaf uit te spreken.
Bij de volgende gelegenheid, toen de Heilige Geest in het huis van
Cornelius over de gelovige heidenen kwam, wordt gezegd: "De Heilige
Geest viel op allen die het woord hoorden, en ze hoorden hen
spreken in tongen en God verheerlijken. De derde gelegenheid was toen
Paulus twaalf mannen in Efeze vond die alleen de doop van Johannes kenden.
Ook hier lezen we: "De Heilige Geest kwam over hen en zij spraken in
tongen en profeteerden."
 |
".....En
als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en
zij spraken met vreemde talen, en profeteerden......."
Handelingen 19:6
|
Het
bijzondere van deze eerste fase is dat in al deze groepen allen in tongen spreken.
2e
fase,
".... sommigen spreken in
tongen...."
Zo
gauw we deze eerste helft van de apostolische tijd passeren, komen we in
de tijd waarin het nieuwe testament in wording was. In deze tijd schreef
Paulus zijn brieven aan de Christengemeenten. Het is in deze tijd dat
Paulus zijn eerste Korinthebrief schreef, een tijd waarin zich ten aanzien
van het tongen spreken een verandering had voorgedaan. Zo stelt Paulus in 1
Korinte 12:30 de vraag: "Spreken allen in tongen?"
Het is een retorische vraag, die het antwoord al in zich bergt: Niet allen
spreken in tongen! Tevoren had de apostel een andere vraag gesteld:
"Zijn zij allen apostelen?" Ook hier lag het antwoord reeds
in de vraagstelling: niet allen zijn Apostelen. Zo zegt hij in vers
30: "Spreken zij soms allen in tongen?" Niet
allen! Niet allen, maar sommigen (vers 28).
In het tweede gedeelte van de begintijd is het tongen spreken dus beperkt
tot sommigen.
 |
".....En God heeft er
sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der
gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?
Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?......."
1 Korinthe
12:28-30
|
3e
fase,
".... tongen zullen
verstommen...."
In
hetzelfde gedeelte (1 Korinthe 12 tot 14) behandelt Paulus de tongengave
als de minst betekenende van de geestesgaven. Ja, hij gaat nog een stapje
verder en stelt vast dat de openbaring van dit teken zou ophouden.
Hij
zegt in 1 Korinthe 13:8:
1
De liefde vergaat nimmermeer
2
Profetieën, zij zullen afgedaan hebben (grondtekst: weggedaan
worden);
3
Tongen, zij zullen verstommen (grondtekst: ophouden);
4
Kennis
zij zal afgedaan hebben (weggedaan worden).
 |
".....De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij
profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden........"
1 Korinthe 13:8
|
We
weten niet of Paulus zelf het gehele ophouden der tongen nog meemaakte,
maar het was hem gegeven te weten, dat na de tijd waarin hij zijn deze
brief schreef, de tongengave zou ophouden.
In
het voorgaande hebben we reeds vast kunnen stellen dat de profetie van Joël
over de uitstorting van de Heilige Geest met geen woord over tongen rept.
Wanneer in verband met de l000 jaren de profetie van Joël totaal vervuld
zal worden, zal het spreken in tongen geen enkele betekenis meer hebben,
omdat men elkaar zal kunnen verstaan.
In
welke tijd zou het spreken in tongen ophouden?
In
verband met dit punt moeten we het volgende bedenken.
- Paulus
komt in geen van zijn latere brieven terug op tongen. De eerste
Korinthebrief was Paulus eerste brief.
- Petrus,
Johannes en Jakobus schreven hun brieven pas na de 1e Korinthebrief.
Hun gegevens over gemeentelijke aangelegenheden stemmen volledig
overeen. Toch vinden we bij hen nergens een woord over het teken der
tongen.
- In
het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes, is ook niets te
vinden over het spreken in tongen.
- In
1 Korinthe 13 wordt ons gezegd dat 3 dingen zullen ophouden: de
gaven van profetie, tongen en kennis. De genoemde profetie der eerste
gemeente, zowel als de toenmalige gave van kennis, waren
bovennatuurlijke openbaringsgaven, door welke de waarheid van God werd
meegedeeld. Zij dienden de eerste gemeente totdat de geschriften van
het Nieuwe Testament neergeschreven en aan de gelovigen ter hand waren
gesteld. Van deze gaven staat er dat ze zouden worden weggedaan. Zij
bleven inderdaad uit en vielen weg zodra het Nieuwe Testament gereed
en voor de gelovigen beschikbaar was. We hebben grond om te geloven
dat het spreken in tongen afzonderlijk gezien moet worden van de
andere genoemde gaven, en dat niet alle drie tegelijkertijd zouden
ophouden. We zullen daar later nog op terugkomen.
- In
hetzelfde hoofdstuk wordt vastgesteld dat profetieën, tongen en
bijzondere kennis der toenmalige tijd weliswaar zouden wegvallen, maar
dat drie andere dingen voortduren, nl. geloof, hoop en liefde (vers
13). Het is het thema van dit gedeelte dat sommige dingen
ophouden en andere dingen zullen blijven. Er moet dus een periode zijn
waarin de drie genoemde gaven zouden verdwenen zijn, terwijl geloof
hoop en liefde nog steeds voortduren. Ook van geloof wordt gezegd dat
het zal ophouden, nl. wanneer het voor het aanschouwen plaats maakt.
Dan zal ook de hoop ophouden, omdat de hoop vervuld wordt. Wij weten
ook wanneer dit gebeuren zal. Het geloof zal ophouden bij de opname.
De Heer zegt tegen Thomas: "Omdat ge gezien hebt, gelooft ge,
zalig zijn zij die niet zien en nochtans geloven." Er komt echter
een dag, wanneer het geloof zal wijken voor het aanschouwen. "Wij
zullen Hem zien, gelijk Hij is en we zullen Hem gelijk zijn" (1
Johannes 3:2). Zo ook is de hoop van beperkte duur, hoewel
ze gedurende deze tijd der gemeente haar hoge betekenis heeft en tot
het einde van deze tijd blijven zal.
In Romeinen 8.24 lezen we: “Hoe kan men hopen op hetgeen
men ziet?" Gedurende deze tijd waarin de hoop blijft,
verwachten we de wederkomst van de Heer en alles, wat met deze hoop
verbonden is. Als Hij echter wedergekomen is, dan hopen we niet
langer! De hoop die voor de duur der genadetijd blijft, wordt dan
zichtbaar vervuld.Wanneer echter hoop en geloof bij de wederkomst van
de Heer zouden ophouden, dan moet in overeenstemming daarmee profetie,
tongen en bijzondere kennis vroeger opgehouden zijn. Dat blijkt uit de
samenhang van dit schriftgedeelte. We komen daar straks nog op terug.
 |
".....Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den
Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;
God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen
Geestes, naar Zijn wil........."
Hebreeën 2:3, 4
|
- In
Hebreeën 2:3, 4 lezen we over 'zo
grote zaligheid' dat die
A. verkondigt is door de Heere;
B.
op betrouwbare wijze aan ons is overgeleverd, door hen die het gehoord
hebben;
C.
dat God hen (namelijk de personen die Hem tijdens zijn leven gehoord
hebben) getuigenis daarvan gegeven heeft door tekenen en wonderen en
velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil.
Het is duidelijk dat deze tekenen en wonderen niets anders zijn dan de
tekenen die de Heere in Markus 16:17-18 beloofd had, (zie
grondtekst en Statenvertaling). Deze tekenen, wonderen en
velerlei krachten worden in de Hebreeënbrief en in de tijd waarin
deze geschreven werd, niet meer als nog voorhanden zijnde dingen
behandeld. De Hebreeënbrief vertelt dat zij geschied zijn in het
begin en als bijzonder getuigenis, dat God gaf aan degenen, die de
Heer tijdens Zijn bediening gehoord hadden.
- Als
Paulus later de brief aan Eféze schrijft, somt hij in Eféze 4:11 de
gaven op die God voor de gemeente bestemd heeft als geestelijke
diensten en krachten. In deze lijst komt het spreken in tongen niet
voor. Daaruit kunnen we concluderen dat deze bijzondere tekenen reeds
voor het schrijven van deze brief zijn opgehouden.
 |
".....En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;........."
Eféze
4:11,12
|
- In
de 20 boeken van het Nieuwe Testament, die later geschreven zijn dan
de Ie Korinthebrief, wordt nergens meer over tongen gesproken.
- Het
is frappant, dat een plotseling ophouden van een gave al in het Oude
Testament gezien kan worden. In Numeri 11 lezen we dat de
dienstgave van de Heilige Geest, die Mozes gekregen had, gedeeltelijk
van hem genomen werd, en op 70 oudsten werd gelegd. "En toen de
Geest op hen rustte, profeteerden zij, doch daarna niet meer. Deze
gave van profetie hield onmiddellijk op na de eerste openbaring.
Terug
naar 1 Korinthe 13
1
Korinthe 13 wordt algemeen het hoofdstuk der liefde genoemd. Het
verklaart dat de liefde het hoogste goed is.
Opvallend is daarbij dat dit hoofdstuk zijn plaats heeft tussen hoofdstuk
12 met zijn uitvoerige uitleg over de geestesgaven en hoofdstuk 14
dat vrijwel uitsluitend over tongen spreken handelt. En in het midden van hoofdstuk
13 bevinden zich de woorden: tongen zullen verstommen. Tevens wordt in
hetzelfde vers het ophouden van twee andere geestesgaven aangekondigd. Het
gaat om drie geestesgaven uit de in hoofdstuk 12:7-11 genoemde
reeks van negen. Hoofdstuk 13 heeft als hoofd doel de waarheid te
verduidelijken, die Paulus in hoofdstuk 12 over de geestesgaven
geleerd heeft. Vervolgens is hoofdstuk 13 de sleutel tot begrip van
wat de apostel in hoofdstuk 14 uiteenzet aangaande het tongen
spreken. Hoofdstuk 14 moet vanwege zijn bijzondere inhoud altijd in
het licht van hoofdstuk 13 gelezen worden. Juist in hoofdstuk 13 wordt onder meer gesteld, dat het tongen
spreken zal ophouden.
Voorts valt nog op te merken dat hoofdstuk 13
van begin tot eind bestaat uit tegenstellingen. De grootste tegenstelling
is die tussen vers 8 en vers 13. Daar wordt gezegd dat,
terwijl profetie, tongen en kennis zullen ophouden, geloof, hoop en liefde
zullen voortduren tot aan het einde van de genadetijd. Om dit duidelijk te
maken vinden we in dit hoofdstuk 2 hoofdtegenstellingen:
- De
gaven staan in vers 1-7 tegenover de liefde.
- De
gaven waardoor slechts een gedeeltelijke openbaring gegeven werd,
staan tegenover de volkomen openbaring (vers 8-12)
We zullen nu deel b in de verzen 8-12 en vers 13 nader
bestuderen. Dit gedeelte is ingedeeld in 4 onderdelen met telkens 2
tegengestelde begrippen:
- Dat
wat ten dele is staat tegenover dat wat volkomen is. Tot welke tijd
duurt het gedeeltelijke en wanneer komt het volkomene?
- Er
is sprake van kinderlijke dingen en mannelijke dingen. Wat bedoelt
Paulus met dit onderscheid?
- "Door
een spiegel in een duistere rede (of raadselen)' staat tegenover
"van aangezicht tot aangezicht". Wat heeft dat in deze
samenhang te betekenen?
- Er
bestaat een kennen "ten dele", en een kennen "gelijk
wij gekend zijn". Waaruit bestaat het verschil in kennen en
wanneer maakt het één plaats voor het ander?
Deze
4 tegenstellingen zullen we bespreken om een antwoord op de vraag te
vinden.
1 - Dat
wat 'ten dele' is en dat wat 'volkomen' is.
A.
Wat ten dele is.
We
hadden al vastgesteld, dat Paulus in vers 8 duidelijk zegt, dat
drie van de in hoofdstuk 12 vermelde bijzonder geestesgaven weggedaan
zouden worden, zouden ophouden. En hij gaat
verder
te verklaren hoe en waarom het gebeurt. Daarbij is de vraag naar het
tijdstip waarop de gaven ophouden in vers 10 al beantwoord n.l.
wanneer het volkomene komt. Hoe staat het
echter
met dat wat 'ten dele 'is? De verzen 9 en 10 maken onsduidelijk dat
wat ten dele is betrekking heeft op de gaven van profetie en kennis.
Paulus zegt daar: "Wij kennen ten dele en wij profeteren ten
dele." Wij moeten bedenken, dat de genoemde gaven in de eerste
gemeente van groot nut zijn geweest. Het waren deze gaven waarvoor enige
tijd later de
Nieuw
Testamentische schriften in de plaats kwamen om de gemeente door de eeuwen
heen
te
onderwijzen.
Het Griekse woord voor ten dele of gedeeltelijk dat hier wordt gebruikt
vinden we ook in Lukas 11:36 waar gezegd wordt:
 |
".....Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.........."
Lukas
11:36
|
In
1 Korinthe 13:9 is de tegenstelling hetzelfde. Het gaat om
geestelijke verlichting. In Lukas 11:36 staat 'geen deel duister'.
Het licht dat de eerste christenen door de geestesgaven hadden was 'ten
dele' d.w.z. een deel was licht, een ander deel bleef nog in het duister.
Dit gedeeltelijke licht zal moeten wijken voor wat volkomen is. Toen
Paulus zijn 1e Korinthebrief begon was het enige voltooide deel van
het Nieuwe Testament de brieven aan de Thessalonicensen. De eerste
gemeente was niet in het bezit van het Nieuwe Testament en daarmee in
groot nadeel tegenover vragen en moeilijkheden in en buiten de gemeente.
Daarom
gaf God hen bovennatuurlijke gaven van kennis en profetie. Deze gaven
stelden hen in staat iets te vernemen van het woord van God dat in
volgende eeuwen door christenen werd gebruikt, overgeschreven en
verspreid. Het is duidelijk dat de gaven slecht ten dele konden zijn in
vergelijking met de volkomenheid, compleetheid, van de gehele schrift. Dit
maakt ons duidelijk wanneer het volkomene kwam. Zij die de gaven van
kennis en profetie bezaten waren in staat gedeeltelijk de Goddelijke
waarheden te ontvangen. Maar dit gedeeltelijke was niet meer nodig nadat
het volkomene (complete) gekomen was.
B.
Dat wat volkomen is
Het
woord volkomen in 1 Korinthe 13:10 is in het Grieks een onzijdig
woord en kan derhalve niet op iemand - dus ook niet op Christus - duiden.
De wet des Heeren is volkomen (volmaakt) zegt Psalm 19:7. Gods
werken zijn volmaakt (Deuteronomium 32:4).
Het
Griekse woord volkomen in 1 Korinthe 13:10 wordt voor de 1e maal in
de schrift in Matthéüs 5:48 gebruikt:
 |
".....Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is..........."
Matthéüs
5:48
|
Het hebreeuwse woord voor volkomen of volmaakt komt de eerste maal voor in
Genesis 6:9:
 |
"....."Noach was een rechtvaardig, oprecht
man in
zijn geslachten......"
Genesis
6:9
|
Paulus gebruikt in Romeinen 12:2 hetzelfde woord als hij
spreekt over de goede, welgevallige en volkomen wil van God. Hetzelfde
woord verschijnt ook in 1 Korinthe 2:6 waar wij lezen:
 |
"....
En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;......"
1 Korinthe 2:6
|
In
geen van deze teksten waarin het woord volkomen (of volmaakt) wordt
gebruikt gaat het om de komende eeuwigheid, maar om iets dat midden in
deze wereld volkomen genoemd wordt. De gaven die in Korinthe in gebruik
waren en ten dele genoemd werden waren voor gebruik in de eerste gemeente
op aarde. De uitspraak: "wat volkomen is" duidt op iets wat zich op
aards niveau afspeelt.
Wij
moeten dus voor ogen houden dat met de uitdrukking 'als het volkomene
komt' iets materieels van God op aarde komt. Paulus zegt niet: "als
wij tot dat gekomen zijn, wat volkomen is," hij zeg: 'Als het
volkomene komt." God zal dat zenden wat volkomen is. En als het
gekomen is nl. de volkomen, complete openbaring der waarheid, zullen de
gaven, die slechts een stukje daarvan openbaarden, ophouden. Daarbij nog
een verdere opmerking:
In
Matthéüs 2:2 zeggen de Wijzen uit het Oosten: ".....Wij hebben Zijn Ster
gezien in het Oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden...." Dat komen,
gekomen zijn, is in het Grieks hetzelfde woord en duid op een 'beweging'
van het Oosten naar Jeruzalem. Hetzelfde woord in 1 Korinthe 13:10 duidt
hetzelfde aan nl. een beweging die zich van de hemel naar deze aarde
voltrokken heeft. Er is niets in deze tekst, dat op de eeuwigheid wijst!
C.
Het
gedeeltelijke zal ophouden.
Het
Griekse woord 'katargéo' dat hier gebruikt wordt komt in vers 8 ook
tweemaal voor: profetieën, zij zullen te niet gedaan worden, kennis zij
zal te niet gedaan worden (weggedaan worden). De kernbetekenis van het
woord katargéo is: iets teruggeven dat uit gebruik geraakt is of
onbruikbaar is; afschaffen, wegdoen als iets dat geen effect meer heeft.
Hetzelfde woord katargéo wordt ook in vers 11 gebruikt, als er staat:
 |
"Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar
wanneer ik een man geworden ben zo heb ik te niet gedaan
(katargéo)
hetgeen eens kinds was."......" 1
Korinthe 13:11
|
Het wijst op dingen die wegvallen of
teruggenomen worden als ze door rijping of groei nutteloos geworden zijn.
Als
men gelooft dat deze drie gaven weggedaan worden bij de opname van de
Gemeente, waarom zou Paulus dan van deze gaven zeggen dat ze weggedaan
zullen worden, terwijl de andere gaven in 1 Korinthe 12:8-10 blijven
bestaan.
Wat moeten we met die gaven in de hemel? En wat met geloof en
hoop? Als het volkomene de hemel zou zijn dan zou het moeten duiden op de
opname, waardoor de gemeente tot haar Heer komt. Dat zou betekenen dat
deze gaven de hele gemeentelijke tijd gebleven waren tot de opname. Wij
krijgen echter de kennis die de gemeente nu bezit door de Bijbel en niet
door profetie of bijzondere kennis! De Bijbel zelf zegt de volkomen,
complete openbaring van God te zijn.
We kennen het laatste hoofdstuk van
het woord van God, dat ernstig waarschuwt tegen ieder die iets wil afdoen
of toevoegen aan de woorden der profetie
 |
"Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.."......"
Openbaring
22:18
|
De gaven
kunnen niet meer functioneren nadat het schriftelijke Nieuwe Testament
gekomen is. Daarover spreekt 1 Korinthe 13:8 duidelijk genoeg.
Soms
wordt echter beweerd, dat het in dit gedeelte niet gaat om een
bovennatuurlijke kennisgave, maar om kennis en profetie in de ruimste zin
van het woord. Deze benadering weerlegt zichzelf op 2 gronden:
- Vers
8 spreekt niet alleen van kennis en profetie maar ook over tongen.
Spreken in tongen is duidelijk een wonderteken. Omdat de drie in een adem
genoemd worden en ook voorkomen
in de reeks van 1 Korinthe 12 volgt daaruit dat ook de andere twee
bovennatuurlijke wondertekenen zijn.
- Als
het om kennen in de ruimste zin zou gaan: die houdt niet op. De kennis
die wij verkrijgen uit de schrift door hulp van de Heilige Geest
dragen we met ons mee de eeuwigheid in. Ook profetie in de ruimste zin
houdt op. De Bijbel zelf staat er vol van en blijft ook na de opname
werkzaam.
2.
De kinderlijkheid en de mannelijkheid
Wanneer
zouden de gaven ophouden en op welke manier? Het antwoord daarop krijgen
we in 1 Korinthe 13:11. Daar zegt Paulus:
 |
"Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar
wanneer ik een man geworden ben zo heb ik te niet gedaan
hetgeen eens kinds was......." 1
Korinthe 13:11
|
De openbaringen der
profetie, bijzondere kennis en de tongen behoorden, met dit vers
gesproken, tot de kindertijd van de gemeente. Maar de volle openbaring van
God gaf de gemeente eenheid die in tegenstelling stond met het
kindheids-stadium van de gemeente. Toen de volle openbaring kwam werd de
kindsheid afgelegd en hield op. Volledig ondenkbaar is het dat Paulus met
dit beeld de opname van de Gemeente wil beschrijven. De opname voltrekt
zich immers in een ogenblik (1 Korinthe 15:51).
Een
kind legt a) langzaam, niet plotseling kinderlijke dingen af en wordt
b) niet plotseling een
man.
Een man worden is een langzaam proces, Paulus ontvouwt dit begrip in
Eféze 4:11-14. Daar stelt hij vast dat apostelen, profeten, evangelisten
en herders en leraars gegeven zijn tot volmaking der Heiligen en
zegt:
 |
"...Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus;......"
Efeze
4:13
|
We weten dat herders en leraars broeders
en zusters kunnen helpen om volwassen gelovigen te worden. Als echter met
volkomen of volmaakt worden, een eeuwige toestand bedoeld wordt, zou er
niet gesproken worden van herders en leraars. Herder en leraar kunnen een
mens niet in de hemel brengen. Onder 'volkomen man' verstaat de schrift
hier volle, geestelijke rijpheid.
3.
Want nu zien wij door een spiegel in raadselen, doch dan van aangezicht
tot aangezicht.
Ook
deze tegenstelling heeft met de genoemde 3 wondergaven te doen. Alle drie
de tegenstellingen geven antwoord op de vraag, waarom deze drie gaven
zullen ophouden en op welke gronden. In Jesaja 3 vanaf vers 16 maakt de
profeet een lijst op van allerlei modeartikelen en sieraden voor vrouwen.
Daarbij wordt in vers 23 ook de spiegel genoemd. Er wordt ons in Exodus
38:8 vertelt dat het wasvat in het heiligdom en het voetstuk daarvan, van
de koperen spiegels der dienstdoende vrouwen gemaakt was. Ook in Job 37:18
vinden we de uitdrukking "als een gegoten spiegel." Deze antieke
gegoten spiegels gaven, zoals bekend, een onvolkomen, vaag of vertekend
beeld. Daarmee wordt in de beeldspraak van het boek Job de hemel zelf
beschouwd als een weerspiegeling van de heerlijkheid en waarheid van God.
Het wasvat weerspiegelde symbolisch Gods reine waarheid. Maar hoe mooi
deze weerspiegeling ook is, ze is niet te vergelijken met de heerlijkheid
van de volle openbaring van God zoals ze ons in de Bijbel gegeven is. Zo
is het ook met de drie openbaringsgaven, profetie, kennis en tongen. Ze
zijn als stralen van Gods heerlijkheid onvolkomen, niet compleet. Als een
vaag beeld uit een (oude) koperen, gepolijste spiegel.
Nu
zien we nog door een spiegel in raadselen.
Inderdaad
ontving de eerste gemeente Gods woorden als in een raadsel. En dit in
bijzonder door profetie, kennis en tongen. Paulus zegt: Nu (d.w.z. terwijl
hij deze brief schreef) wordt de waarheid weerspiegeld en in raadselen
gegeven, maar dan, d.w.z. als deze bijzondere gaven ophouden, dan, als de
volle openbaring van God aan de mensen gegeven zal zijn, dan zullen we
zien van aangezicht tot aangezicht. Deze beschrijving geeft exact weer
welk wonder ons gegeven is door God, in de vorm van de kompleetmaking en
op schriftstelling van Zijn woord. Als we de Bijbel lezen staan we van
aangezicht tot aangezicht met de complete openbaring van God. We zullen
dit belangrijke begrip "van aangezicht tot aangezicht" nog wat
nauwkeuriger nagaan.
De
Bijbel verklaart zichzelf, als we schriftgedeelte met schriftgedeelte
vergelijken. Op de berg Sinaï sprak de Heer met Mozes 'van aangezicht tot
aangezicht' lezen we in Exodus 33:11. Wat God daar met Mozes deed, toen
Hij hem de oudtestamentische huishouding der wet bekendmaakte, dat wil Hij
nu doen met Zijn gemeente, door Zijn Woord, het oude en nieuwe testament.
Hij geeft daarin Zijn openbaring van aangezicht tot aangezicht, Zijn
complete Waarheid voor de gemeente en voor de wereld tot aan het einde der
schepping, zoals iemand spreekt met Zijn vriend.
In 2 Korinthe 3:18 staat:
 |
"En wij allen, die, met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de
Heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van
heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is." 2
Korinthe 3:18
|
Hier zijn we zelf een spiegel van de Heer, die wij van aangezicht tot
aangezicht zien.
De
eerste maal komt de uitdrukking 'van aangezicht tot aangezicht' voor in
Genesis 32:30. Daar zien we Jakob in Pniël.
In vers 32 staat:
 |
"En Jakob noemde den naam dier plaats
Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.." Genesis 32:30
(Pniël
= het aangezicht Gods).
|
Wat
was daar gebeurd? Daar worstelde een Man met hem tot de morgen. Toen sloeg
Hij hem op zijn heupgewricht, en vroeg Jakob naar zijn naam. Hij noemde
zijn naam. Daarna hoorde hij de woorden: Uw naam zal niet meer Jakob
luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij
hebt overmocht.
Jakob
vatte deze gebeurtenis samen met de woorden: "Ik heb God gezien van
aangezicht tot aangezicht." Ook in dit gedeelte is duidelijk te zien
dat de uitroep "Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht" de
uitdrukking is van een ervaring die hij op aarde gehad heeft. Deze
ervaring nam niet weg dat hij van toen aan kreupel was. In plaats van een
lichamelijke genezing, die wij vaak menen met het aanschouwen van God in verband te moeten brengen, ging hij voortaan hinkend door het leven.
A.
In raadselen
Er
is een tekstgedeelte in Numeri 12 dat ons heel helder verklaart wat Paulus
bedoelt als hij zegt: Nu zien we nog door een spiegel in raadselen, doch
straks van aangezicht tot aangezicht. Mirjam en haar broer Aäron hadden
zich tegen Mozes gekeerd en gezegd: "Heeft de Here soms uitsluitend door
Mozes gesproken, heeft Hij ook niet door ons gesproken?"
En de Here
hoorde het. En de Heer sprak tot hen (vers 6) "Indien onder u een
profeet is, dan maak Ik, de Heere, Mij in een gezicht aan hem bekend, in
een droom spreek ik met Hem. Niet aldus met Mijn knecht Mozes, vertrouwd
als hij is in heel Mijn huis. Van mond tot mond spreek ik tot hem,
duidelijk en niet in raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte des
Heren."
Een
zorgvuldige studie van Genesis zal u bevestigen dat de wijze waarop God
zich openbaarde was d.m.v. visioenen (verschijningen) in dromen en in
raadselen. De visioenen en dromen behoefden een uitleg, een verklaring. Zo
was het ook in de dagen van de apostel Paulus.
De
openbaringen van de gemeentelijke waarheden door de profeten, door de
bovennatuurlijke kennis en door tongen, waren als een raadsel, duister,
onduidelijk. God verklaarde in de dagen van Mozes, wat voor verschil er
was tussen de algemene profeten en Mozes. Met Mozes sprak God van
aangezicht tot aangezicht, niet in duistere rede (raadsels). Is net niet
opvallend, dat het oude testament zo'n exacte vergelijkingsmogelijkheid
biedt, die in alle punten overeenstemt met de Nieuw testamentische
parallel in 1 Korinthe 13? De schrift verklaart zichzelf !
B.
Van aangezicht tot aangezicht
Wat
hebben we onder deze uitdrukking te verstaan? Jakob zei, dat hij God van
aangezicht tot aangezicht gezien had. Maar had hij Gods aangezicht in
lichamelijke zin gezien? Nee, dat was niet het geval. En toch zegt hij:"
Ik
heb God gezien van aangezicht tot aangezicht." En dat, terwijl God
zelf gezegd heeft, in Exodus 33:20,
 |
".........Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven....."
Exodus
33:20
|
Alleen al deze
uitspraak maakt duidelijk dat het zien van aangezicht tot aangezicht bij
Jakob niet het aanschouwen is van het lichamelijke aangezicht van God.
Maar wat heeft het dan wel te betekenen?
Dit:
Jakob zag een man, die een openbaring van God was (Theofanie;
Godsverschijning). Zo'n verschijning is een lichamelijke openbaringswijze
van de tegenwoordigheid van God, in de gedaante van een mens. God liet
Zijn aangezicht niet zien op zo'n manier dat Jakob Gods aangezicht zou
kunnen beschrijven. Maar toch is het resultaat van deze openbaring dat
Jakob kan zeggen: "Ik heb God gezien."
Dit is precies wat het Woord van God bij ons doet. We zien God niet
lichamelijk, maar als de openbaring door de schrift zijn werk aan ons
doet, voelen we en weten we de eeuwige werkelijkheid; we hebben gezien van
aangezicht tot aangezicht.
Ook Mozes, die met God van aangezicht tot aangezicht sprak, zag Gods
aangezicht niet in lichamelijke zin. Exodus 33:20 is daar erg duidelijk
over. God toonde hem een rotsholte, waarin hij moest gaan staan. Daar ging
God voorbij en in het voorbijgaan bedekte Hij Mozes met Zijn hand. God
sprak tot hem: "Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan,
en zal de naam des Heeren uitroepen" (Exodus
33:19). Dat betekende
voor Mozes God van aangezicht tot aangezicht zien. En dat is, zoals
gezegd, wat bij ons door de schrift gebeurt. Door het Woord laat God zijn
goedheid aan ons voorbijgaan, en Hij roept Zijn Namen voor ons uit en
bewijst Genade en Barmhartigheid aan wie Hij wil.
Nadat
het geschreven Woord kwam dat volkomen was, zien we van aangezicht tot
aangezicht. De Heer zelf zegt als laatste woord in de laatste brief aan de
7 gemeenten: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, indien iemand Mijn
stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal met hem avondmaal houden, en
hij met Mij," (Openbaring 3:20). Is dat niet van aangezicht tot
aangezicht?
Er
is nog een parallel in het Oude Testament, die duidelijk maakt wat bedoelt
wordt met van aangezicht tot aangezicht. In Deuteronomium 5:4 staat:
 |
"Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE met u op den berg gesproken uit het midden des
vuurs,...." Deuteronomium 5:4
|
Dan noemt hij de 10 geboden en
gaat verder in vers 22,
 |
"Deze woorden sprak de HEERE tot uw ganse gemeente, op den berg, uit het midden des vuurs, der wolk en der donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij."
Deuteronomium
5:22
|
Het
is duidelijk: Tot aan Mozes sprak de Heer in raadselen, visioenen en
dromen, maar op de Sinaï spreekt God van aangezicht tot aangezicht met
Mozes en op deze wijze ook met het gehele volk. En Hij voegde daaraan
niets toe. Van deze tijd af had Israël een openbaring van aangezicht tot
aangezicht vergeleken met de voorgaande gedeeltelijke openbaringen, die in
visioenen, dromen en raadsels gegeven was. We zien in deze
oudtestamentische huishouding der wet hetzelfde principe, dat Paulus de
Korinthiërs voorhoudt. De gaven der profetie, kennis en tongen is te
vergelijken met de raadselen, dromen en visioenen zoals ze in de tijd voor
Sinaï en de komst van de geschreven wet gegeven werden.
Zie ook Hebreeën
12:25 en Hebreeën 12:18-24.
C.
Nu en dan.
Het
griekse woord 'nu' is een met nadruk genoemde tijdsbepaling. Het betekent
nu, in dit ogenblik, terwijl Paulus deze regels neer schrijft. Nu, nu er
nog geen geschreven nieuw testament is, nu de waarheid Gods nog door deze
gaven tot de gemeente komt. Nu zien we nog door een spiegel in raadselen,
maar dan, als het woord van God volkomen, compleet zal zijn, dan zien we
van aangezicht tot aangezicht.
Nu,
toen Paulus schreef
- was
er profetie
- waren
er tongen
- was
er bovennatuurlijke kennis
- was
de openbaring ten dele
- waren
kinderlijke dingen nog in gebruik
- werd
de waarheid gezien door een spiegel
- was
de kennis ten dele
- was
er geloof, hoop en liefde
maar
als het volkomene komt, dan
- wordt
profetie weggedaan
- houden
tongen op
- wordt
kennis weggedaan
- zal
dat wat ten dele is op houden
- zullen
we afleggen wat kinderlijk is
- zullen
we zien van aangezicht tot aangezicht
- zullen
we kennen zoals we gekend zijn
- zullen
geloof, hoop en liefde blijven.
4.
Ten dele kennen en volkomen kennen
Met
deze 4e tegenstelling wordt antwoord gegeven op de vraag: Waarom zouden de
wondergaven van de begintijd ophouden? En op welke gronden?
1
Korinthe 13:12 sluit met de woorden: 'Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal
ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben." Er worden hier in het
Grieks 2 verschillende woorden gebruikt voor 'kennen'. In het deel, dat
verband houdt met de openbarings-gaven, "nu ken ik onvolkomen,"
staat het gewone woord 'ginosko'. Dat betekent zich bewust worden, weten,
begrijpen, verstaan. Als het om de vergelijking gaat, "dan zal ik ten
volle kennen, zoals ik zelf gekend ben," staat in plaats van 'ginosko'
het in de schrift spaarzaam voorkomende woord 'epiginosko'. Dat betekent
duidelijk kennen, in vertrouwen genomen worden. Het komt de eerste maal
voor in Matthéüs 7:6: "aan hun vruchten zult gij hen kennen."
Wij mogen vandaag door Zijn volkomen woord kennen. Hem te kennen en de
kracht van Zijn opstanding (Filippensen 3:10).
Het gebed van de apostel
voor de gemeente en de volle kennis is op verschillende plaatsen in zijn
brieven te vinden. In het kort samengevat vinden we het in Éfeze
1:17-19:
 |
""Opdat de God van onzen Here Jezus Christus, de Vader der
heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn
kennis; namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten,
welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der
heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; en welke de uitnemende
grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der
sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit
de doden heeft opgewekt; en heeft gezet tot Zijn rechterhand in den
hemel." Éfeze
1:17-19
|
Geloof,
hoop en liefde
Het slotvers van ons hoofdstuk luidt:
 |
"En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.."
1
Korinthe 13:13
|
De verzen 1-8 en
de laatste verzen beschrijven de hoofdtegenstellingen van dit hoofdstuk,
In vers 1-8 werd de liefde gezet tegenover de wondergaven. Het 13e vers
sluit op deze tegenstelling aan, en sluit daarmee de kern van dit
hoofdstuk af.
De drie openbaringsgaven zijn opgehouden, maar deze drie
zullen blijven, geloof hoop en liefde. We kunnen ons nog afvragen op welke
plaats geloof, hoop en liefde zullen blijven, in de hemel of op aarde?
Geloof is de grondslag van ons geestelijk leven in deze tijd.
 |
".. zonder geloof is het onmogelijk Gode te
behagen........ ".Hebreen 11:6a
".... En al wat uit het geloof niet is, dat is
zonde". Romeinen 14:23b |
Hoop is de troost, de vreugde van de gelovigen,
waardoor zij, zoals Abraham, uitzien naar de stad, waarvan God de
Bouwmeester is, (Hebreeën 11:10). Liefde is de grootste van deze en is
eeuwig. De liefde wordt hier echter ook aards bezien, ze wordt in verband
gebracht met o.a. praalzucht, opgeblazenheid en egoïsme (vers 4- 7). Dit
zijn dingen die we op aarde doorleven; geen dingen die we in de hemel
zullen aantreffen. Hieruit kunnen we vaststellen dat deze drie gaven in
verband staan met ons aardse leven. Geloof en hoop duren voort tot de
wederkomst des Heeren voor Zijn gemeente. Dan zullen ook deze beiden
ophouden. Het geloof wordt veranderd in aanschouwen (1 Johannes
3:2). Ook
de hoop is van tijdelijke aard. In Romeinen 8 lezen we: "Hoe kan men hopen
op wat men ziet?" Bij de opname der gemeente is onze hoop eerst
vervuld.
In
het kort samengevat, 1 Korinthe 13 leert duidelijk:
A.
drie dingen zullen ophouden: de gaven van profetie, tongen en
kennis;
B.
drie dingen zullen blijven:
geloof, hoop en liefde;
C. daarvan weten we dat ook geloof en hoop zullen ophouden nl. bij de
wederkomst van Christus;
D. de liefde houdt nooit op. Liefde is eeuwig zoals God zelf eeuwig
is.
Enkele
punten ter overdenking
In
sommige gemeenten zijn er ook vandaag, die menen deze gaven te bezitten.
Een macht of kracht is bij hen binnen gekomen. Deze brengt hen van tijd
tot tijd in een toestand van extase. En in deze toestand worden dan
onsamenhangende klanken uitgestoten. Niemand hoeft er aan te twijfelen dat
deze ervaringen reëel zijn. Maar zijn ze van God? Hebben we met hetzelfde
teken te doen als in Handelingen en de 1e Korinthebrief.
We hebben al gezien dat Gods woord zegt dat tongen zullen ophouden.
Als dat zo is kan niemand vandaag in tongen spreken in de Bijbelse
betekenis van de uitdrukking. En dus zeker niet iedereen, zoals sommigen
ons willen doen geloven.
Paulus
stelt de voorrang van verstandelijk spreken boven het spreken in tongen
spreken op 2000:1. "Liever 5 woorden met het verstand, dan 10 duizend
woorden in een tong" (1
Korinthe 14:19). Er zijn er ook vandaag, die deze verhouding bij voorkeur
omdraaien.
En
zijn het ook niet dikwijls deze gemeenten, waarin veelal vrouwen, zusters,
de leiding nemen? Ook dit is in strijd met
1 Korinthe 14: (vers 34 en 35).
Tongen
zijn een teken voor ongelovigen volgens 1 Korinthe 14:22. Welke?
ongelovigen? Het antwoord staat in vers 21:
 |
"In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot
dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de
Heere" 1 Korinthe
14:21 |
Ongelovige Joden! Zie ook Jesaja 28:11 en 12, waaruit de apostel hier citeert. Het zal maar zelden voorkomen dat
charismatische gemeenten door ongelovige Joden bezocht worden.
Er
is veelal in deze gemeenten geen orde, maar wanorde. God is echter een God
van orde. Vers 40 van het onderhavige hoofdstuk zegt: Laat alles
betamelijk en in goede orde geschieden. Volgens vers 37 is dit een gebod
des Heeren. Is het dan een goede gewoonte dat, als iemand hardop bidt,
anderen in- of bijvallen zodat een onverstaanbaar gebed overblijft. God is
niet een God van wanorde, maar van vrede (vers 27-33).
Ritmiek,
handenklappen, het herhalend uitroepen van stereotiepe kreten als
"Jezus, Jezus", "Prijs de Heer",
"Halleluja", etc. scheppen de extatische sfeer die men nodig
blijkt te hebben. Deze gewoonten heeft men noch uit de Schrift, noch van
God Zelfgeleerd. Herhaling van woorden en uitroepen vinden we ook terug in
Oosterse meditatietechnieken. Men krijgt dan een woord, een zogenaamde
mantra, en men moet dit woord blijven herhalen totdat men komt in een
staat van bewustzijnsverruiming (of is het vernauwing?).
De
Heilige Geest wordt veelal gesteld boven de Vader en de Zoon en ook boven
de Vader en de Zoon geëerd of aanbeden. De Heilige Geest echter
verheerlijkt de Heer en niet Zichzelf. Over de Geest en Zijn werking lezen
we in Johannes 16:
 |
"Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid,
Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet
spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.Die zal Mij
verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen".
Johannes 16:13,14 |
"Hij zal u in heel de waarheid leiden…… Hij
zal van Zichzelven niet spreken.....Die zal Mij verheerlijken .......
Spreken
in tongen is geen bewijs van vervulling met de Heilige Geest. De gemeente
in Korinthe was allerminst geestelijk. Geestelijk blijkt iemand te zijn,
als hij de vrucht van de Geest (Galaten 5:22) openbaart. Beginnend met
liefde en eindigend met matigheid (= zelfbeheersing).
 |
"Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid."
Johannes 16:13,14 |
De
herhaling van woorden en de daarmee opgeroepen extase leiden echter juist
tot het tegenovergestelde: het verlies van zelfbeheersing. Wanneer in
zulke gevallen de zelfbeheersing (controle) wordt doorbroken, kan en zal
de macht van de grote tegenstander zich manifesteren. En de schrift zegt
ook inderdaad, dat dit in deze tijd zal gebeuren, (1Tïmótheüs 4:1).
 |
"Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,."
1Tïmótheüs
4:1
|
Op
geen enkele plaats in de schrift spreken vrouwen in tongen.
Nergens
in de Bijbel komt de leer naar voren dat mensen aanhoudend zouden bidden
en wachten op de gaven van de Geest.
In
de Bijbel wordt in talen gesproken, geen koeterwaals.
Een
hypnotiseur kan onder hypnose zijn cliënt in tongen laten spreken. Hij
scheidt dan het spraakorgaan van de besturing der hersenen. Een mens kan
dit ook zelf doen door zelfsuggestie, zelfhypnose, het herhalen van
slogans, woorden, emotionele sfeer In deze toestand gelooft en doet men
wat gezegd wordt. Het gevoel en de ervaring worden basis van het geloof.
Niemand
weet waar de macht der hypnose ophoudt en de macht der boze geesten
begint. Een geest zal altijd proberen de leiding in iemands leven over te
nemen. Velen kunnen getuigen van mensen die in een taal spraken, maar
lasterlijke woorden uitten, zonder dat die sprekers het zelf wisten. Het
is een satanische imitatie. Het is wat de schrift de werking van satan
noemt met allerlei krachten en tekenen en wonderen (2 Thessalonicensen
2:9). In verschillende primitieve religies komen deze verschijnselen ook
voor. Maar ook onder de zogeheten "Mormonen" De Bijbel
waarschuwt ons er voor (1Timótheüs 4:1).
Johannes
zegt ons niet iedere geest te geloven !
 |
"Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld."
1 Johannes
4:1 |
Er
zijn zelfs kringen die in deze sfeer avondmaal houden. Niet zelden worden
handelingen hierbij door vrouwen verricht. Deze occulte atmosfeer is niets
anders dan wat Paulus in 1 Korinthe 10:21 de Tafel der Demonen noemt. De
krachten die deze mensen ervaren worden door de schrift met demonen in
verband gebracht.
Veelal
worden reeds bestaande kringen en/of gemeenten door bovengenoemde
groeperingen gezien als zendingsterrein. Hun praktijken komen echter niet
meteen op tafel, maar men probeert gelovigen te interesseren, zonder
zichzelf bloot te geven. Wanneer dat uiteindelijk toch gebeurt is het
kwaad al geschied en grote onenigheid en scheuring het resultaat. Het
enige verweer wordt ons gegeven in Eféze 6:13:
 |
"Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven"
Eféze
6:13 |
En vers 17: ….
 |
".......En neemt den helm der zaligheid,
en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord ".Eféze
6:17 |
Paulus
kende deze zorg ook al, hij zegt in 2 Korinthe 11:3-4 :
 |
".....Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.
Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht."
2
Korinthe 11:3-4
|
1
Een andere Jezus
De
Jezus van bovengenoemde gemeenten is niet de Jezus van het woord van God.
Hij is niet de Heere Jezus; Hij is eerder degene die hen bereidwillig laat
doen wat zij zelf willen.
2
Een andere Geest
De
Heilige Geest openbaart en verheerlijkt onze Heer Jezus. Hij spreekt niet
van zichzelf. Hij aanbidt zichzelf niet, stelt zichzelf niet boven Vader
en Zoon.
3
Een ander evangelie
De
volle inhoud van het evangelie wordt in 1 Korinthe 15:3-4 samengevat:
 |
Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
1 Korinthe 15:3-4
|
Sommigen prediken echter een evangelie waaraan
iets is toegevoegd om het vol te maken. Een tweede zegen. Het is een extra
evangelie. We worden daarvoor gewaarschuwd in 2 Korinthe 11:13 -15.
 |
"Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken."
2 Korinthe
11:13 -15
|
We
hebben al aangevoerd dat de tekenen zijn opgehouden. De Geest geeft in
deze tijd evengoed gaven. Alleen de tekenen niet meer. Dit wekt bij
sommige gelovigen een valse honger. Men wil niet zomaar geloven, zoals de
Bijbel ons zegt.
Nee, men wil zien............ Men wil horen............ Men wil voelen.....
Net als
Thomas en het Joodse volk, waarvan hij een beeld is.
 |
Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
Johannes 20:29 |
Maar de Bijbel zegt,
dat wij zouden "Niet zien en toch geloven." Wie dat niet wil, is
een eenvoudige prooi voor welke tegenstander dan ook.
|