Het
is een betreurenswaardige zaak, dat er onder oprechte christenen zoveel
verdeeldheid bestaat
over de aard en het tijdstip van de opname der gemeente. En er is niet
alleen verdeeldheid,
maar ook onzekerheid. Een veel gehoorde vraag op Bijbelstudieavonden is
dan ook:"Wat
denkt u, gaat de gemeente door de Grote Verdrukking, of wordt zij voor die
tijd opgenomen?"
Veel kinderen van God zijn onzeker geworden over de toekomst van de
gemeente,
omdat zij van hun stuk gebracht worden door de vele verschillende
leringen, die over
dit onderwerp door hun voorgangers gepredikt worden. Dat
de opname van de gemeente, zoals die beschreven wordt in 1
Thessalonicenzen 4, het einde
is van de aardse loopbaan van de gemeente, lijkt ons vanzelfsprekend, en
wordt ook vrij algemeen
aangenomen. De grote strijdvraag is echter: Wanneer vindt die opname
plaats. Nu voorziet
Gods Woord niet in een jaartal voor deze gebeurtenis, maar het geeft wel
degelijk de volgorde
aan van alle gebeurtenissen, die zich zullen afspelen rond de wederkomst
van onze Heiland.
En de Bijbel zegt zeer nadrukkelijk, dat de opname van de gemeente
bovenaan staat op
Gods agenda. Dat willen wij u aan de hand van de Schrift in het volgende
laten zien.
Daniel
9.
Voordat
wij ons direct bezighouden met het aardse eindpunt van de gemeente, moeten
wij eerst
ingaan op het ontstaan ervan. Dit is noodzakelijk, daar hierover minstens
zoveel verwarring bestaat. Vrijwel het
gehele Oude Testament handelt over Gods bemoeienissen met het
volk Israël, Gods uitverkoren volk. En daarin wordt geleerd dat eerst dit
volk Israël, als natie haar Messias zou
moeten aanvaarden, voordat Hij Zijn koninkrijk zou oprichten en uitbreiden
over de hele aarde. Nu leert Paulus in Rom. 9, 10 en 11, dat Israël haar
Messias niet heeft geaccepteerd, maar
verworpen, en dat God als gevolg daarvan Israël als volk tijdelijk
terzijde heeft gezet. In plaats van
uitsluitend aan Israël, wordt sindsdien het Evangelie ook
gepredikt aan heidenen (d.i. niet-joden). Dit wordt ons duidelijk
medegedeeld in Rom.11:11 t/m 15. De
gemeente dankt haar ontstaan dus aan de terzijde zetting van Israël. God
bouwt nu Zijn gemeente uit heidenen en
Joden, omdat Israël als volk haar Messias verwierp. God onderbrak
Zijn relatie met het door Hem uitverkoren volk,
om Zich tijdens die onderbreking een ander volk
uitte verkiezen. Zo lezen wij het ook in Handelingen 15:
 |
"Simeon
heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht om uit hen
een volk aan te nemen voor (niet:
door) Zijn Naam. En hiermede stemmen overeen de woorden
der profeten, gelijk geschreven is. (Amos
9:11,12) Na dezen zal Ik wederkeren en weder opbouwen
de tabernakel van David, die vervallen is.."
Hand.
15: 14-16
|
Er
is dus sprake van een onderbreking in de historie van Israël, waarin God
Zich een volk verzamelt
uit alle volkeren: de Gemeente, het lichaam van Christus. Deze breuk in
Israëls historie werd reeds zeer
duidelijk aangekondigd door de profeet Daniel in Hoofdstuk 9 vanaf vers
24:
 |
"Zeventig
zevens (niet:
weken) zijn
bestemd over uw volk (d.w.z. Daniëls volk: Israël), en
over uw heilige stad (Jeruzalem) om de overtreding te sluiten, en om de zonden te
verzegelen,
en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid
aan te brengen, en om het gezicht en de
profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden.
(de Messias) te zalven. "
Dan. 9:24 |
Het
is zonder meer duidelijk, dat hier de tijd gemeten wordt, die Israël nog
restte, voordat zij
als volk in haar uiteindelijke gezegende positie
geplaatst zou worden. Deze uiteindelijke positie van
Israël is "aan de spits der volkeren" onder de
heerschappij van de Messias aan het hoofd
van het Messiaanse rijk. Deze dingen zijn aan Israël beloofd. op
voorwaarde, dat zij zich zullen bekeren
tot de God, met Wie zij een verbond hadden. Het zal duidelijk zijn, dat
wanneer, de hier genoemde "zeventig
zevens" voorbij zijn, Israël zich inderdaad tot God bekeerd
heeft, aangezien, de genoemde zegeningen beslist niet eerder hun deel
kunnen worden.
Omdat
het ons te ver van ons onderwerp zou voeren, kunnen wij het hoe en waarom
van deze profetie
hier niet uitvoerig behandelen. Wel moeten wij zeggen, dat de genoemde
zeventig zevens "profetische
jaren" voorstellen van 360 dagen. Om kort te gaan: Voor Israël
restten nog 70 maal 7 = 490 jaren (van
360 dagen) tot aan hun nationale bekering en de oprichting van het aangekondigde
Messiaanse rijk. Deze 70 "zevens" worden onderverdeeld in:
| 70
zevens |
|
|
7 zevens |
62 zevens |
1 zeven |
| 49
jaar |
434
jaar |
7
jaar |
| Verleden |
Toekomst |
Dit vinden wij
vermeld in de verzen 25 en 27 van dit
hoofdstuk.
Volgens
vers 25 begonnen deze 490 jaar bij "de uitgang des woords om te doen
wederkeren (uit
de Babylonische ballingschap) en om Jeruzalem te bouwen". De enige
keer, dat er een "woord
uitging" om Jeruzalem te herbouwen was volgens Nehemia 2 in de maand
Nisan in het twintigste jaar van
Arthasasta (Artaxerxes Longimanus), ofwel op 14 Maart 445 v. Chr.
"....
tot op Messias, de Vorst zijn zeven weken en twee en zestig weken." (vs.
25). In totaal zouden
dus 7 + 62 zevens verlopen tot op "Messias de Vorst" ' Het zou
nog steeds te ver voeren om hier in
details te treden, en zonder verder bewijs moeten wij hier dan ook
stellen, dat deze uitdrukking "Messias,
de Vorst" betrekking heeft op de zgn. "Intocht in
Jeruzalem",
toen de Heiland als een Koning Jeruzalem binnenreed, op de zondag voor
Zijn lijden en sterven.
Dit gebeurde op
10 Nisan A.D. 32. Dit komt overeen met 6 April van het jaar
32 van onze jaartelling. Tussen 14 Maart 445 v. Ch. en 6 April 32
verliepen exact 173.880 dagen, hetgeen
overeenkomst met 69 maal 7 483 jaren van
360 dagen! Vers 25 van Daniël 9 is dus tot op de dag nauwkeurig vervuld!
Nu
is het merkwaardig, dat voordat de nog resterende 70ste week genoemd
wordt, eerst nog
enige andere profetieën worden gedaan, waarvan
niet gezegd wordt in welke tijd ze thuishoren. Die
resterende 70ste week wordt genoemd in vers 27, terwijl vers 26 eerst nog
deze andere profetieën bevat:
 |
"En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid
worden, . . . . en een volk van de
vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn
einde zal zijn met een
overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn en vastelijk
besloten verwoestingen. "
Dan.
9:26
|
Deze
dingen zouden dus gebeuren ná de 69 weken, maar vóór de 70ste week,
daar die pas genoemd
wordt in vers 27. Ziedaar de onderbreking in de historie van Israël! Van
de 490 jaar, die Israël nog in het
vooruitzicht waren gesteld, waren er 483 verlopen op de dag van de intocht
van de Heer Jezus in Jeruzalem. Op die dag verwierp Israël als natie haar
Messias. Op die dag riep de Heiland in
tranen uit over de stad Jeruzalem:
 |
"Och,
of gij ook (evenals
de discipelen) bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot
uw vrede dient."
Luk. 19:42 |
Deze
dag, die reeds voorspeld werd door de profeet Zacharia (9:9) was de
laatste dag van de
eerste 69 weken van Daniel. Op dit moment werd
Gods klok voor Israël stilgezet. Vanaf deze dag
was het niet meer Gods volk! Van dit
Israël, dat haar Messias verwierp zegt God:
 |
"Noem
zijn naam Lo-Ammi (
= niet mijn volk); want gij zijt Mijn volk niet!" Hos.
1:9 |
Er is dus een periode in de heilsgeschiedenis waarin God zich niet met het
volk Israël bemoeit. Echter dit is een tijdelijke periode, want
meteen na deze goddelijke uitspraak lezen wij de belofte:
 |
"En het
zal geschieden ter
plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn:
Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden:
Gij zijt kinderen des levenden Gods."
Hos. 1:10 |
God neemt de draad van Israëls
geschiedenis dus wel weer op. Hij laat niet
varen het werk Zijner handen. Maar wanneer dit gebeurt
gaat noodzakelijkerwijs Israëls klok weer lopen, en beginnen de nog
resterende zeven jaar van de totale, door
Daniël genoemde 490 jaar. Maar in die tussentijd, die zeer kort beschreven
wordt door Dan. 9:26, verzamelt God Zich uit de volkeren een volk voor
Zijn Naam: de Gemeente, het lichaam
van Christus. De Gemeente heeft haar bestaan op aarde
dus te danken aan de verwerping van Israël door God! (Rom.
11:28).
De
logische gevolg trekking uit het voorgaande is, dat de nog resterende 70ste
week van Dan. 9:27
niet kan aanvangen, voordat de Gemeente weer van het aardse toneel is
verdwenen. Israëls klok stopte bij de
intocht in Jeruzalem, en nog geen twee maanden later werd een daadwerkelijk
begin gemaakt met de bouw van de Gemeente, zoals vernield in Hand. 2.
Het
ligt dus voor de hand, dat voordat Israëls
tijdrekening weer begint en de 70ste week aanvangt, de gemeente zal zijn weggenomen van de aarde, en degenen die in
Christus ontslapen zijn, zullen
zijn opgestaan uit (van tussen) de doden (d.i.
met achterlating van de overige doden). 1
Thess. 4:13 t/m 18.
Dat
deze gevolgtrekking juist is, vinden wij bevestigd in het schriftgedeelte,
dat wij hierna zullen
onderzoeken.
Romeinen
11
Zoals
wij reeds opgemerkt hebben, zet de apostel Paulus in Rom. 9, 10 en 11
uiteen, dat de zaligheid
nu aan de heidenen (d.i. de volkeren) gepredikt wordt, vanwege de ongehoorzaamheid
van Israël. Dit zijn ook de laatste woorden van deze apostel, die wij in
de Bijbel vinden opgetekend:
 |
"Het
zij u (gericht tot Joden!) dan bekend, dat de zaligheid Gods
de heidenen gezonden is, en dezelve zullen
horen." Hand. 28:28
|
Over
deze waarheid schrijft Paulus in Rom. 11:11: ". . . maar door hun
val is de zaligheid
den heidenen geworden".
"En
op grond hiervan stelt Paulus de volgende vraag (vs. 15): "Want
indien hun verwerping
de verzoening is der wereld, wat zal de
aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?"
Dit
vers behoeft enige toelichting, omdat ons in de praktijk gebleken is, dat
hier gewoonlijk iets
anders wordt gelezen dan er staat. In de eerste
plaats moet het duidelijk zijn, dat Paulus spreekt
over "hun verwerping" en beslist niet over "Zijn verwerping".
Paulus zegt hier dus niet, dat Zijn verwerping
de verzoening is der wereld, maar de dat verwerping van Israël dat
is.
Hierbij
moeten wij tevens opmerken,..dat de verwerping van de Messias iets anders
is dan de kruisiging
van de Messias. zoals wij gezien hebben vond de verwerping van de Messias
plaats op de zondag vòòr Zijn
kruisiging. Maar geen van deze beide gebeurtenissen wordt in dit vers
genoemd.
Niet: Zijn kruisiging, niet Zijn
verwerping, maar hun verwerping. Zijn
verwerping werd uitgevoerd door Israël
als natie, als gevolg waarvan hun verwerping (terzijdezetting)
werd uitgevoerd door God.
Op
de laat dag van de eerste 69 "jaarweken" van Daniël zette God
Zijn volk terzijde, en
sindsdien begon de zaligheid tevens gepredikt te
worden aan hen,die "vreemd waren van het burgerschap
Israëls.." (Efeze. 2:11 e.v.).
Het
eerste deel van Rom. 11: 15 moet nu volledig duidelijk zijn: De verwerping
van Israël
(door God) is de verzoening der wereld. Dit is
geen verklaring of interpretatie van dit vers, maar
taalkundig de enige betekenis, die aan deze woorden kan worden
toegeschreven. Bovendien is het de inhoud
van de voorgaande verzen! Nu komen wij
bij, het tweede deel van dit vers: ".... wat zal de aanneming
wezen, anders dan het leven uit de
doden?" Het
hier genoemde "de aanneming" is duidelijk het tegenovergestelde
van "hun verwerping". "Hun
verwerping" was de verwerping van Israël door God, en daarom
is "de aanneming" eveneens de
aanneming van Israël door God.
Het
is niet moeilijk om in te zien, dat dit laatste iets anders is dan de
aanneming van God door
Israël.
Beide zullen gebeuren: God zal Israël aannemen en Israël zal God
aannemen, maar tussen deze gebeurtenissen
ligt een periode van 7 jaar, de resterende 70ste week van Daniël 9!
Anders gezegd: Israël werd door God verworpen,
terzijdegezet, op de laatste dag van de 69 weken
van Daniël, en wanneer God Israël weer aanneemt, begint de 70ste week,
de laatste 7jaar, die Israël nog door
God gesteld zijn, vóórdat het Messiaanse rijk voor Israël aanbreekt,
door de komst van de Messias (Dan. 9:24).
En
nu vraagt Paulus ons hier in Rom. 11:15, wat die aanneming van Israël
door God, het begin
van de 70ste week, anders kan inhouden dan "het
leven uit de doden". Deze retorische vraag
kunnen wij pas beantwoorden en begrijpen, wanneer wij eerst antwoord
kunnen geven op de vraag, die de
discipelen onder elkaar stelden: "Wat is opstanding uit de
doden?" (Mark. 9:10). Deze vraag
is bepaald niet zo dom als hij er uit ziet!
De
discipelen waren beslist vertrouwd met de leer, dat de doden uit de dood
zouden opstaan.
Zo zegt ook Martha tegen de Heer Jezus: "Ik
weet, dat hij (haar gestorven broer Lazarus) opstaan
zal in de opstanding ten laatsten dage" (Joh.
11:24).
Maar de discipelen stelden deze vraag, omdat de Heiland niet gesproken had
over de opstanding uit de dood (een
"ding"), maar over opstanding uit de doden ("personen").
(Mark. 9:9 en 10). De Heer kondigde aan,
dat hij zou opstaan tussen de overige doden uit! ... En dat was
iets nieuws!
"Opstanding der doden" heeft betrekking op
alle doden, terwijl "opstanding uit
de doden" betrekking heeft op een gedeelte der doden!
Uit het Oude Testament was aan de dicipelen bekend, dat alle doden
zouden opstaan. Dat dit zou plaats vinden
in verschillende fasen hadden zij echter nog niet geleerd maar wordt later
door Paulus verklaard in 1 Kor.15. Daar geeft
hij in vers 23 en 24 de volgorde van die verschillende
fasen:
"Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van
de Christus zijn in Zijn toekomst (niet
"van Christus" maar "van de Christus"). Daarna
zal het einde zijn" (van de
opstanding uiteraard.). De opstanding der doden vindt dus plaats in drie
fasen:
| 1 |
de eersteling Christus
|
daarna
|
| 2 |
die van de Christus zijn
|
en vervolgens
|
| 3 |
het einde (Jongste Dag) |
de overige doden werden niet wederlevend
totdat de
duizend jaren
geëindigd waren.
Op. 20:5 |
De
eerste fase, de opstanding van Christus, heeft reeds plaats gehad. De
laatste fase is geen
opstanding uit de doden, omdat die
betrekking heeft op "de overige doden" zodat er geen
doden achterblijven. Wanneer Paulus in Rom.
11:15 dus spreekt over "leven uit de doden", moet
dat betrekking hebben op de tweede fase, nl. de opstanding van hen, "die
van de Christus zijn. . "
En
deze omschrijving past alleen op de gemeente! De gemeente is immers:
"in
Christus gedoopt" (niet:
in water, maar: in Christus. Rom. 6:3), "met Hem één plant
geworden" (Rom.
6:5). Bovendien is de gemeente het lichaam van Christus. (Ef. 4:15,16;
5:30, 32; Kol. 1:24; Rom. 12:5).
Het
"leven uit de doden'' (van tussen de doden uit) is dus de
uitdrukking voor de opstanding
van de Heer Jezus Zelf, maar ook voor de
opstanding van de gemeente. En tezamen met de opstanding
van de ontslapen leden der gemeente zullen de nog levende gemeenteleden
veranderd worden, om vervolgens de Heer tegemoet
te gaan in de lucht (1 Kor. 1 5 v.a vs. 51 en
1 Thess. 4
v.a. vs. 13).
Dit
is wat wij noemen: de opname der gemeente.
En
dan nu weer terug naar Rom. 11:15. Wat Paulus daar in vragende vorm zegt
is dus dit: De terzijdezetting
van Israël had het ontstaan van de gemeente tot gevolg. De aanneming van
Israël heeft dus tot gevolg de wegneming
van de gemeente! Met andere woorden: De
70ste week van Daniël werd uitgesteld om eerst de gemeente te bouwen.
Wanneer de 70ste week alsnog aanvangt, moet de gemeente dus compleet en
van de aarde weggevoerd zijn. Dit is precies de conclusie, waartoe wij kwamen na bestudering van de
profetie van Daniël 9 over de 70 weken.
En Paulus vindt dat zo voor de hand liggend, dat hij ons vraagt of er soms
een andere gevolgtrekking gemaakt kan worden!
Ons antwoord is vanzelfsprekend: Natuurlijk niet!
De aanneming van Israël is niets anders dan het leven uit de doden -de
opname van de gemeente.
Op
dit punt van onze studie staat dus zonder meer vast, dat de gemeente zal
worden opgenomen
vóór de 70ste week van Daniel aanvangt. Wanneer
we nu een antwoord willen geven op de vraag: "Gaat de gemeente door
de grote verdrukking", dan is het
noodzakelijk om te weten, wanneer deze verdrukking dan plaats zal hebben.
Dit zullen wij dus nu onderzoeken!
De
grote verdrukking.
In
Matt. 24:15 spreekt de Heiland Zelf deze woorden:"Wanneer gij dan
zult zien de gruwel der
verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel,
de profeet Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden
op de bergen (vs. 21) Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige
niet is geweest van het begin
der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal". De Heer Zelf zegt ons
dus, dat de Grote Verdrukking begint
wanneer de "gruwel der verwoesting"gesteld zal worden. Wat dit
precies betekent laten wij hier buiten
beschouwing, omdat het niets heeft te maken met ons onderwerp. Wat
hier van belang is, is dit: Wanneer gebeurt dit? Het antwoord vinden we in
Dan. 9:27, de tekst waarheen de Heer Zelf
verwijst. En daar wordt ons verteld, dat deze gruwel der verwoesting
plaats grijpt in het midden van de nog toekomstige 70ste week van Daniël.
Volgens vers 24 van Dan. 9 zal Israël zich aan
het eind van deze 70ste week bekeerd hebben, en
de wederkomst van Christus plaats hebben, zodat de Grote Verdrukking voor
Israël ("de tijd van benauwdheid
voor Jakob" (Jer. 30:7) zich afspeelt gedurende de tweede helft van
die week oftewel 3½ jaar (van 360 dagen)
(Dan. 12:7; Op. 12:4), of 42 maanden (Openb. 13:5), of
1260 dagen (Openb. 12:6). Aangezien de opname van de gemeente plaats moet
vinden vóór de 70ste week, en de Grote
Verdrukking begint in het midden der week, verloopt er tussen
de opname en de Groté Verdrukking om periode van minimaal 3½ jaar,
zijnde de eerste helft van de 70ste
jaarweek van Daniël. Hiermee is onze
vraag negatief beantwoord: De gemeente gaat niet door de grote
verdrukking, maar wordt ten laatste 3½
jaar voor die Verdrukking opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht.
Het
overblijfsel
Aan
de andere kant leert de Bijbel echter, dat er tijdens de grote verdrukking
wel degelijk gelovigen
op aarde zullen zijn. Deze gelovigen zijn onder meer het gevolg van de
prediking van de twee getuigen, die
zullen optreden tijdens de eerste helft van de 70ste week. Dat zij dat
inderdaad doen tijdens de eerste helft van die
week, zullen wij nu aantonen aan de hand van Openb.
11. Volgens vers 3 van dat hoofdstuk zullen zij 1260 dagen lang
profeteren, waarna zij gedood zullen
worden, (vs. 7) en hun lichamen gedurende 3½ dag zullen liggen op de
straat in Jeruzalem (vs. 8). Daarna
zullen zij opstaan en ten hemel varen, gepaard gaande met een aardbeving
en de dood van 7000 mensen (11 t/m 13).
Vervolgens wordt een volgend "wee" aangekondigd (vs. 14),
d.w.z. de verdrukking is nog niet ten einde.
Indien
de 1260 dagen van het profeteren der twee getuigen identiek zouden zijn
aan de tweede helft
van de 70ste week, zou de dood en opstanding van deze getuigen en ook de
erop volgende aardbeving plaats vinden ná
de 70ste week. Maar na de 70ste week is volgens Daniël
9:24 de bekering van Israel en de wederkomst van Christus een feit. Uit de
gebeurtenissen, die hier in Openbaring 11
beschreven worden, blijkt echter duidelijk, dat dit nog
niet het geval is. Wij moeten dus concluderen, dat deze getuigen niet
optreden tijdens de tweede helft van de
week, ofwel de Grote Verdrukking, maar tijdens de eerste helft van die
week. Deze periode duurt eveneens 1260 dagen en
ligt tussen de Opname van de gemeente en de
Grote Verdrukking. Het blijkt dus, dat deze twee getuigen de lege plaats
van de gemeente innemen, en dat er door
hun werk weer gelovigen op aarde zullen zijn bij de aanvang van de grote
verdrukking. En over deze gelovigen spreekt uiteraard het volgende
hoofdstuk van Openbaring.
In
Openb. 12:6 en 14 wordt ons geleerd, dat zij tijdens de verdrukking wel op
aarde zullen verblijven,
maar buiten de invloed van die verdrukking bewaard zullen worden. Deze
gelovigen zullen gelovigen uit de Joden zijn, doordat de twee getuigen in
Jeruzalem opereren. Dit blijkt ook uit
Openb. 12:6 en 14, waar gesproken wordt over "de vrouw" en "de
overigen van
haar zaad" ("overblijfsel"). De vrouw in de Bijbel is
altijd Israël, zoals hier ook blijkt uit
Openb. 12:1 "......bekleed met de zon. . . de maan... twaalf
sterren." Jakob en zijn zonen
hadden niet de minste moeite met de verklaring van deze symbolen, en wij
dus ook niet. (Zie Gen. 37:9, 10).
Er
is dus een "overblijfsel" uit Israël, een gelovig
overblijfsel, dat tijdens de grote verdrukking
op aarde, in de woestijn, bewaard wordt voor die
verdrukking. Dit overblijfsel heeft echter absoluut
niets te maken met de gemeente, het lichaam van Christus. Dat
er de eeuwen door een gelovig overblijfsel uit Israël bestaan heeft en
ook zal bestaan, wordt door Paulus
onderwezen in Rom. 11: 1 t/m 5, en in het Oude Testament bevestigd in
o.a. Gen. 45:7. Dit vers heeft samen met de
gehele geschiedenis van Jozef en zijn broers, profetisch
direct betrekking op het gelovig overblijfsel uit Israël, dat door Gods
genade (Rom. 11:5, 6) tijdens de Grote
Verdrukking bewaard zal worden. Zie verder voor de betekenis van "overblijfsel"
o.a.: Ezra 9:14, 15; Ps. 76:8 t/m 1 l; Jes. 1:9; Jes.
10:20-23; (aangehaald in Rom. 9:2); Jes. 11:11, 16; Jes. 37:4; Jer. 15:1
l; Jer. 23:3; Jer. 42:2, 3; Ez. 5:10; Ez.
6:8; Zach. 8:6 e.v.
Indien
u de moeite neemt om deze Schriftplaatsen na te zoeken, zult u zien, dat
er door de Verdrukking
heen een overblijfsel uit Israël behouden wordt, en terugvergaderd zal
worden naar Palestina. Dit overblijfsel
is uiteraard een gelovig overblijfsel, omdat de Grote Verdrukking
eindigt met de bekering van geheel Israël. Dan. 9:24, Rom. 11:26.
Bij
de aanvang van de grote verdrukking, wanneer de twee getuigen gedood
zullen worden, en
"de gruwel der verwoesting" zal
worden gesteld, zullen de gelovigen dus kunnen vluchten naar
de woestijn, om daar door God bewaard te worden totdat de verdrukking
voorbij is. Dit is de feitelijke inhoud
van Openbaring 12 (zie vers 6 en 14) en van de woorden van de Heiland
Zelf in Matt. 24: 15t/m 21.
Er
worden in de Bijbel dus twee verschillende groepen van gelovigen genoemd,
die bewaard zullen
worden voor de verdrukking. Deze zijn:
| 1 |
De gemeente
het lichaam van Christus, die ruim
vóór de verdrukking
van de aarde
zal worden weggerukt.
|
| 2 |
Het gelovig overblijfsel uit Israël,dat door God zal worden
geleid
naar de woestijn,
waar het bewaard en gevoed zal
worden door
God Zelf, "buiten het gezicht van de slang"
|
Wanneer
wij de twee bovengenoemde groepen voldoende door elkaar gooien, kunnen de
volgende, ook inderdaad gepredikte, theorieën
ontstaan:
1. De gemeente ondergaat de Grote Verdrukking.
2.
De gemeente gaat door de Grote Verdrukking, maar wordt bewaard.
3.
De gemeente wordt halverwege de Verdrukking opgenomen.
4.
De elite uit de gemeente wordt opgenomen, de rest gaat door de Grote
Verdrukking.
De eerste hierboven genoemde opvatting hebben wij vanuit Gods Woord reeds
voldoende weerlegd,
en wij zullen dat hierna nog uitgebreider doen. De
tweede opvatting, als zou de gemeente door de Verdrukking moeten, maar
bewaard worden is onjuist, omdat zij
beslist niet van toepassing is op de gemeente, maar op het "gelovig
overblijfsel" uit Israël. Dit hebben wij
hierboven ook reeds behandeld. De derde
opvatting, dat de gemeente ergens halverwege de Verdrukking wordt
opgenomen, is onjuist omdat zij een
combinatie is van de mening, dat de grote verdrukking de gehele 70ste
week beslaat, en de Bijbelse leer, dat het
gelovig overblijfsel uit Israël bij de aanvang van de tweede
helft der week voor de slang zal vluchten naar de woestijn. In verband
hiermee hebben wij er reeds op gewezen,
dat de Verdrukking pas begint in het midden der week, en dat het gelovig
overblijfsel niet hetzelfde is als het lichaam van Christus de gemeente.
Ook hierover behoeven wij dus niets meer
te zeggen. De vierde opvatting, dat slechts de elite uit de gemeente,
de meest heilige heiligen dus, worden opgenomen (dat zijn dan gewoonlijk
degenen, die deze theorie verdedigen), is
tegenwoordig erg populair geworden, door iemand, die zich "een
profeet, door God gezonden" liet noemen, en deze leer verkondigde als
iets nieuws, dat speciaal aan hem
geopenbaard was.Om deze reden, zuilen wij deze theorie later apart
bezien.. Wat mensen zeggen, kan heel interessant zijn, wat Gods Woord zegt is vele malen
belangrijker
en interessanter.
1
Thessalonicensen 5.
We
willen nu de overige Schriftplaatsen onderzoeken, die betrekking hebben op
de toekomst van
de gemeente, het lichaam van Christus. Om niet het risico te lopen, de
gemeente te verwarren met het
"gelovig overblijfsel" uit Israel, zoeken wij eerst op die
plaatsen in de Bijbel, waar wij
mededelingen over de toekomst der gemeente mogen verwachten.
Nu weten wij,
dat het de apostel Paulus was, die
specifiek gemeentelijke waarheden bekend maakte in zijn Brieven
aan precies zeven gemeenten. In zijn
brieven aan de gemeenten te Rome, Korinthe en Galatië wordt uiteengezet
hoe, en op basis waarvan de gemeente
ontstaan is. Zij handelen dus over de oorsprong van de gemeente. In
zijn brieven aan de gemeenten te Efeze, Filippi en Kolosse wordt
uiteengezet, wat de aard en het kenmerk
van de gemeente is: het lichaam van Christus.
In zijn Brieven aan
de gemeenten te Thessalonika wordt de
toekomst van de gemeente uiteen gezet. Deze brieven staan
in onze Bijbel dus op chronologische volgorde met betrekking tot de
inhoud, niet met betrekking tot het
tijdstip van oorsprong. Het zal dus duidelijk zijn, dat wij de meeste
informatie over de opname kunnen putten uit de
Brieven van Paulus aan de Thessalonicensen, en
wij vinden dan ook in 1 Thess. 4 vanaf vers 13 een nauwkeurige
beschrijving van de opname als zodanig.
Betreffende
het tijdstip van de opname vinden wij geen bijzonderheden in dit
hoofdstuk, maar
wel in het volgende hoofdstuk 5. De laatste
verzen van 1 Thess. 4 spreken direct en onomwonden
over de opname van de gemeente, en hoofdstuk 5 begint met het woordje
"maar".
Dit woordje "maar" geeft altijd een tegenstelling aan, en
doet dat ook hier. "Maar van
de tijden en gelegenheden broeders, hebt gij niet van node, dat men u
schrijve. "
Paulus
schrijft hen nog wel over de opname in zijn tweede Brief (2 Thess. 2),
maar over "de
tijden en gelegenheden," wat
vanwege het woordje "maar" iets anders is dan de opname, behoefden
zij niet nader geïnformeerd te worden. Alle andere zaken betreffende de
wederkomst van Christus waren inmiddels al
geopenbaard in de profetische boeken van het Oude
Testament en in b.v. Matt. 24 en 25.
Deze dingen waren reeds bekend, of konden bekend
zijn. Dat zegt Paulus dan ook in vers 2: "Want gij weet zelf zeer
wel, dat de dag des Heeren alzo
zal komen gelijk een dief in de nacht." Wanneer
komt die "de dag des Heeren"
dan? Dit konden de Thessalonicensen,
en kunnen ook wij weten uit Joël 2:30-32.
Daar
lezen wij:
 |
"En
ik (Jehovah) zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed en
vuur en rookpilaren.
De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, eer dat die
grote en vreselijke dag des Heeren komt. En
het zal geschieden, al wie de Naam des Heeren
zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg Sions en te Jeruzalem
zal ontkoming zijn, gelijk als de
Heere gezegd heeft, en dat, bij de overgeblevenen (overblijfsel!),
die de Heere zal roepen." Joël 2:30-32.
|
De
"dag des Heeren" begint dus na de verduistering van de
zon en de verandering in bloed
van de maan. En wanneer dat gebeurt vinden wij
door de Heiland Zelf vermeld in Matt. 24:29:
 |
"En
terstond na de verdrukking dier dagen (de dagen, die volgens vers 15
voorzien waren
door Daniël, de Grote Verdrukking" dus) zal de zon verduisterd
worden, en de maan zal haar
schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen, en de
krachten der hemelen zullen bewogen worden.
En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken
van de Zoon des Mensen....", Matt.
24:29 |
Volgens
Joël 2 begint de "dag des Heeren" dus na de verduistering van
de zon en de maan, en
volgens Matth. 24 gebeurt die verduistering
onmiddellijk ná de grote verdrukking, dus ook onmiddellijk
ná de 70ste week van Daniël. Op dat
moment zijn volgens Dan. 9:24 wat Israël betreft (70 weken zijn
bestemd over uw volk)
de overtredingen gesloten, de zonden verzegeld, de ongerechtigheid
verzoend, een eeuwige gerechtigheid
aangebracht en de Messias gezalfd! Dit
komt overeen met Joël 2:32, waar gezegd wordt, dat er op datzelfde moment
ontkoming zal zijn op de berg Sions en te
Jeruzalem. (Niet in Sion maar op de berg van Sion, de Olijfberg,
en tevens te Jeruzalem). Dit komt weer overeen met Zach. 14:4, waar staat,
dat ná grote verdrukking voor Israël (Zach. 13 en 14 t/m vers 2) de Heere zal uittrekken, en Zijn voeten
zullen staan op de Olijfberg, en dat er een vluchtmogelijkheid ontstaan
zal voor de gelovigen te Jeruzalem. Er is
dan dus inderdaad ontkoming op de berg Sions, waar de Messias op
dat moment is wedergekomen voor Zijn volk, en er is ontkoming te
Jeruzalem, doordat er een vluchtweg
ontstaan is dwars door de gespleten Olijfberg!
Wanneer
wij nu weer terugbladeren naar Matt. 24, zien wij dat in vers 29 en 30
inderdaad sprake
is van de wederkomst van Christus voor Zijn volk Israël, en volgens vers
31 wordt er dan ook meteen een begin
gemaakt met de hervergadering van het overblijfsel van Israël, dus
van diegenen, die afstammen van één van de 12
stammen Israël, en de verdrukking, die op dat moment
voor Israël ten einde is, hebben overleefd. De verduistering van de zon
en de verandering van de maan in bloed vinden wij weer vermeld in
Openb. 6:12, bij de opening van het zesde zegel. Vervolgens zien de
koningen der aarde Wie er op de troon zit
(vs. 16), en wordt vermeld, dat de dag Zijns toorns is gekomen.
Deze
"dag Zijns toorns" begint
samen met de "dag des Heeren" dus direct ná het einde van de
grote verdrukking in de tweede helft van Daniëls
70ste week. Het einde van die week wordt aangegeven
door de verduistering van de zon, en de verandering van de maan in bloed,
zodat die ook haar schijnsel niet geeft.
Dit is het beginpunt van zowel de dag des Heeren als de dag Zijns toorns. En dan meteen in Openb. 7 vinden wij de verzegeling van de
144.000 getuigen uit alle
twaalf stammen Israëls. Dat is op dat moment mogelijk, omdat dan tevens
alles wat van Israël is overgebleven
wordt terugverzameld naar het beloofde land, inclusief de zgn. verloren
10 stammen. Deze 144.000 zullen het Evangelie
van het koninkrijk weer prediken over de gehele
aarde, in overeenstemming met Matt. 24:13 en 14, "en dan zal het
einde komen" (vs.14). Niet de wederkomst komt dan - die is al geweest
- maar het einde. Het einde van alle menselijke
heerschappij en heerschappij van Satan, die "de God dezer eeuw"
is, maar in die eeuw gebonden zal worden voor een periode van 1000 jaar
(Openb. 20).
De
dag Zijns toorns begint dus direct na de Grote Verdrukking, bij
de wederkomst van
Christus op de Olijfberg, en duurt totdat die
toorn ophoudt en Zijn laatste vijand zal gezet zijn tot
een voetbank Zijner voeten. Eerst dan begint het Millennium, het zgn. 1000-jarig rijk. In deze tijd
zal plaats vinden: de terugvergadering van Israël (alle 12 stammen);
de verzegeling van, en de verkondiging
door de 144.000 getuigen uit die 12 stammen, in deze tijd vindt plaats
het eindoordeel over de volkeren der aarde,
samengevat onder de naam "Armageddon", en waarvan
de laatste fase beschreven wordt in Matt. 25:31 t/m 46. En op deze tijd
heeft blijkbaar ook Matt. 24:36 t/m
hoofdstuk 25 betrekking .
Dit
alles gebeurt dus ná de 70ste week.
De
dag des Heeren vangt eveneens aan direct na de grote verdrukking, maar
loopt door
tot aan de komst van de nieuwe schepping: de nieuwe hemel en de nieuwe
aarde. Dit blijkt uit de diverse
Schriftgedeelten in het Oude Testament, waar deze dag des Heeren wordt
genoemd. Deze dag des Heeren begint dus
onmiddellijk ná de 70ste week en omvat het 1000-jarig
rijk en de korte periode daarna. In
verband met het boek Openbaring wijzen wij er volledigheidshalve nog op,
dat de meeste gebeurtenissen die daarin
vermeld staan, niet zullen plaats vinden tijdens de 70ste week, daar
die al verlopen is bij de opening van het zesde
zegel in hoofdstuk 6, maar in de daarop volgende
"dag Zijns toorns" (Op. 6:17).
Al deze "tijden en gelegenheden" verdienen beslist een
uitgebreider bespreking,doch hebben te weinig
met ons onderwerp te maken om een bespreking op deze bladzijden te
rechtvaardigen.
Ook
volgens Paulus in 1 Thess. 5 hebben deze dingen niets te maken met de
opname van de gemeente.
 |
"Maar
van
de tijden en gelegenheden broeders, hebt gij niet van node, dat men u
schrijve. Want gij weet zelf zeer wel (zij
wel, maar wij?) dat de dag des Heeren alzo zal komen,
gelijk een dief in de nacht " 1
Thess. 5:1-2 |
" Als een dief in de nacht
komt de dag des Heeren, en ook de Heer Zelf. (Matt. 24:43, 44; Luk.
12:39; Op. 3:3 en 16:15) Dat dit gelijktijdig
gebeurt, hebben wij hierboven reeds gezien, en behoeft
hier dus verder geen betoog.
 |
"Want
wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar dan zal
een haastig
verderf hun overkomen." 1
Thess. 5:3
|
Niet
gij, niet wij,
maar zij, zij die dan leven zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar.
Natuurlijk zullen wij dat niet zeggen. Ten
eerste zijn wij dan reeds opgenomen en ten tweede weten
wij uit Gods Woord, dat het niet zonder gevaar is! En
wanneer zullen zij dat zeggen? Ongetwijfeld wordt hier gedoeld op het
verbond, dat een ongelovige,
antichristelijke staat Israël zal sluiten met de "Vorst van een
volk" wat komen zal om Jeruzalem
te verwoesten en Israël te verstrooien onder alle volkeren (Dan. 9:26 en
27). Dat verbond zal Israël aangaan met
de heerser van de "tienstaten-bond van Dan. 2 en Openb.17
***
Dit
verbond wordt gesloten bij de aanvang van de 70ste week (Dan. 9:27), en is
politiek gezien
inderdaad een goede basis voor de vrede in Israël. Israël heeft dan
immers een machtige bondgenoot (Jes.
28:14, 15, e.v.). Zoals we gezien hebben, is dit de tijd dat de twee
getuigen optreden, en we kunnen ons zeer
goed voorstellen, hoe het volk geïrriteerd raakt door de aankondiging
van dood en verderf. Maar zodra zij zich van deze getuigen ontdaan menen
te hebben, zal het verbond verbroken
worden (in het midden der week dus) en de "gruwel der verwoesting
gesteld worden". Inderdaad zal
dan "een haastig verderf hen overkomen".
U
ziet: niet alleen de Thessalonicensen, maar ook wij konden op de hoogte
zijn van deze gebeurtenissen!
Wanneer dat haastig verderf hun overkomt in het
midden van de 70ste week, begint de Grote Verdrukking.
En terstond na die verdrukking zal de zon verduisterd worden, en de maan
zal haar schijnsel niet geven, maar
veranderd worden in bloed, en zal de dag des Heeren een aanvang
nemen. (Matt.
24:29).
Hier
in 1 Thess. 5:2
zegt Paulus echter, dat die dag des Heeren komt in de nacht, de nacht van
de verdrukking, wanneer zon en maan verduisterd
worden, maar in vers 4 luidt het:
 |
"Maar
gij broeders zijt niet in duisternis.. gij zijt allen zonen des lichts (
niet- kinderen,
maar, zonen), en zonen des' daags, wij zijn niet des nachts, noch der
duisternis."
1 Thess. 5:3 |
In die nacht en in
die duisternis zijn wij er niet. Wij verwachten dus niet de wederkomst des
Heeren of de dag des Heeren, die bij die
gebeurtenis aanvangt_ Deze dingen komen als een dief
in de nacht.
Wij leven niet in die nacht, maar in de dag der genade.
En Paulus zegt in Rom. 13:13: "Laat ons
als in de dag eerlijk wandelen". Er
is volop licht, waar we gebruik van kunnen maken
als we onze ogen open doen. "Wij hebben het licht van het
profetisch woord, dat zeer vast is
en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt" '
En in dat licht kunnen wij weten, dat wij
niet uit moeten zien naar de wederkomst van Christus, niet uit moeten zien
naar de dag des Heeren of de dag Zijns
toorns.
"Want
Hij heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der
zaligheid.... opdat
wij.... te zamen met Hem leven zouden." (1
Thess. 5:9 en 10). Wij moeten dus uitzien naar
het in het voorgaande hoofdstuk besproken gebeuren (1 Thess. 4): de opname
van de gemeente, de Heer tegemoet in de
lucht, om voor altijd met de Heer te wezen.
Wij
zijn zonen des lichts en des daags, en als zodanig verdwijnen wij van het
aardse toneel, voor
de nacht valt.
"Zo
dan, vertroost elkander met deze woorden." (1 Thess. 4:18). Met welke
woorden zouden wij
dan anders kunnen doen?
2 Thessalonicensen 2.
We
wenden ons nu tot de tweede Brief van Paulus aan de gemeente te
Thessalonica. Daar
behandelt Paulus weer enige zaken met de
betrekking tot de wederkomst van Christus. We hebben
reeds gezien in 1 Thess. 5, dat Paulus het niet nodig vond, dat de
Thessalonicensen nader werden ingelicht
over de "tijden en gelegenheden". (5:1 en 2) Alleen achtte hij
het noodzakelijk om nader in te gaan op
de toekomst van de gemeente: de opname, die hij ziet als een
gebeurtenis, die niets met die tijden en gelegenheden van doen heeft.
Alles wat hij schrijft in het tweede
hoofdstuk van zijn tweede brief, staat dan ook in betrekking tot de opname
van de gemeente, of zijn woorden "gij
hebt niet van node dat men u schrijve., " waren niet door God
geïnspireerd, en zijn dus voor verbetering vatbaar! Dit laatste kunnen
wij natuurlijk onmogelijk aannemen, en
daarom moet 2 Thess. 2 in de eerste plaats handelen over de opname
van de gemeente. Zelfs zonder het hoofdstuk te lezen kunnen wij dus al
concluderen wat het onderwerp ervan is!
 |
"En wij bidden u broeders, door de toekomst van onze Heer Jezus
Christus, en
onze toevergadering tot Hem...."
2
Thess. 2:1
|
Eerst
moeten wij helaas de vertaling van dit vers corrigeren en toelichten. Het
woordje "door"
is een tamelijk incorrecte vertaling van het
griekse "huper", dat vertaald dient te worden als:
"In verband met".
Het woord "toekomst" is de vertaling van het Griekse "Parousia",
dat "aanwezigheid" betekent,
en in de Bijbel gebruikt wordt voor de gehele reeks van gebeurtenissen
rondom de wederkomst, vanaf de opname der gemeente tot en met het "duizendjarig
rijk".
Paulus
zegt dus, dat hij het wil hebben over de komst van Christus, inclusief
Zijn komst in de
lucht tot Zijn gemeente, en over onze komst Hem
tegemoet in de lucht. En dat is precies, wat wij
al konden weten, voordat wij dit hoofdstuk begonnen te lezen! Zo logisch
en harmonieus is het Woord van God
opgebouwd!
 |
"Dat gij niet haastelijk bewogen
wordt......... alsof de dag des
Heeren (niet: dag van
Christus) aanstaande ware." 2
Thess. 2:1
|
Kennelijk was Paulus voor de Thessalonicensen nog niet duidelijk
genoeg geweest in Zijn eerste Brief, en
blijkbaar is hij ook in deze tweede brief nog niet duidelijk genoeg voor
velen van onze tijdgenoten. Reeds
in 1 Thess. 5
leert hij, dat de dag des Heeren komt als een dief in
de nacht, en ons niet kan overvallen, omdat wij
zonen des daags en des lichts zijn, en wij met Christus
zullen leven (vs. 9 en 10). Maar omdat er blijkbaar enigen waren, die zich
lieten verleiden door valse brieven, zet Paulus hier in 2 Thess. 2 nog verder
uiteen, wat er aan die "dag des
Heeren" vooraf moet gaan.
 |
"Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want dit (de
dag des Heeren uit vers 2
dus) komt niet, tenzij dat eerst de afval
gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde
(letterlijk: de mens der
wetteloosheid), de zoon des verderfs. "
2
Thess. 2:3
|
Voordat de dag des
Heeren komt, moet er eerst een afval komen.
Letterlijk is er sprake van "wegvallen". Sommigen
zien dit woord dan ook als een aanduiding van de opname der gemeente.
Nu
kan het "de Heer tegemoet gaan in de
lucht" moeilijk een vallen genoemd worden. De opname gaat naar
boven, en dat is niet de gebruikelijke richting voor iets dat valt. Dit
woord "afval" of "weg
vallen" komt in de Bijbel alleen
nog voor in Hand. 21:21, waar gesproken wordt over het
afvallen van de leer van Mozes. Het is dus een "ontrouw worden aan",
en zo dient het ook hier opgevat te
worden. Vóór de dag des Heeren komt er eerst een periode van afval, van
ontkerstening (ont-christen-ing). Dit proces is
ongetwijfeld in onze dagen in volle gang. De groep
mensen, die zich werkelijk "Christen" mag noernen, omdat
ze "in Christus" is, wordt steeds
kleiner. Dit is dus in overeenstemming met Gods Woord (niet met Gods wil!)
In de laatste dagen van de gemeente op aarde is
er geen opwekking te verwachten, maar een
afval! Een opwekking komt er wel in
de laatste dagen voor het Millennium aanbreekt, door
de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk over de hele aarde.
Deze verkondiging is de taak van de reeds
genoemde 144.000 verzegelden uit de twaalf stammen Israëls.
Maar de laatste dagen van de gemeente zijn samengevat in 1 Tim. 4:1
 |
"...
de Geest zegt duidelijk dat
in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen
der demonen." 1 Tim. 4:1 |
Let wel: De
geesten begeven zich niet tot de
gelovigen, maar de gelovigen begeven zich tot de geesten en demonen, om
van hen onderwezen te worden! En ook dit
is tegenwoordig duidelijk waar te nemen! Voor
de gemeente als geheel geldt het advies van 1 Tim. 6:20 en 21:
 |
"Bewaar het pand u toebetrouwd,
een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel roepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde
wetenschap; dewelke sommigen voorgevende, zijn
van het geloof afgeweken.." 1
Tim. 6:20-21 |
Gods
Woord is wel erg up-to-date! Behalve
de afval moet vóór
de aanvang van de dag des Heeren ook nog de volgende figuur geopenbaard worden: de
......
 |
"mens
der wetteloosheid, de zoon des
verderfs die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd,
of als God geëerd wordt, alzo, dat hij in de tempel Gods als een God zal
zitten, zichzelf vertonende dat hij God
is." 2 Thess.
2:3- 4. |
Wie deze figuur
is, is aan geen twijfel onderhevig. Deze
mens der wetteloosheid, die zich in de tempel als god zal laten aanbidden
en zich "Verheft boven al wat God genaamd, of als god geëerd
wordt" is niemand minder dan de "vorst"
over de door Daniël en Johannes (Openbaring) geprofeteerde "tien-staten-bond".
*
Zijn
beschrijving vinden wij in Dan 7:30 t/m 26; 8: 9-12 en 23-26; Openb. 13
(het beest de zee)
en Openb. 17, speciaal vers. 11. Deze vorst moet geopenbaard worden vóór
de dag des Heeren aanbreekt en bij zal
Israël gedurende 3½ jaar verdrukken (Openb. 13:5; Dan. 12:7, 7:25;
9:27). Dit is de Grote Verdrukking, die plaats vindt gedurende de tweede
helft van de 70ste week. Tijdens de
eerste helft van die week zal Israël een verbond met hem hebben, waardoor
zij uitroepen: "het is vrede en zonder gevaar" . Maar dit
hebben wij reeds eerder besproken, en
behoeft in verband met ons onderwerp geen nadere toelichting. Wat wij wet
moeten weten, is dat voor deze mens der
wetteloosheid geopenbaard worden, de "tien-staten-bond"
ontstaan zal moeten zijn, omdat de tien koningen van deze staten hun macht
zullen overdragen aan deze mens der
wetteloosheid. Zie Dan. 7:24; Dan. 8:23 en 24: "Als het
de afvalligen op het hoogst gebracht zullen
hebben, zo zal er een koning staan ... doch niet
door zijn kracht. ."
De
volgorde, die Paulus aangeeft in 2 Thess. 2 is dus als volgt:
| 1 |
de afval.
|
| 2 |
de "tien-statenbond".
|
| 3 |
de mens der wetteloosheid, alias de zoon des verderfs,
die gedurende de 3½
jarige grote verdrukking
in Palestina
de macht uitoefent.
|
| 4 |
De bekering van Israël, met als gevolg de wederkomst
des Heeren en de dag
des Heeren.
|
We gaan verder bij 2 Thess. 2:6: "En nu, wat hem (de reeds
genoemde mens der
wetteloosheid) wederhoudt, weet gij, opdat
hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd." Ook
hier veronderstelt Paulus bij zijn lezers bekendheid met het onderwerp.
Maar weten wij inderdaad wat hem
wederhoudt, en wat zijn eigen tijd is?
Deze
wederhouder kan niemand anders zijn dan de gemeente, het lichaam van
Christus. Daarvoor willen wij hier twee
redenen opgeven.
De
eerste is, dat wij gezien hebben, dat de mens der wetteloosheid zijn
optreden begint met het
sluiten van een verbond met Israël. Dit gebeurt
direct aan het begin van de 70ste week van Daniël.
(Dan. 9:27). Zoals we reeds eerder hebben gezien is voor die tijd de
gemeente opgenomen in de lucht. De
situatie zal dus deze zijn, dat de gemeente wordt opgenomen en direct
daarop de "mens der wetteloosheid" zal verschijnen.
Blijkbaar is de gemeente dus hier genoemde
"wederhouder".Hierbij moeten wij wel bedenken, dat er niet
gesproken wordt over een macht, die deze
vorst bestrijdt.
Er wordt simpelweg gesproken over een wederhouder,zonder gegevens over de
wijze waarop dat wederhouden gebeurt. Er
word niet gesproken over een bestrijder, maar over iets of iemand, die in de weg staat. De zondvloed kwam niet, voordat Noach en de
zijnen veilig in de ark waren. Ook
Methusalem stierf binnen 6 maanden voor de zondvloed, zoals uit zijn
geslachtsregister blijkt Het oordeel over Sodom
kwam niet, vóórdat die éne rechtvaardige Lot uit
Sodom was weggehaald. Het oordeel over Jericho kwam niet vóórdat Rachab
in veiligheid was gesteld. Zij allen
weerhielden, zij het passief, het komende oordeel. En zo zal het ook gaan
in de nabije toekomst. Gods werkmethode blijft
de zelfde. Het oordeel over de volkeren, de Grote
Verdrukking tijdens de regering van de "mens der wetteloosheid"
kan niet komen, voor die éne
rechtvaardige, het lichaam van Christus, van de plaats des onheils is geëvacueerd.
Met andere woorden: Zolang de gemeente
niet is opgenomen, kan de mens der wetteloosheid niet geopenbaard
worden.
De
tweede reden waarom de wederhouder niemand anders kan zijn dan de gemeente
is als volgt.
Zoals wij gezien hebben, zegt Paulus in het eerste vers van dit hoofdstuk
(2 Thess. 2), dat hij iets gaat schrijven
over "onze toevergadering tot Hem". "Onze
toevergadering tot Hem" kan onmogelijk iets anders zijn, dan wat wij
noemen "de opname van de
gemeente". Maar vanaf dit vers vinden wij in deze brief absoluut geen
woord over de opname! En niet alleen de
volgende hoofdstukken maar ook het voorgaande hoofdstuk
deelt ons niets mee over de opname. Vers 1 van 2 Thess. 2 is dus volkomen
onzin, tenzij met deze wederhouder de
gemeente bedoeld wordt! Het "weg doen" van deze wederhouder
kan dus onmogelijk iets anders zijn, dan de opname van de gemeente!
Daarover spreekt het volgende vers.
 |
"Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede
gewrocht, alleenlijk,
die hem nu wederhoudt, die zal hem
wederhouden totdat hij uit het midden zal weggedaan
worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden..."
2
Thess. 2:7
|
Met
andere woorden: De gemeente wederhoudt de mens der wetteloosheid, totdat
de gemeente
wordt opgenomen, in de lucht, de Heer tegemoet, en alsdan (vs 8)
zal de ongerechtige geopenbaard worden.
De verborgenheid der ongerechtigheid (een ding) is nu reeds
aanwezig en zal later worden bekendgemaakt onder de naam
"Babylon" (Openb. 17:5), maar
de ongerechtige (een persoon; enkelvoud) kan niet op aarde verschijnen,
zolang de gemeente nog op aarde is. Dit
is de kern van Paulus' betoog, of dit hoofdstuk mist iedere betekenis!
Soms
wordt over deze "wederhouder" geleerd, dat het niet zo zeer de
gemeente is, maar de
Heilige Geest in de gemeente. opvatting
verandert niets aan ons betoog, omdat de Heilige Geest
die immers in de gemeente woont, gelijk met de gemeente van de aarde zal
verdwijnen. Men acht de gemeente niet, maar de Heilige Geest wél in staat
om deze mens der wetteloosheid te
bestrijden. Hier in 2 Thess. 2 wordt echter niet gesproken over een
strijd, of zoals de uitdrukking luidt,
een "wederhoudende macht". Er is hier geen sprake van een
strijd of een strijdmacht, maar van een
passieve "wederhouder". Natuurlijk is de gemeente niet in staat
om deze mens der wetteloosheid te bestrijden,
en, wat veel belangrijker is, het behoort zeker niet
tot haar taak! Nee, God is bij machte om deze mens der
wetteloosheid tegen te houden, zolang
Zijn kinderen hier op aarde zijn.
Tevens willen wij verwijzen naar de reeds eerder
geciteerde profetie van Joël 2. Daar wordt namelijk
geleerd, dat onmiddellijk na de bekering van Israël (zie vers 27 en 28
". . daarna. . ."), dus bij de
aanvang van de dag des Heeren en de wederkomst van Christus, de Heilige
Geest zal worden uitgestort. En op dit
tijdstip is zijn 3½ jarige regering over Israël afgelopen, maar hij
verdwijnt dan niet ogenblikkelijk van de
aardbodem! Nee, de mens der wetteloosheid wordt pas
in de "poel des vuurs" geworpen bij de aanvang van het "
1000-jarig rijk" (Openb. 20:20), en
dat is aan het einde van de "dag Zijns toorns", die, zoals wij
reeds eerder gezien hebben, gelijk met de
dag des Heeren aanvangt. De uitstorting van de Heilige Geest bij de
bekering van Israël, heeft dus niet de
onmiddellijk verdwijning van de mens der wetteloosheid tot gevolg.
Hieruit
leiden wij af, dat het dus niet de Heilige Geest is, die in deze tijd als
wederhouder tegen
deze vorst optreedt. Wij
willen nu nog samenvatten, wat we hier in 2 Thess. 2 gelezen hebben. Dit
betoog van Paulus is naar aanleiding van
het feit, dat sommigen leerden, dat de dag des Heeren, die onmiddellijk
na de Grote Verdrukking zou moeten komen, aanstaande, of zelfs al begonnen
was. Er werd dus gedacht, dat de gemeente
voorbestemd was om door de Grote Verdrukking te
gaan. Als antwoordt daarop legt Paulus uit, dat de dag des Heeren pas komt
ná de Grote Verdrukking onder de
"mens der wetteloosheid," en dat deze "mens der
wetteloosheid" niet kan komen,
zolang de gemeente nog op aarde is. En aangezien de gemeente nog op aarde
was en nog steeds is, was de "dag
des Heeren" beslist niet aanstaande, laat staan begonnen.
Paulus
zelf vond dit hele verhaal in feite overbodig. Dat blijkt voortdurend uit
zijn opmerkingen:
"Gij hebt niet van node, dat men u
schrijve. . . gij weet zelven zeer wel . . . wat hem wederhoudt
weet gij . . . . " Toch gaat hij
steeds weer op de zaak in, om vóór alles duidelijk te
stellen, dat wij moeten en mogen uitzien naar de hemelse roeping, die ons
wacht, en onze hemelse erfenis, die wij
door Gods genade ontvangen hebben. Doen wij dat?
Openbaring 3.
Er
is nog een andere plaats in de Bijbel, waar wij commentaar op de opname
der gemeente zouden
mogen verwachten. Dat is in Openb. 2 en 3, waar we de brieven van de Heer
Jezus aan de zeven gemeenten in Klein Azië.
Naar wij algemeen wordt aangenomen,geven deze zeven
brieven een profetische weergave van de geschiedenis van het Christendom
als een soort vervolg op de Handelingen
der Apostelen. Deze brieven geven in chronologische volgorde de zeven
belangrijkste mijlpalen van de kerkgeschiedenis. Let wel: het gaat niet
over de Christenheid, het lichaam van
Christus, maar over het Christendom als wereldreligie! Wanneer wij
nu achteraan beginnen, want daar moeten wij natuurlijk zoeken, bij de
brief aan Laodicea,dan zien wij daar een afvallige kerk geschilderd.
 |
"Zo
dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond
spuwen.......
gij
zijt ellendig, en jammerlijk en arm en blind en naakt............ weest dan ijverig
en bekeer u ........ zie Ik sta aan de deur en Ik klop."
Op.
3:14-22 |
Deze
beschrijving kan onmogelijk van toepassing zijn op wedergeboren mensen.
Wij zijn immers
gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus (Efeze.
1:3). Bij wedergeborenen staat Christus
niet aan de deur, maar Hij heeft in hen woning gemaakt. En waar
wordt ooit tegen een kind van God gezegd, dat hij arm en blind is? De
gemeente als lichaam van Christus is in
Hem gezeten aan de rechterhand Gods (Efeze. 1:3, 20), maar van deze
Laodicensen wordt gezegd, dat zij, indien zij overwinnen, zullen zitten in
Zijn troon (die van Christus), terwijl
Christus Zelf gezeten is in de troon van Zijn Vader. Deze laatste troon is
in de hemel, en is de plaats waar ook het
lichaam van Christus thuis hoort. De eerstgenoemde troon,
die Christus de Zijne noemt, is die Van o.a. Matt. 25:31. Dat is de troon,
die Hij erft van Zijn vader David, die
zich zal bevinden, waar hij behoort te zijn: in Jeruzalem! Vanaf die
troon zal het Messiaanse rijk geregeerd worden. Deze troon heeft dus niets met
de gemeente te maken.
Nee,
"Wie overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in Mijn troon",
is precies hetzelfde
van inhoud als het Evangelie van het Koninkrijk:
"Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig
worden" (Matt. 24:13 en 14). Dát
Evangelie moet gepredikt worden onder alle volkeren,
voordat het einde komt. Niet voordat de opname komt, maar voordat het
einde komt. Dit einde is er bij de
oprichting van het 1000-jarig rijk, zoals vermeld in het volgende hoofdstuk
van Mattheus (25:31, 46).
Dit
Evangelie werd gepredikt door Johannes de Doper, en zal gepredikt worden
door de twee getuigen
en vervolgens door de 144.000 verzegelden uit de 12 stammen van Israël,
maar beslist niet door of aan de
gemeente! De verwachting van de gemeente is niet de oprichting op aarde
van het Messiaanse rijk, maar onze "wegrukking", de Heer
tegemoet in de lucht.
Dit
"Evangelie van het koninkrijk" wordt weer gepredikt ná
de opname van de gemeente,
want dan staat het Koninkrijk weer voor de deur
omdat de Koning reeds onderweg is, evenals in
de dagen van Johannes de Doper. Deze
brief aan Laodicea, waarin het Evangelie van het Koninkrijk geciteerd
wordt, tekent ons dus het Christendom op
aarde, nadat het lichaam van Christus van de aarde is weggenomen.
Het
is een Christendom zonder Christenen.
Er zijn dan wel mensen, die zich Christen
noemen, maar geen mensen, die wedergeboren, en
dus "in Christus" zijn!
We
moeten dus terug naar de zesde brief, die aan de gemeente te Filadelfia,
om iets te vinden
over de opname van de gemeente. Openb. 3:7 e.v.:
 |
".
. . Gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn Woord bewaard, en hebt Mijn
Naam niet verloochend.
. . omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u
bewaren uit de ure der verzoeking, die over
de gehele wereld komen zal............... . . " Zie Ik kom haastelijk.
Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns
Gods."
Op.
3:7-13
|
Dit
is een zeer duidelijke beschrijving van de echte Christenheid vlak voor de
opname. Zij heeft
kleine kracht, omdat ze met zo weinigen zijn
vanwege de reeds eerder gesignaleerde afval in de eindtijd.
Ze heeft het Woord Gods bewaard! Dat kan eveneens slechts van weinigen
gezegd worden. Veruit het grootste
deel der tegenwoordige theologen gelooft immers niet meer,
dat de bijbel in zijn geheel "Gods woord" is! En buiten de
bijbel is er in de gehele wereld
niets anders, dat aanspraak maakt op deze titel.
"En
gij hebt Mijn Naam niet verloochend."
De
Naam van onze Heer is Jehovah, in onze
Bijbel helaas overgezet tot "HEERE".
Zie b.v. Ex. 15:3; Jer. 33:2; Amos 5:8; 9:6: "Jehovah is Zijn
Naam". Maar wie gelooft er tegenwoordig nog, dat de "Jezus"
van de Jesus-people en de "Christus"
van de Christenen Dezelfde zijn als "Jehovah" van het Oude
Testament? Wie gelooft nog dat Jezus van
Nazareth de Zoon van God is, Dezelfde als "JHVH" van de Joden?
Over hen, die dit wèl geloven gaat deze
brief. En tegen hen zegt de HEERE:
 |
".. Ik zal u ook bewaren
uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal.. . "
Op. 3:10
|
Nu
hebben wij al eerder gezien, dat de gemeente bewaard zal worden vóór de
70ste week van Daniël
en vóór de Grote Verdrukking tijdens de tweede helft van die week. Het
valt ons dan ook beslist niet moeilijk om
de bevestiging daarvan te vinden in deze Bijbeltekst (Openb.3:10). Maar
degenen, die leren, dat de gemeente door de Grote Verdrukking zal moeten,
hebben in dit vers allerlei moeilijkheden weten
te leggen, om hun opvatting te kunnen bewijzen.
Dikwijls
wordt dan geleerd, dat het woordje "uit" de vertaling is van het
griekse "ek" en "uit
van"
of "van tussen" betekent. Dit is inderdaad min of meer
juist. Vervolgens verbindt men
hieraan de conclusie, dat de Grote Verdrukking
dus reeds begonnen is, vóórdat de gemeente wordt
weggerukt. Dit zou zeer waarschijnlijk een juiste gevolgtrekking zijn, als
hier inderdaad uitsluitend werd gesproken
over de Grote Verdrukking. Er is echter slechts sprake van: "verzoeking,
die over de gehele aarde komen zal" .
Een
dergelijke verzoeking is er de eeuwen door geweest; vandaar de zinsnede in
het "Onze Vader"
"leidt ons niet in verzoeking". Ook in onze tijd is er
verzoeking, anders zou het helemaal niet
moeilijk zijn om Zijn Woord te bewaren en Zijn Naam niet te verloochenen.
Ook in de tijd van de apostel Johannes
waren er reeds vele antichristen, maar nog niet de Antichrist
(1 Joh. 2:18). Zo is er ook nu verzoeking en
verdrukking, maar nog niet de Grote Verdrukking!
Dit laatste woord wordt zelfs niet eens genoemd. Wel wordt er gezegd, dat
deze verzoeking over de hele wereld komen
zal en dat is natuurlijk wel een bedekte verwijzing naar de
grote verdrukking, die zich eveneens over de gehele aarde zal uitstrekken.
Dit vers (Openb. 3:10) kan dus onmogelijk
zeggen, dat de Grote Verdrukking al begonnen is, wanneer de gemeente
wordt opgenomen, omdat er geen ondubbelzinnige verwijzing naar die Grote
Verdrukking in voorkomt.
Een
openlijke verwijzing naar de Grote Verdrukking is bovendien absoluut
onmogelijk, omdat
de profetische betekenis van deze brief, en
daarmee houden wij ons nu bezig, de secundaire betekenis
is. Primair werd deze brief geschreven in de eerste eeuw van onze
jaartelling aan de toenmalige gemeente in
Filadelfia, en die gemeente werd voorzover wij weten niet opgenomen,
de Heer tegemoet in de lucht! Een verwijzing
naar de opname van de gemeente en de Grote Verdrukking
kan in deze brief dus slechts in bedekte termen aanwezig zijn. En bedekte
termen geven ons geen enkel recht, om "verzoeking"
te interpreteren als "grote verdrukking" en evenmin
om "bewaren" te vertalen met "opnemen in de lucht",
laat staan om de volgorde van deze
gebeurtenissen te bepalen.
Samenvattend:
Wij vinden dus wel een verwijzing naar de opname van de gemeente en de
Grote Verdrukking, maar deze verwijzing wijst
naar Paulus' verklaringen in zijn brieven aan de Thessalonicensen,
en die hebben wij reeds uitvoerig besproken.
Johannes 14.
Wij
willen ons nu nog bezighouden met Johannes 14:1 t/m 3
 |
"......gij
gelooft in God, gelooft
in Mij... Ik ga heen om u plaats te bereiden.
En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats
zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook
zijn moogt waar Ik ben."
Joh.
14:1-3
|
Hier
wordt de komst van de Heiland aangekondigd door Hem Zelf. En het eerste,
wat Hij belooft
te doen, is hen tot Zich te nemen, die in God en in Hem geloven (vs.
l).(In geestelijke zin zijn wij er al.
zie ook Efeze 2:6 ) Het tot Zich nemen van de gelovigen is dus het
eerste onderdeel van wat wij de wederkomst
noemen. En nadat Hij ons tot Zich
genomen heeft, zullen wij voortaan zijn
waar Hij is. Dit ligt ook besloten in de woorden van 1 Thess. 4:17
 |
"Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tesamen met hen
(die in Christus gestorven zijn)
opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht, en alzo
zullen wij altijd met de Heere wezen"
1 Thess. 4:17
|
Het
in dit vers genoemde "tegemoet" gaan betekent in feite
"naar iemand toe gaan om met hem
terug te keren". Het wordt ook zo gebruikt
in Hand. 28:15, waar enige broeders uit Rome Paulus
tegemoet kwamen, om hem verder op zijn weg naar Rome te vergezellen!
Daarom lezen wij in 1
Thess. 4 dan ook verder: "En alzo zullen wij altijd met de
Heere wezen", en in Joh. 14:3 "
... opdat gij ook zijn moogt waar ik ben". Dat
is de " .... eeuwige vertroosting en goede hoop...", die wij als
kinderen van God ontvangen hebben (2
Thess. 2:16).
Het
woord "opname" is ontleend aan 1 Thess. 4:17: "....tesamen
met hen worden
opgenomen in
de wolken. . . " Dit lijkt
misschien een betrekkelijk rustige gebeurtenis, zoals de hemelvaart van de
Heiland Zelf. Dat is het echter beslist
niet! Dit woord "opnemen" betekent letterlijk "weggrissen".
De duitsers spreken van "Entrückung",
de engelsen van "rapture". Waarom de gemeente straks
zal worden weggegrist van de aarde, is inmiddels wel duidelijk. Wij zullen
worden weggerukt vóór de 70ste week van
Daniël aanbreekt, vóór de "mens der wetteloosheid" geopenbaard
wordt, vóór de grote verdrukking in alle hevigheid losbarst en vóórdat
die vreselijke dag des Heeren komt. Er is
haast bij, want :
 |
"God heeft ons niet gesteld tot toom,
maar
tot verkrijging der zaligheid door onze Heere Jezus Christus" 1
Thess. 5:9
|
en
daarom
 |
"..weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en
de onrechtvaardigen
te bewaren tot de dag des oordeels, om gestraft te worden" 2
Petr.2:9 |
Adelaars.
We
hebben u nog beloofd, om terug te komen op een leer, die inhoudt, dat
slechts de elite uit
de gelovigen vóór de Verdrukking zal worden
opgenomen. Deze leer wordt verkondigd als iets nieuws,
dat door God in deze laatste dagen van de gemeente op aarde is geopenbaard
aan iemand, die zich "een profeet,
door God gezonden" liet noemen! Nu is dit beslist onjuist, daar
deze zelfde leer, met gebruikmaking van precies
dezelfde uitdrukkingen, reeds onderwezen werd
in het midden van de vorige eeuw door o.a. Dr. J.A. Seiss en later ook,
zij het in gewijzigde vorm, door Dr. E.W. Bullinger.
Zij
wijzen dan op Matt. 24:28, waar wij lezen: "Want alwaar het dode
lichaam zal zijn,
daar zullen de arenden vergaderd
worden."
Deze
tekst staat onmiddellijk ná de beschrijving van de Grote Verdrukking
vanaf vers 15. De
verklaring, die gegeven wordt, luidt dan in het
kort aldus: Het dode lichaam stelt de niet-geestelijke
(?) gemeente voor; de arenden zijn de leden van de gemeente, die wèl ver
gevorderd zijn in de "heiligmaking"
(en dus ook deze theorie aanhangen!). Volgens hen worden dan
ten tijde van de Grote Verdrukking de "vleselijke" christenen,
het dode lichaam, achtergelaten; terwijl
de "geestelijke" christenen, de arenden, zullen vergaderd worden
in de hemel! Men spreekt dan ook over
"arend-gelovigen".
Zonder
tekstverwijzing kunnen ook zij het niet stellen, en citeren daarom Jes.
40:31 en Job 39:30:
"Is het naar Uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat
hij zijn nest in de hoogte maakt".
Nog steeds volgens hen, is dit een verwijzing naar de opname van de
gemeente, die vanaf dat moment geacht wordt in
de hemel te wonen.
Om
maar meteen bij dit laatste vers te beginnen: Deze arend in Job 39:30 kan
nooit een gedeelte
van de gemeente voorstellen, daar hij zijn nest in de hoogte zelf moet
maken. Zei de Heer Jezus niet, dat Hij
Zelf heenging om ons plaats te bereiden? (Johannes.14). Een arend moet
zelf zijn woning maken; voor de gemeente wordt dit gedaan door de Heiland
Zelf. Bovendien staat er van deze arend,
dat hij vanuit de hoogte loert op zijn prooi (vs.
32). Sinds wanneer is dat de gewoonte in de gemeente? En sinds wanneer
heeft de gemeente jongen (?), die
"bloed zuipen"? Zo staat het tenminste in deze verzen (Job.
39:30 t/m 33).
"Arend-gelovigen" moeten wel een heel vreemd soort gelovigen
zijn!
Ook
wordt in dit verband gewezen op Jesaja. 40:31
 |
"Maar die de Heere
verwachten,
zullen de kracht vernieuwen; zij zullen op
varen met vleugelen, gelijk de arenden. . . "
Jes.40:31
|
Wanneer
wij dit vers in zijn verband lezen, en dat is vanzelfsprekend de enige
juiste manier, zien
wij, dat hier niet gesproken kan worden over de opname van de gemeente,
omdat het gericht is tot Israel: "Troost,
troost Mijn volk (vs. 1 ) . . . Spreekt naar het hart van
Jeruzalem (vs.
2) .... 0,
Sion (vs.
9) ... 0, Jeruzalem (vs. 9) .... 0, Jakob ... 0,
Israel (vs.27).
Hier
wordt gesproken over het gelovig overblijfsel uit Israël in de Grote
Verdrukking! Leest u
maar in het volgende hoofdstuk (Jes. 41) vers
13: "Want Ik, de Heere, uw God, grijp uw rechterhand
aan, Die tot u zegt Vreest niet, Ik help u. Vrees niet, gij wormpje
Jakobs, gij volkje Israëls! Ik
help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heilige Israëls!" Hier
wordt gesproken over het gelovig overblijfsel
uit Israël, waarvan wij lezen in Openb. 12:14:
 |
"En
de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou
vliegen in de
woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt, een tijd, tijden en een
halve tijd, buiten het gezicht der
slang. " Op.
12:14 |
Arendsvleugelen
brengen dus de redding voor een gelovig
Israël. Dit zien wij ook geïllustreerd
in Ex. 19:4. Het bijzondere hiervan is echter, dat de
arend in de Bijbel geschilderd wordt als de vijand van Israël. (Deut.
28:48, 49; Jer. 4:13; 48:40; 49:22;
Klaagliederen. 4:19; Hos. 81; Hab. 1:8).
Bovendien is de arend een onrein dier! (Lev. 11:13; Deut. 14:11 en 12).
In
Ezechiël 17 vinden wij een gelijkenis, waarin volgens vers 12 de arend
Babel voorstelt! De
arend vertegenwoordigt dus niet de elite uit de
gemeente, maar de directe en hoogste vijand van
God. Het Hebreeuwse woord voor Arend, "nesher", is dan
ook afgeleid van een stam, die "zich
verheffen" betekent. Daarom lezen we over de mens der wetteloosheid
in 2 Thess. 2:
 |
"
.. . die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of
als God geëerd
wordt.." 2 Thess. 2:4 |
En
daarom lezen wij in Jer. 49:16:
 |
"Uw schrikkelijkheid heeft u
bedrogen, en de trotsheid uws
harten, gij, die woont in de kloven der steenrotsen, die u houdt op de
hoogte der
heuvelen! Als zoudt gij uw nest zo hoog maken als de arend, en al
steldet gij uw nest tussen de
sterren, zo zal Ik u
van daar nederstoten, spreekt de Heere."
Jer.
49:16 zie ook Ez. 28 |
Uit
deze veelheid van schriftplaatsen blijkt duidelijk, dat de arend geen type
kan zijn van de
gemeente, of een deel daarvan. Die wordt na de
opname niet nedergestoten, maar zal daarna voor
altijd met de Heer zijn (1 Thess. 4). Nee,
de arend is de vijand van Israël en Israëls God. Hij gaat zijn ondergang
tegemoet omdat hij zich tegen God
verheft, maar hij zal vóór die tijd gebruikt worden om Israël tot
bekering te dwingen. En daarover handelt
Matt. 24:28! In Matt. 24:28 lezen we over
"het dode lichaam" (St. Vert.). We lezen niet over een
willekeurig dood lichaam, maar over het dode
lichaam. Er wordt dus bekendheid met deze materie
verondersteld. Het is het dode lichaam, dat aanvankelijk ontstond in
Ezechiel 37, en dat reeds genoemd wordt
in Deut. 28:26. Zoals uit deze beide hoofdstukken blijkt is dit dode
lichaam de ongelovige staat Israël. Het is het
Israël, zoals ons dat in het Oude Testament zo dikwijls
wordt voorgehouden. Het is het Israël, dat tegenwoordig een eigen,
ongelovige staat heeft in het land, dat
niet hen, maar God toebehoort! (Lev. 25:23). En bij dat dode lichaam
verzamelen zich de arenden. Daar drinken haar
jongen bloed. Dit blijkt ook uit datzelfde Deut. 28,
waar dit dode lichaam voor het eerst wordt genoemd: "De Heere zal
tegen u een volk verheffen van
verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt, een volk,
welksspraak gij niet zult verstaan. .." (vs.
49 e.v.).
Matt.
24:28 is dus niets anders, dan de reden, waarom de Grote Verdrukking zal
komen over Israël.
Er is een dood lichaam, dus komen er arenden, precies zoals de Heer
duizenden jaren tevoren voorzegd had. Het
dode lichaam, een ongelovige staat Israël, is de reden en aanleiding
van de grote verdrukking. Dit blijkt al uit het
eerste woord van dit vers: "Want alwaar het dode....."
Alles wat ná het voegwoord "want" komt, is oorzaak van datgene,
wat ervóór staat. Matt. 24:15 t/m 27 geeft een beschrijving van de
grote verdrukking (vs. 21) over Israël (Judea...sabbath
. .), en vers 28 geeft de reden voor die verdrukking: "Want (en
niet: maar) al waar (niet:
wanneer) het dode lichaam (niet: aas) zal zijn, daar zullen de
arenden (niet: gieren) vergaderd
worden (door God Zelf: lees. b.v. Jes. 9). Wanneer
wij, als leden van het lichaam van Christus, verstaan, dat wij geen
arenden behoren te zijn, maar duiven,
typen van de Heilige Geest, zullen wij ook ophouden, ons als roofvogels te
gedragen!
Tot
slot willen wij nogmaals wijzen op de woorden, die de Heiland sprak op de
vijfde dag ná de
69ste week van Daniël:
 |
"....Ik ga heen om u plaats te bereiden.
En zo wanneer Ik heengegaan zal
zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome ik weder en zal u tot mij
nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.
. . . "
Joh. 14:1- 3
|
Dat is het eerste en enige punt op
Gods programma vóórdat de 70ste week aanvangt.
"Zo
dan, vertroost elkander met deze woorden!"
Het
bovenstaande artikel is "vrij" overgenomen uit de brochure:
"De Opname der Gemeente en
de grote verdrukking", naar Ab Klein
Haneveld.
|