En het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, 
en een bewijs der zaken die men (nog) niet ziet 
Hebr. 11:1



De werken van de Heere Jezus Christus.   

De gemiddelde christen, gevraagd naar het tegenwoordige werk van Christus, verwijst vaak slechts naar Zijn volbrachte werk, namelijk Zijn lijden en sterven aan het Kruis. Dit komt doordat men veel bijbelteksten, die juist handelen over het tegenwoordige werk van Christus, toepast op het eenmalige ‘offer’ dat Hij volbracht aan het kruis van Golgotha. Veel gelovigen zien nooit verder dan het lijden en sterven van de Heere Jezus, en passen hierbij de verkeerde bijbelteksten toe op de kruisdood van de Heer; zij bedenken niet dat de Heere Jezus Christus vandaag de dag een werk doet, niet aan de wereld, maar aan ons die geloven.

Het werk van de Heere Jezus Christus is onder te verdelen in verschillende fasen. De werken die Hij doet liggen in elkaars verlengde.
Zijn eerste en reeds volbrachte werk vond plaats toen Hij als mens op aarde kwam en de verantwoordelijkheid voor de zondige wereld op zich nam. Dit recht had Hij omdat Hij, volgens het erfrecht, de ‘Zoon des Mensen’: de erfgenaam van Adam was. Hoewel Hij zonder zonde was, is Hij tot zondaar gemaakt. Hij droeg de zonden der wereld, Hij leed en stierf aan het kruis voor een goddeloze en zondige wereld. Dit ‘offer’ heeft Hij volbracht. Het feit dat dit werk is volbracht, wekt bij verschillende gelovigen het idee dat Hij nu niets meer doet. Nu, het tegendeel is waar.
Zijn tweede, huidige werk: Hij is in de gelovigen "een goed werk begonnen," zoals de apostel Paulus schrijft in de aanhef van zijn brief aan de Filippensen. Het huidige werk, dat volgt op het volbrachte werk, is de opbouw van de Gemeente, het Lichaam van Christus. Dit huidige werk begon bij de dood en opstanding van de Heere Jezus en zal voleindigen op de dag van Jezus Christus.
We zullen aan de hand van diverse Schriftplaatsen deze twee werken nader bespreken.

 

Het volbrachte werk van de Heere Jezus voor de wereld.

Het volbrachte werk van de Heere Jezus bestond uit het verlossen van de wereld uit de macht der zonde. Toen God de mens ‘Adam’ schiep, gaf Hij hem de opdracht om "de aarde te onderwerpen en over haar te heersen". Adam moest de ‘hof van Eden’ bewaren en uitbouwen. Maar Adam faalde, hij werd verleid door de duivel. De mens Adam, en in hem de gehele mensheid, zondigde en miste zo zijn oorspronkelijke doel waarvoor God hem geschapen had, namelijk het in Gods naam onderwerpen van de vijandige wereld.


De wereld zoals wij die nu kennen was een vijandige wereld tegenover God. Door de val van Satan had God de ‘wereld die toen was’ geoordeeld, namelijk vernietigd door water. De wereld van nu werd geschapen uit deze vorige, gevallen schepping. De ‘zondeval’ van Adam was dus eigenlijk wel voorspelbaar, want Adam was geformeerd uit de resten van deze gevallen schepping. Meer hierover kunt u lezen in de brochure 'Wedergeboorte -  de hoop der schepping'.  


"De eerste mens is uit de aarde, aards"       1 Kor.15:47


"En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde" 
Gen. 2:7.




Omdat Adam zondigde, en de zondige natuur in hem tot uiting kwam, volgde daaruit dat al zijn nakomelingen ook deze zondige natuur zouden erven. Op deze wijze zijn alle mensen erfelijk belast met deze zondige natuur. 


"Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben."    Rom 5:12.


De mensheid was dus verloren; God had als Schepper Zijn schepping verloren. Als iemand zijn geld verliest dan is niet het geld de dupe, maar diegene die het verliest, de eigenaar van het geld. Op gelijke wijze is God dus verantwoordelijk voor het verliezen van Zijn schepping. Aan zijn zondige natuur kan de mens niets doen, dit ‘zondeprobleem’ is - of beter gezegd was - het probleem van God. Voordat Hij de in zonde gevallen wereld herschiep in de dagen van Adam, had de Schepper al voorzien dat deze ‘herstelde’ wereld een ‘verlosser’ nodig had. God had toen al bepaald dat Zijn Zoon Jezus Christus de wereld met Hem zou verzoenen. Zoals door één mens (Adam) de zonde werd geïntroduceerd in de wereld, zou ook door één Mens de zonde worden weggedaan.
 

 

"Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide : Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!"   Joh. 1:29


"Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen"    Math. 20:28


"Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt." 
Gal. 3:13


"Want dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigen Gods in Hem"   2 Kor. 5:21

 

In Jesaja 53 staat een uitgebreide beschrijving van wat de Zoon des Mensen te wachten stond en op welke wijze Hij deze taak op zich zou nemen. 


1 Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?  2 Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.   3 Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.  4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.  5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.  6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.   7 Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.   8 Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.   9 En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.  10 Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt ; .........     Jes. 53: 1-10a

 

De Zoon des Mensen leed en stierf aan het kruis voor de zonden der wereld


Toen de Heere Jezus aan het kruis hing, was er geen vrede tussen God en Hem. Toen rekende God Hem als zondaar. In onze plaats droeg Hij de zonden, van zondaren en goddelozen, aan het kruis. Toen was er van Gods zijde vervloeking en verdoemenis. Het ‘handschrift’(de wet) gaf kennis der zonde en veroordeelde de mens. Doch onze Heiland heeft het oordeel over de zonde en zonden voor ons gedragen.

 

"Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende."  Kol. 2:14.


In Zijn lijden en sterven droeg Hij de zonden (meervoud: de praktische uitwerking van de zondige natuur in daden) der wereld.
De zonde (enkelvoud: de erfzonde die wij meekregen in Adam, nl. ongeloof/ongehoorzaamheid) droeg de Heere Jezus toen Hij de dood in ging. De zonde heerst namelijk over de mens zolang als hij leeft; zodra een mens sterft, is hij vrij van de zonde (erfzonde) maar draagt nog wel verantwoording voor de zonden die hij heeft begaan toen hij nog leefde. Volgens dit principe zal de mensheid dan ook worden geoordeeld op de jongste dag, waarop ieder voor de grote witte troon zal verschijnen.
Aanvaardt men echter het verlossingswerk van de Heere Jezus Christus, dan is men ook vrij van zijn begane zonden. In de brochure
"Wedergeboorte -  de weg er naar toe" wordt het onderscheid tussen ‘zonde’ en ‘zonden’ uitgebreid besproken.  

De straf die de Heere Jezus droeg voor onze zonden, maakte ons voor God vrij van die straf, alsof wij hem zelf gedragen hadden. De dood die de Heere Jezus onderging voor onze zonde, maakte ons vrij van de dood, alsof wij die zelf hadden ondergaan. Zoals ook 2 Kor. 5:15 zegt :

 

"Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.  2 Kor. 2:15



Op de hierboven beschreven wijze zijn wij dus door de Heere Jezus verlost van zonden en zonde. Als dit echter alles was, dan zouden wij nog met Hem in de dood zijn. Dan had de overste dezer wereld, de satan, toch zijn overwinning behaald. Maar zoals het eind van Jesaja 53 al vermeldde, had God een welbehagen in de Heere Jezus. De dood heeft Hem niet kunnen vasthouden. God wekte Zijn Knecht, de Rechtvaardige, op uit de dood.  

 

10....... als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.   11 Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.   12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.   Jes. 53: 10b - 12

 

In de opstanding van de Heere Jezus hebben wij dus pas echt de verlossing ontvangen. In Hem zou God velen rechtvaardig maken. In Hem ontvingen wij het nieuwe leven.

"Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft. Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking".  Rom 4:24-25

"Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding".  Rom. 6:4-5


" .... indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden".  
1 Kor. 15:17



Bij Zijn opstanding ontving de Heere Jezus een positie in de Hemel, een Naam boven alle naam. Door Zijn opstanding werd Hij de beloofde Messias, de Christus. Hiermee was dit eenmalige werk ’volbracht"’, zoals de Heere Jezus Zijn laatste woorden waren aan het kruis hangende: "Het is volbracht". In Filippensen 2 staat Zijn werk heel kernachtig beschreven in de verzen 5 t/m 10 :


5 Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;  6 Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;  7 Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;  8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.  9 Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;  10 Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.  11 En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.    Filip. 2 : 5-11 (zie ook 1 Petr. 2 : 22-24)


 


Zijn volbrachte werk was 
voor de gehele wereld




 

 

Het huidige werk van de Heere Jezus Christus voor de Gemeente.

Het volbrachte verlossingswerk van de Heere Jezus wekt bij nogal wat gelovigen de indruk dat Zijn werk nu klaar is. Nu is het wel zo dat het werk aangaande de zonden der wereld is volbracht, maar uit de Schrift blijkt dat Hij op dit moment ook een ‘werk’ doet, namelijk aan de gelovigen die Hem hebben aangenomen. Bij Zijn opstanding ontving Christus naast Zijn hoge positie nog iets: als loon voor Zijn gedane arbeid ontving Hij van God een ‘Volk voor Zijn Naam’ namelijk de Gemeente. Dit volk, dat zou bestaan uit eerstelingen van een nieuwe schepping, wordt op vele plaatsen aangeduid als ‘Hoofd en Lichaam ’. Hierbij is Christus het Hoofd en de Gemeente het Lichaam..

 

20 Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel;  21 Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;  22 En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;  23 Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.  Efez. 1 : 20-23


"Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden"   1 Petr. 2:9

 

Als eerstelingen in Christus zijn wij bestemd voor God en ontvangen daarom een positie in de hemel. Al in het oude testament wordt ons het principe bijgebracht dat de eerstgeborene en/of de eerste vruchten van het land waren bestemd voor God, en als zodanig in de tempel moesten worden ‘geofferd’. Volgens dit principe is de eerste vrucht van de nieuwe schepping bestemd voor God.

 

"Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft. Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus".     Efez. 2: 4-7

 

De Gemeente wordt gezien als een volk dat ‘is opgeschreven in de Hemel’. God gebruikt onze positie in Christus als voorbeeld en bewijs van Zijn genade en goedertierenheid. Dit is een hele speciale positie, die vanuit het oude testament niet bekend was. Vanuit het oude testament wist men alleen dat de gelovigen van toen, zoals Abraham, Izaak, en vele andere gelovigen, zouden opstaan op de jongste dag en dan (op grond van hun geloof) een nieuwe aarde zouden bevolken. Dat er dus nu een gelovig volk is dat deze positie in de hemel ontvangt, is iets bijzonders. Het is het bewijs van Zijn genade. 

Het werk dat de Heere Jezus Christus dus nu doet is ten behoeve van Zijn Lichaam.


Hij bouwt, reinigt en onderhoudt Zijn Lichaam ...... de Gemeente.

 

"Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.  Titus. 2 : 14


In Handelingen 20 wordt de Gemeente gezien als een kudde schapen :

Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.  Hand. 20:28


In dit vers staat dat Hij de Gemeente Gods heeft verkregen door Zijn eigen bloed. Mocht u ‘zijn bloed’ opvatten als zijn lijden en sterven, dan mist u de werkelijke betekenis van dit vers. Zijn eigen bloed is namelijk Zijn eigen, huidige, leven. Zijn bloed reinigt ons van onze zonden, die wij nu begaan, nu wij ons nog in het oude lichaam bevinden. Zoals het bloed in uw eigen lichaam een voedende en reinigende werking heeft, zo reinigt ook Zijn bloed ons van dode werken en voedt ons met Zijn leven. Dit is werk waarvan u eigenlijk niets merkt, net zoals uw eigen bloedsomloop die, indien u gezond bent, onopgemerkt zijn werk doet. 

In veel Schriftplaatsen wordt gesproken over het tegenwoordige werk van Christus. Vaak begint de schrijver dan met een terugblik op het volbrachte werk en schakelt daarna door naar het huidige werk van Christus. Indien je deze teksten niet aandachtig genoeg leest loop je het risico het huidige werk te missen. Lezen we bijvoorbeeld de tekst uit Efeze:

"En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk"    Efez. 5:2


Ook dit vers uit Efeze handelt over het tegenwoordige werk van Christus. Hij heeft Zichzelven overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk. NB Het offer aan het kruis was géén welriekende reuk!

Ook de tekst in Romeinen 5 is hier een goed voorbeeld van.  

 

6 "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. 7 Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. 8 Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.  9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.  10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven".   Rom. 5:6-10


Om de verschillen te verduidelijken hebben we de beide werken in dit tekstgedeelte in het volgende schema geplaatst:

 

Rom. 5

Het volbrachte werk 

Het huidige werk

vers 6 Wij waren krachteloos en goddeloos  
vers 7    
vers 8 Christus * is voor ons gestorven toen 
wij nog zondaars waren
 
vers 9   Veel meer, (dus nog meer Liefde van God) zijn wij gerechtvaardigd door Zijn bloed. Daardoor worden wij behouden van de toorn..
vers 10 Wij waren vijanden en werden 
verzoend met God
Veel meer, zullen wij behouden worden 
door Zijn leven.
 
* In de beschrijving van het volbrachte werk van de Heere Jezus, wordt hier Christus genoemd omdat dit Zijn huidige functie en naam is. Dit gebeurt veelvuldig in het Nieuwe Testament.

 

De hogere betekenis van het huidige werk komt al naar voren uit de toevoeging ‘veel meer dan’ in de verzen 9 en 10. De rechtvaardiging door Zijn bloed betekent hier niet Zijn dood aan het kruis, vers 10 zegt daarop dat wij zijn behouden door Zijn leven. Zijn bloed is dus Zijn leven, het leven dat Hij ontving bij Zijn opstanding. Was het volbrachte werk voor de goddelozen en zondaren, welnu, het huidige werk ligt in het verlengde hiervan en dit werk wordt gedaan niet aan de wereld, maar aan gelovigen. Zijn bloed, Zijn leven stelt Christus nu beschikbaar aan ons.. 

De voetwassing door de Heere Jezus bij Zijn laatste avondmaal is een uitbeelding van dit huidige werk, dat Hij zou gaan doen in de hemel. Dat deze reiniging een speciale betekenis had, blijkt wel uit vers 7 en vers 11. De reiniging van de voeten der discipelen staat model voor de reiniging die Hij nu doet aan de Gemeente. Zoals de voeten der discipelen werden bevuild door hun aardse omwandeling, worden ook onze ‘voeten’ (ons geweten) verontreinigd door onze wandel in deze oude schepping. Wij kunnen onze eigen voeten niet reinigen; we zouden dan weer onder de wet moeten leven om te bepalen wanneer we onze voeten moeten reinigen. We zouden dan weer eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Een betere oplossing is te eten van de Boom des Levens, en de reiniging van ons hart, ons geweten, aan Christus over te laten. Dat is vertrouwen op Hem! Leest u zelf hoe de voetwassing plaatsvond en wat de Heere Jezus erover had te zeggen:


Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging.  4 Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven.  5 Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.  6 Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen?   7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.   8 Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij.   9 Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.   10 Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.   11 Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.   12 Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?   13 Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het.   14 Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.   15 Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.   16 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.  17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.    Joh. 13:4-17 



De voetwassing bij de discipelen vond plaats zonder dat daarbij commentaar kwam van de Heere Jezus of van de discipelen zelf. De Heer deed dit werk als vanzelfsprekend. Alleen Simon Petrus sputterde tegen, de Heere Jezus zei tot hem: ‘wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan’. In het licht van de brieven zal Petrus later wel hebben begrepen dat ook deze ‘verborgenheid’ handelde over Christus en de Gemeente. Petrus wilde zich meteen weer helemaal laten wassen. De reactie van de Heere hierop is: iemand die is gewassen (wedergeboren) hoeft voortaan alleen zijn voeten maar te laten wassen! Met andere woorden: iemand die de het volbrachte werk heeft aangenomen, kan zijn zonden (geweten van zonden) alleen maar laten reinigen door de voetwassing van de Heere Jezus of te wel het Leven, Bloed van Christus. 

"Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen ?"   Hebr. 9:14

 

 

 

Wat is het resultaat van het niet onderscheiden van deze twee werken van de Heere Jezus Christus !

Beide werken van de Heere Jezus Christus spreken over vergeving van zonden. Indien we de beide werken naast elkaar zetten, krijgen we echter een beter beeld van Zijn huidige werk en de hogere toepassing hiervan.

 

Het volbrachte werk

Het huidige werk

Een werk voor de wereld voor
zondaren en goddelozen
Een werk voor de Gemeente
voor gelovigen
Geschiedde door Zijn lijden en sterven  Geschiedt door Zijn Leven nu!
Géén welriekend offer Wel een welriekend offer
Een Lam tot zonde gemaakt Een onstraffelijk Lam
Wij waren vijanden en werden
verzoend met God
Niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar gezet in de hemel, huisgenoten Gods.
Genade van God Genade op genade van God

 

 

Samenvattend kunnen we dus zeggen :

  1. Door het lijden en sterven van de Heere Jezus, zijn wij verlost van de straf der zonde.
  2. Door te geloven in Christus, die zit aan de rechterhand Gods, worden wij verlost van de macht der zonde en komen wij tot een ‘matig, rechtvaardig en godzalig leven’.

Dit is Zijn werk, Hij wil door de Heilige Geest ons vrijmaken van het ‘zondeleven’ van de oude mens, en ons laten leven naar de nieuwe mens. De Schrift zegt hierover dat wij hiermee hebben ontvangen ‘genade op genade’ , ‘uitnemendheid Zijner genade’ Efez. 2:7 of ‘een overvloed der genade’. Het tweede werk volgt dus uit het eerste maar is van een hogere kwaliteit.  


"Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen."  Gal. 5: 1- 4


Wij zouden deze twee werken van de Heere Jezus Christus moeten onderscheiden, al is het maar omdat de Schrift het onderscheid duidelijk aangeeft. Wij moeten Zijn tegenwoordige werk niet reduceren tot het volbrachte werk aan het kruis. Die gelovigen die het tegenwoordige werk van Christus niet kennen en daaruit niet leven, zullen met hun zonden weer teruggaan naar het kruis! Dit is niet de weg die wij behoren te volgen. Als wij onze zonden weer bij het kruis neerleggen, kruisigen wij hiermee Christus opnieuw en zullen wij niet worden gereinigd. Deze gelovigen zullen dan ook géén gereinigd geweten hebben ten opzichte van God of de Heere Jezus Christus. Zij zullen onder hun zonden en onder de wet blijven leven, zij leven dus niet alleen in de oude schepping, maar praktiseren deze ook, oordelende wat wel en niet kan.
Zij die dit huidige werk van Christus niet kennen, zijn gelijk als Ezau, die om een spijze (de oude mens) zijn eerstgeboorterecht weggaf.

" Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.  Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf".  Hebr 12:15-16


De gelovige wordt door de Schriften gewezen op zijn verantwoording om de genade Gods niet te misbruiken. Dit gebeurt o.a. door bijvoorbeeld gelovigen die de genade gebruiken om onder de wet te kunnen leven. De wet als ‘leefregel der dankbaarheid’ heeft men er zelfs van gemaakt. Dit is echter onmogelijk; genade en wet gaan niet samen. Zoals de wet was gelegd op de oude mens, die is gestorven aan het kruis, zo is de genade verstrekt aan de nieuwe mens, die leeft in Christus. Zo zijn wij dan vrij van de wet.

"Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen."  Gal. 5: 1- 4



Geeft acht op de overvloedige genade, het tegenwoordige werk van de Heere Jezus Christus,
opdat uw geweten gereinigd wordt en u een vrijmoedige toegang hebt tot God.

 

Wij hebben een vrijmoedige toegang tot de troon der genade, want wij hebben Christus als getrouw Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Zoals de wet het voorschreef had Hij, net als alle voorgaande hogepriesters uit het oude testament, eerst Zijn eigen zonden beleden (aan het kruis). Daarna kon Hij ingaan in het heiligdom, om verzoening te doen voor het gehele volk (de Gemeente). 

26 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.  1 Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;  2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is;  3 En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.   4 En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron.  5 Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.  6 Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.   Hebr. 12: 26 / 13: 1- 6








Zijn huidige werk is 
voor de Gemeente




 

De voleinding van Zijn huidige werk aan de Gemeente.

Het werk dat Christus nu doet voor de Gemeente beslaat een bepaalde periode. Deze periode wordt door de apostel Paulus de ‘bedeling der Genade Gods’ genoemd.

 

1 Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt.  2 Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;  3 Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;  4 Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),  5 Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest;  6 Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;  7 Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht.    Efez 3: 1 -7 

 

Een bedeling is een periode in de heilsgeschiedenis waarin het schepsel als individu of als volk wordt beproefd met betrekking tot zijn gehoorzaamheid aan Zijn Schepper. Volgens dit Bijbelse principe is de heilsgeschiedenis te verdelen in zeven op een volgende periodes. Meer hierover in de brochure Gods Programma en de Bijbelse Panorama's over dit onderwerp.
De heidenen werden dus mede-erfgenamen van het Lichaam van Christus. Jood, Griek of Barbaar konden door geloof naderen tot God en deel krijgen aan de Gemeente. Een ‘volk’ afgezonderd van de volkeren, met een hemelse toekomst.

Deze periode waarin de Heere Jezus Christus Zijn huidige werk aan de Gemeente doet, is begonnen bij Zijn opstanding en zal zijn volbracht bij ‘onze openbaring voor de rechterstoel van Christus’ 2 Kor. 5:10. ook wel genoemd ‘onze toevergadering tot Hem’ 2 Thes. 2:1 , of zoals in de aanhef van de Filippensenbrief: 

"Over uw gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe; Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus"  Fil. 1:5-6 

 

Tot op de ‘dag van Jezus Christus’ is gelijk aan ‘onze openbaring voor de rechterstoel van Christus’ en ‘onze toevergadering tot Hem’ . Deze gelegenheid heeft in onze kringen de term 'opname der Gemeente' gekregen. Het gaat hier om de gelegenheid waarbij Christus (Hoofd) en de Gemeente (Lichaam) in heerlijkheid geopenbaard worden (in de hemel).  

"Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen"   1 Thes. 4: 16-17

 

De opname van de Gemeente

 


 

Het toekomende werk van Christus.

God zou dus eerst dit volk, de Gemeente (Hoofd & Lichaam), aannemen door of voor Zijn Naam. Als dat werk is voltooid, en de ‘opname’ heeft plaatsgevonden, zal Hij zich in eerste instantie richten op het (dan nog) ongelovige volk Israël. Want de beloften die God had gedaan aan het volk Israël zijn niet ‘verscheurd’ bij de kruisiging van de Heere Jezus. Als God beloften doet, dan komt Hij deze ook na. De beloften die Hij deed aan het volk Israël zijn dus nog steeds van kracht, zoals Simeon verhaalt in Handelingen 15: 


“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.  En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten”. "   Hand. 15:14 -16

 

Het werk aangaande het volk Israël zal verder gaan vanaf het punt waar het werd gestopt. Dit was het moment net voor de dood van de Heere Jezus, toen Hij vanaf de Olijfberg uitzag over Jeruzalem. Vlak voor het lijden en sterven van de Heere Jezus had Zijn volk, Zijn stad Jeruzalem, Hem niet gekend of herkend, als De Verlosser. Het ‘natuurlijke’ Israël (Israël als volk) heeft Hem niet aangenomen. God verkoos Zich eerst een ander volk (een ‘ander’ Israël) uit de heidenen voor Zijn Naam, zoals al in het oude testament was aangekondigd.

De periode waarin God de heidenen bezocht kwam dus te liggen tussen de 69e en de 70e week van Daniël. Het werk met betrekking tot het volk Israël ging in de koelkast, het volk Israël verdween onder de andere volkeren. De laatste ‘jaarweek’ die nog miste, in de reeks van de ‘70 weken der jaren’, wordt de 70e week van Daniël genoemd. Zelfs de Heere Jezus wees hierop toen Hij sprak over hoe het zou zijn in het laatste der dagen. 

3 En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?  4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.  5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.   6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.   7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.   8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. 9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.   10 En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.   11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.   12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.   13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.   14 En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.   15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)   16 Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen;      Math 24 : 3-16

 

Het ongelovige volk Israël, dat zich sinds de vestiging van de Joodse staat in 1948, in Palestina bevindt, zal een verbond aangaan met haar vijanden. Met de intrede van dit verbond zal de laatste ‘jaar-week’ aanvangen: een week van 7 jaar, verdeeld in 3½ jaar vrede en 3½ jaar verdrukking. Aan het eind van deze 7 jaar zal Jeruzalem worden verwoest. Bij deze gelegenheid zal een overblijfsel (een kleine minderheid) de Naam des Heeren aanroepen als laatste middel om te ontkomen aan deze verwoesting. Dan zijn de woorden uit Zacharia 14 van toepassing:

 

1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!  2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.  3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.  4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeen gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.  5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!   Zach 14: 1-5

 

God zorgt er Zelf voor dat de heidenen optrekken tegen Israël en Jeruzalem. De stad zal verwoest worden, de helft van de inwoners zal ‘uitgaan in de gevangenis’ (sterven en in het dodenrijk nederdalen), maar ‘een (gelovig) overblijfsel’ zal ontkomen en vluchten de woestijn in (naar Azal = Petra). Dit is heel in het kort de beschrijving van het gruwelijke lot dat deze ongelovige natie staat te wachten. Meer hierover in het artikel 'Vrede in Jeruzalem ?' en de brochure 'Wedergeboorte -  de Hoop van Israël'.  

Met dit gelovig overblijfsel zal de Heere Zelf optrekken vanuit Petra naar het verwoeste land. Zij zullen het land en de stad Jeruzalem herbouwen. Vandaar uit zal de Heere Zijn beloofde Koninkrijk vestigen op aarde. In de periode daarna zal hij de 12 stammen Israëls terugverzamelen naar het land. Hieruit zullen 144.000 vertegenwoordigers worden aangesteld , die Zijn Naam over de gehele wereld zullen prediken. Zoals Israël werd verdrukt, zal ook de gehele wereld worden verdrukt.. En zoals er alleen redding was voor een gelovig overblijfsel uit Israël, zal er ook alleen redding voor een gelovig overblijfsel uit de wereld zijn.  

Samenvattend kunnen we de werkzaamheden van de Heere Jezus Christus onderscheiden in de volgende reeks:

  • Zijn eenmalige, volbrachte werk aan het kruis voor de wereld
  • Zijn huidige werk aan gelovigen uit een volk dat geen volk is (de Gemeente)
  • Zijn werk aan gelovigen uit het volk Israël
  • Zijn werk aan gelovigen uit de volkeren in het algemeen

De laatste twee werken hebben betrekking tot de vestiging van het Koninkrijk Gods op de aarde. In dit Koninkrijk zullen de beloften, gedaan aan Israël, worden uitgewerkt . Pas dan zal Jeruzalem een wereldstad van vrede en vreugde zijn voor de gehele aarde.


Dit artikel is geschreven in de tijd dat de Heere Jezus Christus Zijn werk aan de Gemeente doet, daarom wordt dit werk in dit artikel het ‘huidige werk’ genoemd. Mocht u dit artikel lezen, nadat dit werk is voltooid en de Gemeente is opgenomen, dan leeft u in een volgende bedeling waarin God bezig zal zijn met het werk aangaande Israël of de volkeren.  

Heeft u deze dingen aangaande de staat Israël zien gebeuren, of gebeuren zij in uw dagen, weet dan, dat er ook dan verlossing is in Christus. Het principe van ‘al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden’ blijft van kracht. Het mag dan zijn dat u in een andere bedeling leeft, de weg naar onze Heere Jezus Christus blijft dezelfde weg, namelijk: door geloof wordt u een kind van God.


"Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden".   Rom 10: 11-13

 


Kies dan heden wie gij dienen zult!


 

  




Tot aan de  "Opname van de Gemeente"  kunt u uw vragen en reacties via onderstaande knop versturen :