| Jaren geleden ontdekte ik waar
zich "de plaats in de woestijn" moest bevinden, waar het gelovig
overblijfsel zou worden verzameld om te schuilen voor "de grote
verdrukking". De oude Edomitische en Nabateese hoofdstad Petra was toen
bij slechts weinigen bekend. Een bezoek aan deze mysterieuze stad was
levensgevaarlijk en vrijwel onmogelijk. Sinds echter de grenzen van
Jordanië zijn opengesteld voor toerisme, is het gebied vrij gemakkelijk te
bezoeken. |
|
 |
Wat wij ruim tien jaar geleden
niet geregeld konden krijgen is nu realiteit: De plaats "door God bereid",
waar in de nabije toekomst de aardse basis zal worden gelegd voor het
komende Koninkrijk van Christus. In verband daarmee willen wij
ons in onderstaand artikel bepalen bij wat het profetisch woord expliciet
over deze dingen zegt.
Verwoesting tot het einde Dan. 9
 |
"Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige
stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen,
en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige
gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te
verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven."
Dan.
9:24 |
Aan Daniël werd in deze verzen een
periode aangekondigd, die nog zou passeren, voordat de beloofde zegeningen
definitief aan Israël zouden worden gegeven. Hier wordt de tijd
gemeten tot de komst van de Messias en de bekering
van het joodse volk en in het bijzonder die van Jeruzalem. De engel
spreekt immers over "uw volk" en "uw heilige stad". Volk en stad van
Daniël waren ontegenzeglijk het Joodse volk en de stad
Jeruzalem.
De frase "de
heiligheid der heiligheden te zalven" is zondermeer de verwijzing naar de
Messias, Die in andere talen immers "Gezalfde" en "Christus" wordt
genoemd! In vers 25 wordt de term Messias nog eens gebruikt en daar min of
meer onvertaald gelaten.
Er zouden dus zeventig weken, 70 x 7 jaar,
voorbijgaan tot op deze gebeurtenissen. Opmerkelijk is, dat de laatste van
deze zeventig weken pas in vers 27 wordt genoemd. Over deze, overigens nog
steeds niet vervulde, week van jaren zegt de
profetie:
 |
"En hij zal velen het verbond versterken een week; en [in] de
helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen
ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn,
ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal
uitgestort worden over den verwoeste." Dan.
9:27 |
De woorden maken duidelijk, dat
tot aan het einde van de zeventig weken, en dus tot aan het einde van de
zeventigste week, verwoesting over "uw volk en over uw heilige stad" zijn
zal. Dat betekent, dat er tot aan de bekering van het overblijfsel in
Jeruzalem, dus tot aan het moment dat de Messias Zijn voeten op de
Olijfberg zal zetten, verwoesting zijn zal. In de praktijk wil dat zeggen,
dat de Heer op de Olijfberg zal verschijnen ter gelegenheid van de
uiteindelijke ondergang van Jeruzalem.
De conclusie die wij nu
zondermeer moeten trekken is, dat voorzover er een gelovig overblijfsel
van dit volk zal bestaan dit niet in Jeruzalem zelf gevonden zal worden.
Dit is onmogelijk, daar er op dat tijdstip geen Jeruzalem meer zal zijn!
De Heer zal immers op de Olijfberg verschijnen als Jeruzalem wordt
verwoest! Dat betekent vanzelfsprekend, dat er vanaf die dag geen enkel
leven in Jeruzalem zal worden gevonden en dus ook geen gelovig
overblijfsel.
Op het
moment dat de Heer Zijn Koninkrijk officieel over het joodse volk zal
vestigen, is er joodse staat noch joodse stad. Deze waarheid, dat het
overblijfsel bij de wederkomst van Christus niet in Jeruzalem zal zijn,
maar ergens anders, vinden wij op verschillende plaatsen in het Oude
Testament en wellicht nog uitdrukkelijker in het
Nieuwe.
Wederkomst, Verzameling,
Terugkeer Deut.
30
In Deuteronomium 29:29
wordt kennelijk via "de verborgene dingen" over onze tegenwoordige
"bedeling der verborgenheid" (Ef.
3:9 letterlijk)
gesproken.
Maar daarna wordt
gezegd:
 |
"Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u
zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld
heb; zo zult gij het weder ter harte nemen (=
geloven), onder
alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft."
Deut.
30:1 |
Het volk zou weer met het hart
geloven! Echter niet in Kanaän noch in Jeruzalem, maar "onder alle volken,
waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft." Hoe zou dat
gebeuren?
 |
".....gij zult u bekeren tot den Heere, uw God, en Zijner
stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat Ik u heden gebiede, gij en uw
kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel (d.i. uw levenswandel)." Deut.
30:2 |
Het resultaat zal dan
zijn:
 |
"En de Heere, uw God, zal uw gevangenis wenden (een keer
brengen in uw ballingschap), en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u
weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere, uw God,
verstrooid had." Deut.
30:3 |
Volgens het Hebreeuws en sommige
edities van de Statenvertaling moet de uitdrukking "En Hij zal u weder
vergaderen" letterlijk vertaald worden met: "En Hij zal wederkeren en u
vergaderen."
Dit vers spreekt dus over de
wederkomst van Christus, na de verborgene dingen uit Deut. 29:29. Daarna
zou de Heer hen "vergaderen uit al de volkeren, waarheen u de Heere, uw
God, verstrooid had."
 |
"Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar
zal u de Heere, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. En
de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk
bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u
weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen." Deut. 30:4,
5 |
Wanneer men deze verzen
aandachtig leest, ziet men ten eerste dat de Heer zal wederkeren.
Vervolgens dat Hij Israël uit alle volkeren zal verzamelen en ten derde
dat Hij hen daarna in het land zal brengen. Dat zijn drie
gebeurtenissen:
1 De
wederkomst van de Heer;
2 De verzameling van
Israël;
3 De terugkeer naar het
land.
Uit dit vers
kan geconcludeerd worden, dat de Heer Israël wel zal verzamelen, maar dat
Hij dat niet in het land zal doen, maar ergens daarbuiten. Dat dat zo is,
wordt in veel andere schriftplaatsen bevestigd!
Voorzover de gelovige leden van
dit volk aan het einde van de zeventigste week van Daniël in Jeruzalem
zijn zullen, kunnen zij niet in Jeruzalem worden bijeengebracht; want daar
waren zij reeds. Zij zullen Jeruzalem moeten verlaten, zoals Lot eens
Sodom; waarbij de vergelijking tussen de verwoesting van Jeruzalem en die
van Sodom volstrekt Bijbels is!
Men zal niet worden verzameld in
Jeruzalem, maar ergens daarbuiten. Vanuit
die plaats zal men later naar de plaats waar Jeruzalem eens lag worden
gebracht. Men zou er zeven jaar over doen om het verwoeste land te ontdoen
van het oorlogstuig en men zou zeven maanden nodig hebben voor het
begraven van de doden! Ez. 39:9 en
12
Naar de woestijn
Ez. 20
De verzameling van Israël zal dus
niet plaats vinden in het land, hoewel dat wel de eindbestemming zal zijn,
maar in de woestijn.
 |
"[Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de Heere Heere: Zo
Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekten arm, en met een
uitgegoten grimmigheid over u zal regeren! Want Ik zal u uit de
volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid
zijt, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door
een uitgegoten grimmigheid. Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn
der volken, en Ik zal met u aldaar rechten, aangezicht aan
aangezicht; Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn
van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere Heere.
En Ik zal ulieden onder de roede (i.v.m. de schaapskooi) doen
doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds."
Ez.
20:33-37 |
De Heer zal recht doen, Hij zal
hen opmeten onder de roede en Hij zal hen brengen onder "de band des
verbonds". Vers 36 verwijst naar het feit, dat God Israël eertijds
verzamelde uit Egypte. De Heer bracht Israël in de woestijn en onder Zijn
recht en wet. Hij stelde hen onder de "band des verbonds". Dat verbond was
indertijd het oude verbond, zoals wij dat inmiddels kennen. In de toekomst
zal de Heer Israël niet slechts uit Egypte verzamelen, maar uit alle
volken:
 |
"Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat er niet
meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als de Heere leeft, Die de
kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd! Maar: Zo waarachtig
als de Heere leeft, Die de kinderen Israëls heeft opgevoerd uit het
land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven
had! Want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen
gegeven heb." Jer.
16:14-15 |
Maar ook dan
zal de Heer hen eerst verzamelen in de woestijn. Dat is de letterlijke
betekenis van vers 35. In de woestijn zal de Heer opnieuw recht over hen
brengen. Hij zal een verbond met hen sluiten of over hen brengen. Dat is
dan niet het oude verbond der wet, "hetwelk zij verbroken hadden",
Jer. 31:32 maar
vanzelfsprekend het nieuwe verbond.Ergens in de woestijn tussen Egypte en
Kanaän zal de geschiedenis zich min of meer
herhalen.
Genade en rust in de
woestijn Jer. 31
 |
"Ter zelfder tijd, spreekt de Heere, zal Ik allen geslachten
Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zo
zegt de Heere: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft
genade gevonden in de woestijn, [namelijk] Israël, als Ik henenging
om hem tot rust te brengen." Jer. 31:1,
2 |
Een uitspraak over overgeblevenen
van het zwaard, over ontkomenen, een overblijfsel. Het is duidelijk dat
het daarbij gaat om het gelovig overblijfsel van Israël. Speciaal over dat
deel, dat zal overblijven uit Jeruzalem, wanneer de stad verwoest zal
worden aan het einde van de zeventigste week van Daniël.
In de tweede plaats moet ik erop
wijzen, dat het overgebleven volk genade heeft gevonden. Dus niet de wet
van het oude verbond, maar de genade van het nieuwe. Dit komt overeen met
"de band des verbonds", zoals hierboven aangehaald uit
Ezechiël.
In de derde plaats staat
er, dat de Heer heenging om Israël tot rust te brengen. Het moet duidelijk
zijn, dat Mozes noch Jozua noch David hen in de rust hebben gebracht.
Hebr. 4:6-9
Christus, de Messias zou hen in
de rust brengen. Hij is Degene, Die tot ditzelfde volk eens
sprak:..
 |
"..Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt
(van dat juk der wet dat niemand kan dragen), en Ik zal u rust
geven." Mat. 11:28
|
Rust en
genade zijn beiden termen ter aanduiding van het nieuwe verbond.
Hier staat dus, dat het volk weliswaar genade zal
vinden, doch niet in het land maar integendeel in de woestijn. Het zal ook
niet zozeer genade vinden onder de volken, waarheen het verdreven was,
maar in het bijzonder in de woestijn. Vanaf Jeremia 31:31 wordt vervolgens
uitgebreid gesproken over de dagen waarin de Heer met het huis van Israël
en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken. Het nieuwe verbond
is ter vervanging van het verbond der wet, dat de Heer met Israël sloot
ter gelegenheid van de uittocht uit Egypte. Dit gedeelte komt zeer goed
overeen met Ezechiël 20.
Dezelfde
vergelijking tussen de historische uittocht en de toekomstige verlossing
van Israël wordt nog een keer in Jeremia gemaakt:
 |
"Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de
Heere: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer
ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid
land." Jer.
2:2 |
In het begin van dit
bijbelboek wordt dus al uitdrukkelijk gewezen op het verschijnsel, dat
Israël verlost werd om vervolgens in de woestijn terecht te komen. En in
de toekomst zal dat niet anders zijn.
Vlucht uit de
verdrukking Mat. 24
Deze zelfde gedachtengang vinden
we ook uitdrukkelijk in het Nieuwe Testament, in de woorden van de Heere
Jezus Zelf, die aansluiten bij Daniël 9 als Hij zegt:
 |
"Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting
(de "gruwelijke vleugel" uit Daniël 9 vers
27), waarvan
gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats;
(die [het] leest, die merke daarop); dat alsdan, die in Judea (d.i.
het land der Joden) zijn, vlieden op de bergen
(welke bergen?) ; Die op het
dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; En die op
den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te
nemen. Maar wee den bevruchten, en den zogenden [vrouwen]
in die dagen! Doch bidt, dat uw vlucht (!) niet geschiede des winters, noch op een
sabbat. Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is
geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal."
Mat.
24:15 |
Vers 21 spreekt over de grote
verdrukking; de term is ontleend aan Daniël 12 vers 1 en kan niet mis
verstaan worden. Deze grote verdrukking zal beginnen bij de aanvang van de
tweede helft van de zeventigste week van Daniël. Wanneer dat tijdstip in
de toekomst zal aanbreken, zal men met de allergrootste haast naar het
buitenland moeten vluchten. Uit de beschrijving blijkt zelfs, dat het een
kwestie van seconden is.
Men dient zich daarbij te
realiseren, dat volgens andere profetieën op datzelfde tijdstip niet
alleen dat afgodsbeeld op het tempelplein zal worden opgericht, maar dat
ook de twee getuigen zullen worden gedood, die in de eerste helft van de
zeventigste week van Daniël het Evangelie in de straten van Jeruzalem
hebben gepredikt. Op. 11:3, 7
De joodse staat zal aan het
begin van de zeventigste jaarweek van Daniël in ieder geval een verbond
hebben gesloten met de Palestijnen (en wellicht
anderen). Dan.
9:27 Na drie en een half jaar zal dat
verbond worden verbroken. Bij diezelfde gelegenheid zullen natuurlijk de
grenzen worden gesloten, zodat men het land niet meer uit
kan.
Er mag daarom verwacht worden,
dat deze vlucht uit Jeruzalem geen vlucht zal zijn naar een andere plaats
in het Joodse land. Er staat trouwens: "Dat alsdan die in Judea zijn,
vluchten op de bergen." Iedereen moet blijkbaar het joodse land uit
vluchten. De juiste conclusie is, dat men zou vluchten naar een gebergte
buiten de grenzen van de Joodse staat.
Voorts moet ik erop wijzen, dat
hier geen sprake is van een vlucht aan het einde van de zeventigste week
van Daniël, maar in het midden daarvan! Eigenlijk gaat het om een vlucht
tijdens de gehele eerste helft van deze zeven jaren. Zij blijkt mogelijk
te zijn tot op het moment dat de grote verdrukking begint. Tijdens de
verdrukking zelf kan men kennelijk niet meer vluchten; men moet dan
wachten tot het einde van de zeventigste week van Daniël, wanneer men de
stad uit kan vluchten ter gelegenheid van de verwoesting van Jeruzalem.
Dit zullen we nog zien.
Naar aanleiding van Mattheüs
24 zou men nog kunnen vragen: "Waarheen vlucht men dan?" Deze vraag wordt
hier weliswaar niet expliciet beantwoord, maar wij vinden wel een
aanwijzing vanaf vers 23:
 |
"Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de
Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse
christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en
wonderheden doen, Vgl. Op.
13:11-18 alzo dat zij (indien het
mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Ziet, Ik heb
[het] u voorzegd! Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de
woestijn; gaat niet uit; Ziet, [hij] [is] in de binnenkameren;
gelooft het niet." Mat.
24:23 |
Uit hetgeen men zegt, namelijk
"Ziet, Hij is in de woestijn," weten wij waar Hij is. Er staat wel niet,
dat Hij in de woestijn is, maar het tegendeel evenmin! Er staat alleen:
"Gaat niet uit."
De reden daarvoor is, dat
men in de eerste helft van de zeventigste week van Daniël zou kunnen
vluchten doch daarna niet meer. Wanneer men tijdens de grote verdrukking
(de tweede helft) probeert te vluchten, zal men dat waarschijnlijk niet
overleven. Daarom staat er: "Zo zij dan tot
u zeggen: Ziet, Hij is in de woestijn; gaat niet uit."
Men zou zich
kunnen afvragen, hoe men erbij komt dat Hij in de woestijn is. Wel, in de
voorafgaande drie en een half jaar zullen de twee getuigen in de straten
van Jeruzalem hebben gepredikt. Wat denkt u dat zij gepredikt hebben? Zij
zullen zeggen, dat men in de Heere Jezus zou moeten geloven en dat men zou
"tot Hem uitgaan buiten de legerplaats". Want in de woestijn zou een
verzamelplaats zijn. Dat is precies hetzelfde als bij het aanbreken van
het oude verbond. Men mag aannemen, dat men
zich deze woorden der getuigen zal herinneren!.
Als er staat: "Ziet, -Hij is- in
de binnenkameren," wordt gezegd: "gelooft het niet." De binnenkameren
waren indertijd de bijgebouwen van de tempel. Maar de Messias zal in geen
geval in de binnenkameren zijn. Als Hij ergens is, dan is Hij buiten de
legerplaats. Wanneer men Hem zou zoeken, zou men in de woestijn moeten
zoeken. Dat wil echter niet zeggen, dat Hij daar lichamelijk aanwezig zal
zijn. Zeker is wel, dat het gelovig overblijfsel in de woestijn is en dat
de Heer op dezelfde wijze bij hen zal zijn, zoals Hij nu bij ons
is.
Een plaats van God
bereid Op.
12
In het twaalfde hoofdstuk van het
boek Openbaring komen we terecht bij het bekende "teken" van de draak, de
zwangere vrouw en de mannelijke zoon, waarover wordt
gezegd:
 |
"En zij (de zwangere vrouw) baarde een mannelijken zoon, die
al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd
weggerukt tot God en Zijn troon." Op.
12:5 |
Wij weten, dat de
uitspraak over Degene "die al de heidenen met een ijzeren roede zou
hoeden" betrekking heeft op de Christus.
Zij is letterlijk ontleend aan Psalm 2 vers 9 en heeft niet alleen
betrekking op Christus, maar bovendien ook op Christus inclusief de
Gemeente, die Zijn lichaam is. Psalm 2 zegt, dat de Heere Jezus tot Zoon
zal worden gesteld. De Gemeente is echter eveneens bestemd om samen met
Christus tot Zoon te worden gesteld. Dit is een van de zegeningen die wij
als Gemeente hebben ontvangen in Christus. Ef. 1:5;
Rom. 8:29 En het is het hoofdthema van
vele nieuwtestamentische brieven.
Eerst
wanneer Christus zowel als de Gemeente tot Zoon zijn gesteld, zal deze
Zoon, inclusief de Gemeente, de heidenen hoeden met een ijzeren roede.
Deze "zoonstelling" impliceert immers aanstelling tot koning! Vgl. Ps. 2:6
 |
"..En haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon."
Op. 12:5
|
De vrouw is
zoals altijd een beeld van Israël, waaruit de Gemeente is voortgekomen. De
Gemeente zal echter tot God en Zijn troon worden weggerukt. "Weggerukt" is
hetzelfde woord als "opgenomen", dat in 1 Thessalonicensen 4 vers 17
gebruikt wordt voor "de opname" van de Gemeente. De term "wegrukken"
betekent "met kracht nemen".
De kracht, die voor de opname
van de Gemeente wordt gebruikt, is de opstandingskracht van Christus.
Ef. 1:19
Zoals de apostel Paulus schrijft over "den Heere
Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal..... naar de
werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen."
Fil. 3:21
Door die kracht zullen wij ook lichamelijk met Christus in
de hemel en op de troon worden gezet. En vanuit die positie zullen wij de
heidenen hoeden met een ijzeren roede. "Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen?"
Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen
zullen?" 2Kor. 5:2, 3
Het gaat nu om hetgeen na de
wegrukking van de Gemeente gebeurt:
 |
"En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats
had, [haar] van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden
duizend tweehonderd zestig dagen." Op.
12:6 |
Dit klopt precies, want na de
opname van de Gemeente zal de eerste helft van de zeventigste week van
Daniël aanvangen. Vanaf dat moment zullen de twee getuigen optreden in de
straten van Jeruzalem. En als gevolg daarvan zullen eventuele gelovigen de
stad ontvluchten naar de woestijn. Dat kan maximaal drie en een half jaar
lang, namelijk tot aan de oprichting van de gruwel der verwoesting en het
doden van de twee getuigen in het midden van deze week van
jaren.
Dit gelovig overblijfsel zal
daarna nog drie en een half jaar blijven in de woestijn waar het zal
worden bewaard in de dagen van de drie en een halfjarige grote verdrukking
over Israël.
De eerste
periode van drie en een half jaar wordt hier niet expliciet genoemd, maar
het is kennelijk de periode van "vrede en zonder gevaar", 1Thes. 5:3 waarin "de vrouw
vlucht naar de woestijn".
De tweede wordt wel expliciet
genoemd en is zonder twijfel de periode waarvan Paulus schrijft:
..
 |
".....dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de
barensnood een bevruchte vrouw(!); en zij zullen het geenszins
ontvlieden....." 1Thes.
5:3 |
Men zou namelijk voor die tijd
Jeruzalem ontvlieden. Want in deze tijd van "haastig verderf" geldt: "Gaat
niet uit....."
Terwijl over Jeruzalem de grote verdrukking
uitbreekt, is dit overblijfsel tijdig gevlucht en zal gedurende diezelfde
periode in de woestijn worden bewaard. Wanneer tenslotte aan het einde van
de zeventigste week ter gelegenheid van de verwoesting der stad opnieuw
mensen uit Jeruzalem vluchten, begeven zij zich blijkbaar eveneens naar
deze plaats in de woestijn, waar zich al eerder een gelovig overblijfsel
had verzameld.
Deze waarheid van vers 12 wordt
in vers 14 herhaald:
 |
"En der (aan de) vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens
groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats,
alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd
(drie en een half jaar), buiten het gezicht der slang." Op
12:14 |
Als het einde van de
zeventig weken zal zijn bereikt, bevindt er zich dus geen gelovig
overblijfsel in Jeruzalem, maar wel in de woestijn in "een plaats haar van
God bereid". God heeft dus een plaats voor
het gelovig overblijfsel van Israël gereserveerd. Een gereserveerde
plaats. Een plaats van genade en rust!
Van Jeruzalem naar
Petra Zach.
14
In het laatste vers van Zacharia
13 staat, dat Israël ooit weer zal zeggen: "Jehovah is mijn God" en dat
God zal zeggen: "Israël is Mijn volk (Ammi)."
Het antwoord op de vraag hoe dat
mogelijk is wordt in de volgende verzen gegeven:
 |
"Ziet, de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld
worden in het midden van u, o Jeruzalem!" (Dat wil zeggen, dat de Heer wraak zal
doen over de zonden van Jeruzalem.)
"Want", zegt de Heer: "Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten
strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen en de huizen zullen
geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden en de helft
(= een deel)
van de stad zal uitgaan in de gevangenis;
maar het overige (het overblijfsel) des volks zal uit de stad niet uitgeroeid
worden." Zach.
14:1 |
Het eerste deel, dat zal
uitgaan in de gevangenis, zal kennelijk wel worden uitgeroeid. Er zijn
slechts twee delen: Het ene gaat in de gevangenis en het andere zal niet
uitgeroeid worden.
"In de gevangenis gaan" betekent
dus "in het dodenrijk gaan." Sterven. De term gevangenis wordt in de
Bijbel meermalen gebruikt voor de dood.
Het overblijfsel uit de
stad, dat niet zal worden uitgeroeid, zou volgens Jeremia genade vinden in
de woestijn. Jer. 31:2 Hier staat dat ook:
 |
"En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die
heidenen....." Zacharia
14:3 |
Welke heidenen? Die heidenen,
die Hij volgens vers 2 Zelf tegen Jeruzalem had verzameld! De vraag is nu:
"Vanwaar deze ommezwaai?" De reden staat op meerdere plaatsen in de
Bijbel. Het overblijfsel van Jeruzalem heeft zich namelijk bekeerd tot de
Heere en heeft de naam des Heeren aangeroepen. Vanaf dat moment zal de
Heer strijden aan de kant van Israël en dus tegen de heidenen. Zoals een
andere profeet zegt:
 |
"En het zal geschieden, al wie den Naam des Heeren zal
aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te
Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de Heere gezegd heeft; en
dat, bij de overgeblevenen (Het volk der
overgeblevenen van het zwaard" Jer 31:2) die de
Heere zal roepen." Joel
2:32 |
Deze ontkoming, deze
vluchtmogelijkheid, wordt vervolgens beschreven door
Zacharia:
 |
"En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg,
die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in
tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, [zodat]
er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal
wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden."
Zach.
14:4 |
"Te dien dage" is de dag
van de verwoesting van Jeruzalem. Op die dag zullen de voeten van de Heer
op de Olijfberg staan, "die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten." Dat is
een merkwaardige uitspraak. Elders vinden we:
 |
"Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een
Heiland; arm, en rijdende op een ezel....." Zach.
9:9 |
Deze laatste uitspraak wordt
in Mattheüs 21 vers 5 van toepassing gebracht op de verschijning van de
Heer op de Olijfberg op de ezel bij de zogenoemde intocht van Jeruzalem op
de laatste dag van de negenenzestigste week van Daniël. Toen zei de Heer
over Jeruzalem:
 |
"Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag (vandaag
nog), hetgeen tot uw vrede [dient]! Maar nu is het verborgen voor uw
ogen." Luk.
19:42 |
Vanaf dat moment begonnen de
verborgenheden uit Deuteronomium 29 vers 29. Vervolgens kondigt de Heer
vanaf de Olijfberg de verwoesting van de stad aan:
 |
"Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een
begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van
alle zijden benauwen....." Luk.
19:43 |
Aan het einde van de
zeventigste week van Daniël zal de Heer opnieuw Zijn voeten zetten op de
Olijfberg. Bij die gelegenheid zal Jeruzalem letterlijk verwoest worden.
Er is dus een duidelijk verband tussen de gebeurtenissen op de laatste dag
van de negenenzestigste en de zeventigste week van Daniël.
Zacharia 14
vers 4 is de enige echte expliciete uitspraak in de Bijbel waar letterlijk
staat, dat de Heer in Zijn wederkomst zal verschijnen op de Olijfberg. De
gedachte is niettemin algemeen bekend.
We kunnen de Olijfberg met
moeite vinden in een visioen in Ezechiël, 11:23 en zonder moeite in
Handelingen 1. Daar wordt door twee mannen
gezegd:
 |
"Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den
hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo
komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren."
Hand.
1:11 |
Er staat niet "op deze plaats".
Maar daar de Heer verdween in een wolk en ook weer in de wolken zal
verschijnen, zal het hoogstwaarschijnlijk wel op dezelfde plaats zijn. Men
kan dat echter niet met absolute zekerheid uit dit hoofdstuk
concluderen.
Doch wanneer
we Handelingen 1 vers 11 naast Zacharia 14 vers 4 leggen, is het geen
enkel probleem. Natuurlijk komt de Heer op diezelfde plaats terug: op de
Olijfberg. Daar is Hij voor het laatst gezien. Bovendien was het laatste
teken dat Hij daar deed in werkelijkheid gewoon een teken van Zijn
wederkomst.
Zacharia 14
vers 4 zegt verder, dat
"de Olijfberg zal in tweeën
gespleten worden, naar het oosten en naar het westen, zodat er een zeer
grote vallei (vlakte) zal zijn."
Het is moeilijk voor te stellen,
daar de Olijfberg maar een kleine berg is. Toch ontstaat er een zeer grote
vlakte.
 |
"De ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de
(anderen) helft deszelven naar het zuiden. Dan zult gijlieden
vlieden [door] de vallei Mijner bergen." Zach. 14:4,
5 |
Het onmogelijke zal gebeuren.
Wat vroeger nooit kon, kan dan ineens wel. Vroeger kon men de stad niet
aan de oostzijde verlaten, want daar is een diep en steil dal, waarin de
beek Kedron zijn weg vond. Aan de andere zijde van het Kedrondal is de
Olijfberg. In de toekomst zal men langs die kant die altijd versperd was,
langs die kant waarheen de tempel uitzicht gaf, namelijk naar het oosten,
de stad kunnen verlaten omdat de berg is weggeweken.
 |
"Dan zult gijlieden vlieden -door- de vallei Mijner bergen
(want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult
vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van
Uzzia, den koning van Juda; dan zal de Heere, mijn God, komen, [en]
al de heiligen met U, [o] [Heere]!" Zach.
14:5 |
Azal?
De vluchtroute voor het gelovig
overblijfsel, dwars door de gescheurde Olijfberg, reikt blijkbaar tot
Azal. Een plaats met die naam was en is onbekend. Niettemin kunnen wij
besluiten, dat deze naam gegeven wordt aan "een plaats in de woestijn",
"van God bereid", opdat het "overige des volks" dat "uit de stad niet
uitgeroeid" zou worden daarheen zou kunnen vluchten. Zo zullen de
"overgeblevenen van het zwaard" de genade en rust van het nieuwe verbond
vinden in de woestijn.
Nu is de
vraag: "Waar ligt Azal?"
Openbaring 12 zegt: "Een plaats
haar van God bereid." Zacharia zegt: "Tot Azal." Azal betekent
"gereserveerd". Azal kan op veel manieren worden vertaald, maar het heeft
altijd de strekking van gereserveerd, achtergehouden, zijn. De gedachte
bij Azal is enerzijds die van een gereserveerde plaats. Anderzijds houdt
Azal ook in, dat de plaats ergens op afstand ligt. Gereserveerd kan ook in
het Nederlands "weggelegd" betekenen. Wanneer wij iets reserveren, leggen
wij iets opzij. Wij leggen iets op afstand op een speciale plaats
weg.
Azal
betekent: bewaarplaats. Het leuke is, dat dit Hebreeuwse woord ook
voorkomt in de Europese talen. Het is hetzelfde als het Duitse woord Zelt,
dat wij vertalen met tent. De Engelsen hebben het Hebreeuwse woord
verbasterd tot shelter. Azal is een schuilplaats, ergens
verborgen.
Men komt Azal ook tegen in de
beschrijving van de Grote Verzoendag. Daar is sprake van een bok voor
Jehovah en een bok voor Az-azel. Az is bok en azel wordt vertaald met
weggaan. Az-Azel is de "weggaande bok", Lev. 16:8 die werd uitgelaten in
de woestijn. Lev. 16:22 Hij is o.a. kennelijk een type van het gelovig
overblijfsel, dat in de woestijn zal worden uitgelaten, nadat het
verzoening gevonden heeft!
Overigens: Hoewel de spelling van
Azal niet overal in de Schrift gelijk is (de letters Tsade en Zajin worden
verwisseld) blijven uitspraak en betekenis volkomen
gelijk!
Ezel?
In Samuël 20 vers 19 komt de
steen Ezel voor, waarbij de naam gelijk is aan die van Azal. In deze
geschiedenis moet David voor Saul vluchten. Men zou kunnen zeggen, dat het
nieuwe verbond moet vluchten voor het oude. Sauls zoon Jonathan zou
proberen erachter te komen hoe zijn vader over David dacht, daar Davids
leven wellicht werd bedreigd. David moest zich volgens Jonathan drie dagen
verschuilen. Na die drie dagen zouden hij en David elkaar dan weer
ontmoeten. Jonathan zou een pijl afschieten. Wanneer de pijl ver weg zou
neerkomen, zou David moeten vluchten.
 |
"En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig
af, en ga tot die plaats, waar gij u verborgen hadt ten dage dezer
handeling; en blijf bij den steen Ezel." 1 Samuel
20:19 |
Na drie dagen zou de
verlossing komen. Zolang bleef David verborgen in zijn geheime
schuilplaats. Hij bleef bij een steen op een speciale plek. Daar was hij
veilig voor Saul. Op die plaats zou de ontmoeting tussen David en Jonathan
plaatsvinden. Typologisch heeft dit alles te maken met het gelovig
overblijfsel uit Israël. In Openbaring 12 wordt dus gesproken over een
gereedgemaakte, een gereserveerde plaats ergens in de woestijn. In
Zacharia 14 staat, dat er een vlakke route ontstaat, als Jeruzalem wordt
verwoest. Die vlakke route gaat naar een gereserveerde plaats, waarvan de
naam, Azal, gereserveerd betekent.
De ligging
van Azal is wel degelijk bekend, alleen heet zij niet Azal. De plaats zou
eventueel wel Eben (steen) genoemd kunnen worden, maar meestal wordt zij
met een ander woord voor steen aangeduid, namelijk Sela (Hebreeuws) of
Petra (Grieks).
William E.
Blackstone
Sela of Petra, de oude hoofdstad
van de Edomieten en later van de Nabateën, gelegen op ongeveer 80
kilometer ten zuiden van de Dode Zee in het gebergte aan de oostzijde van
de Wadi Araba. Dat de duizenden veelal door mensenhanden uitgehakte
grotten van deze oude stad, die grotendeels is uitgehouwen uit het
gebergte, de schuilplaats voor het gelovig overblijfsel zal zijn, is
zonneklaar. En ik was niet de eerste om dat te ontdekken! Enige maanden
later werd ik door mijn zwager Henk Zutphen gewezen op de volgende passage
in het mij onbekende boek "Het drama van de eindtijd" door Oral
Roberts:
William E. Blackstone,
schrijver van het boek "Jezus komt" (door "W. E. B.", 1908; Door "Het
Evangelisatiewerk in België", later "De Belgische Evangelische Zending",
in het nederlands uitgegeven in 1923), heeft een zeer belangwekkend werk
gedaan onder het Joodse volk, speciaal in Palestina. De heer Blackstone
stierf in 1935, 94 jaar oud, maar voor zijn dood had hij een openbaring
van God (sic), dat vele Joden, wier ogen geopend waren voor het vreselijk
verraad van de Antichrist, een toevlucht zouden vinden in de holen en
grotten van het bergmassief rondom Petra.
Uit een fonds van 5 miljoen dollar zond Dr. Blackstone
in 1935 een groep christelijke werkers naar Petra met kisten met
Hebreeuwse Bijbels die in koperen dozen waren verpakt. Deze werden
verzegeld in uitgehouwen gewelven in het gebergte van het Petragebied tot
de dag, waarop, volgens de Bijbel, de Joden zullen vluchten van Jeruzalem
naar het Petra-gebergte.
Te
midden van de Grote Verdrukking zullen deze Bijbels met aangestreepte
passages, die de afstamming van Christus en het werk en bedrog van de
Antichrist zullen aantonen, gevonden worden door de vervolgde Israëlieten.
Deze aangestreepte gedeelten zullen het Joodse volk aantonen hoe ze
misleid en verraden zijn door de Antichrist en dat Jezus Christus
werkelijk hun Messias is, hun enige hoop. Slechts
de toekomst zal de resultaten van dit, in zijn soort enige plan van Dr.
Blackstone openbaren.
(Of deze koperen kisten met
Hebreeuwse Bijbels nog steeds aanwezig zijn is mij niet bekend. Misschien
ligt het op de weg van de stichting "Israël en de Bijbel", die zich o.a.
intensief bezig houdt met de verspreiding van Hebreeuwse Bijbels, dit te
onderzoeken.)
Deze plaats
in de woestijn is niet alleen het toevluchtsoord van het gelovig
overblijfsel; het zal ook de uitvalsbasis zijn als na de zeventigste week
door ditzelfde gelovig overblijfsel opnieuw Jeruzalem gebouwd zal worden
om "de stoelen des gerichts" Ps.
122:1-5 en de "vervallen hut van David"
Hand. 15:16 weer
op te richten. Kortom, wanneer het Messiaanse Rijk op aarde zal worden
gevestigd, zal dat in eerste instantie gebeuren vanuit deze gereserveerde
plaats. En in dat verband wordt de naam van deze plaats op velerlei wijze
expliciet in de Schrift genoemd!
Theman, Hor, Paran en
Sela. Hab.3
 |
"Heere! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk,
o Heere! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het
bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens."
Hab.
3:2 |
Het midden der jaren" wijst hier
kennelijk op het midden van de zeventigste jaarweek van Daniël. Het gaat
immers over "gedenk des ontfermens in de toorn." Wanneer de toorn, de
grote verdrukking, uitbreekt in het midden van de zeventigste jaarweek,
zal toch ergens een schuilplaats, een plaats "des ontfermens", voor het
gelovig overblijfsel moeten zijn?
 |
"God kwam (of: zal komen) van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn
heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn
lof." Hab.3:3 |
Hier wordt blijkbaar
gesproken over de plaats, van waaruit de Messias zal verschijnen, waarbij
meerdere plaatsnamen worden genoemd. Theman wordt meestal vertaald met het
zuiden. Omdat hier in één adem allerlei plaatsnamen genoemd worden, heeft
men terecht Theman eveneens als plaatsnaam opgevat. De naam Theman wordt
gegeven aan het gebied, zuidelijk van Palestina. En daar ligt Petra
inderdaad.
Bovendien staat
er, dat de Heilige van de berg Paran zal komen. Paran is de naam van het
gebied rondom Petra. In andere Schriftplaatsen wordt gesproken over "het
effen veld van Paran", maar ook over "de woestijn Paran" en "het gebergte
Paran". Dat is mogelijk, omdat deze naam wordt gegeven aan het gebied
rondom Petra, waarbij de oostzijde inderdaad bergachtig is terwijl de
westzijde het vlakke land is van de Wadi Araba ten zuiden (Theman) van de
Dode Zee.
Als wij niet alleen Theman opvatten als plaatsnaam, maar
ook het woord dat met berg is vertaald, komen wij eveneens in dit gebied
terecht! Het Hebreeuwse woord voor berg is "hor" of "har". Waarom zou dat
niet gewoon de naam zijn van de broemde berg Hor, direct ten zuidwesten
van Petra? Aäron stierf op deze berg en werd er als hogepriester opgevolgd
door zijn zoon Eleazar. Num.
20:22-29 Het is veruit de hoogste berg
in de wijde omgeving van Petra! Zo vinden we Theman; die naam is van
toepassing op dat gebied. We vinden Hor, de berg bij Petra en de
streeknaam Paran.
Vervolgens staat er: "Sela." Er
staat letterlijk in het Hebreeuws Selah. Grammaticaal betekent dat "te
Sela". De vertalers wisten daar blijkbaar geen raad mee en lieten het dus
onvertaald. Maar Sela is gewoon de naam van de oude hoofdstad van Edom. Na
de verovering van de stad door de Nabateën werd zij bekend onder de naar
het grieks vertaalde naam Petra.
De namen Theman,
Hor, Paran en Sela, spreken elkaar niet tegen. Zij zijn allen van
toepassing op ditzelfde gebied. De meest specifieke hebreeuwse naam Sela
wordt in dit hoofdstuk 3 maal gebruikt. Vs. 3, 9,
13 Daarnaast wordt de naam op dezelfde
wijze in de Psalmen nog 71 maal gebruikt en is ook daar onvertaald
gelaten. Hoewel ze zeer verhelderend zijn moet ik deze teksten hier helaas
buiten beschouwing laten.
Hij komt uit Bozra
Jes. 63
 |
"Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen,
van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in
Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die
machtig ben te verlossen." Jes.
63:1 |
De vraag: ""Wie komt er
van Edom?, kunnen wij beantwoorden: De Messias komt van Edom. Wij zouden ons echter een andere vraag stellen: Waarom
komt Hij uit Edom? Het antwoord kennen wij inmiddels.
Vanuit Petra,
de voormalige hoofdstad van Edom zal de Heer met de zijnen optrekken om
Jeruzalem en Zijn koninkrijk te bouwen! Dat Jeruzalem is weliswaar
verwoest, maar het zal worden herbouwd. Het overblijfsel zal niet in de
woestijn in Petra blijven, maar het zal uitgaan om Jeruzalem te bouwen en
een Israëlitische staat te vestigen. Van daaruit zullen de volkeren worden
onderworpen.
Voorzover de Heer niet uit de
hemel komt, komt Hij uit Edom en daarmee uit Theman, Hor, Paran en Sela.
Maar wat is Bozra?
Volgens de Bijbel is het een van
de belangrijke steden van Edom. Maar de ligging is eigenlijk helemaal niet
bekend. Natuurlijk, ergens ten noorden van Petra heeft men gemeend de
oorspronkelijke positie van deze stad te kunnen aanwijzen. Maar bewezen is
er niets.
Sela, Petra of Bozra?
Reeds jaren geleden heb ik mijn
vermoeden uitgesproken dat Bozra wellicht een andere naam is voor Petra.
Inmiddels ben ik daarvan overtuigd, maar niettemin is er een klein
verschil! Het is namelijk zo, dat Sela de officiële naam was van de
hoofdstad van Edom. Die stad was, zoals de naam zelf al suggereert,
bovenop een grote rots gelegen. Die rots wordt tegenwoordig aangeduid als
Umm el Biyara en steekt omhoog binnen het gebied dat wij nu Petra
noemen.
Wanneer men Petra vanuit de in
totaal ongeveer 1700 meter lange kloof, die als toegangsweg fungeert,
vanuit het oosten binnenkomt, ziet men schuin links voor zich, deze grote
berg met bijna loodrechte wanden. Via uitgehakte trappen kan men deze aan
de achterzijde (westzijde) beklimmen. Op de vlakke top bevinden zich nog
steeds de ruïnes van Sela, de voormalige Edomitische hoofdstad.
Toen koning
Amazia de Edomieten versloeg en tienduizend Edomieten van de rots naar
beneden duwde, 2Kron. 15:12 was dat vanaf deze rotsstad. Sela werd, nadat Jeruzalem
door Babel was verwoest, uiteindelijk ook ingenomen en verwoest door de
Nabateën, afstammelingen van Nabajoth, een zoon van Ismaël.
Gen. 25:13 De
Nabateën zijn echter niet bovenop die berg gaan wonen. Zij vestigden zich
1000 meter lager in het gebied dat geheel door bergen wordt
omringd. Men komt dit gebied slechts binnen
door de bekende Siq, de hierboven genoemde kloof dwars door de bergen. De
Nabateën hebben dat gebied Petra genoemd. Kortom, in de tijd van de
Griekse wereld kreeg de streek rondom de berg Sela de naam Petra. Strikt
genomen ligt Sela dus bovenop de berg aan de voet waarvan het gebied van
Petra zich uitstrekt.
Jesaja 63 vers 1 gebruikt de naam
Bozra. Bozra wordt vertaald met "fort" of "schaapskooi". Welnu, Petra
beantwoordt aan beide vertalingen. Want Petra is niets anders dan een
reusachtig fort; een enorme natuurlijke schaapskooi omgeven door bergen.
Ook deze schaapskooi heeft slechts één toegangspoort: een lange en
verhoudingsgewijs zeer smalle kloof. In het verleden heeft aan de ingang
van deze kloof, de Siq genaamd, ooit een echte deur gezeten. De schapen
konden via de deur, onder de roede door, de schaapskooi binnengaan. Die
roede kwamen we tegen in Ezechiël 20 vers 37. En beantwoordt de Siq
wellicht aan "de enge poort"?
De Heer zou Israël bijeenbrengen.
Hij zou hen onder de roede doen doorgaan. Zo gaan zij één voor één door de
enge poort de schaapskooi binnen. De poort, de Siq, is 3 meter breed en in
totaal 1700 meter lang en 50 meter hoog.
De kudde in de
schaapskooi Mich. 2
 |
"Voorzeker zal Ik u, o Jakob, gans verzamelen; voorzeker zal
Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als
schapen van Bozra; als een kudde in het midden van hare kooi zullen
zij van mensen deunen (gonzen)." Mic.
2:12 |
Hier staat, dat de Heer hen
tezamen zal zetten als schapen van Bozra. Anderen vertalen met:
"Ik zal ze, gelijk de
schapen, met elkander in een vaste stal doen." Luther
"Bij elkaar zal ik hen
zetten, als schapen in een omheining." Leidse
vertaling
Ik zal hen bijeenbrengen
als schapen in de stal." Prof.
Obbink
"Ik zal hen bijeenbrengen
als schapen in een kooi." Vertaling
NBG.
Indien men Bozra als eigennaam
opvat, moet men dus vertalen met: "Ik zal het (overblijfsel) als schapen
tezamen zetten in Bozra!"
 |
"De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen
doorbreken, en door de poort (de Siq) gaan, en door dezelve
uittrekken; en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de
Heere in hunne spits." Mic.
2:13 |
In vers 12 wordt gesproken
over de verzameling van Israël in de schaapskooi. Dat is in de eerste
helft van de zeventigste week van Daniël, maar ook na de zeventigste week
bij de val van Jeruzalem.
Vers 13 spreekt over hoe men
vervolgens de schaapskooi uitgaat. De Heer zou immers van Edom, van Bozra
komen? Hij zal met Zijn gelovig overblijfsel vanuit Petra
optrekken.
Vervolgens zal de Heer met Zijn
volk doorbreken, in de zin van uitbreken. Zij zullen door de poort gaan.
De plaats die God haar bereid heeft in de woestijn, heeft dus inderdaad
een poort. Dit past perfect op de situatie van Petra. Zij zullen door de
poort uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de
Heere in hun spits. Hier wordt de Koning genoemd, omdat het nu om de
openbaring van het Koninkrijk gaat.
Waar echter het overblijfsel als
schaapskudde wordt aangeduid vinden we de Heer hier ook als de Herder, Die
voor Zijn kudde uit gaat en die gevolgd wordt door Zijn schapen, die Zijn
stem kennen! Joh. 10
Wie de situatie van Petra kent,
kan net zo goed Ezechiël 37 naast Micha 2 leggen:
 |
"Ziet, Ik zal uwe graven openen, en zal ulieden uit uwe
graven doen opkomen, o Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land
Israëls." Ez.
37:12 |
In het gebied van Petra zijn
duizenden graven (spelonken, grotten). Waarom zou deze uitspraak niet
betrekking hebben op Petra? Bovendien zijn het uitspraken in verband met
de dorre doodsbeenderen, die weer levend zouden worden, terwijl deze
beenderen in de volgende verzen van Micha eveneens worden
genoemd.
|
Van Petra naar Jeruzalem
Jes. 16
Wanneer men Petra via de Poort van de
Siq, Bab es-Sikh, verlaat, gaat men in oostelijke richting. Wanneer
men daarna afbuigt naar het noorden in de richting van
Jeruzalem, komt men door het gebied van Moab. Men moet daartoe over de
beek Arnon; een dal van enige honderden meters diepte met vele
haarspeldbochten.
Daar begint het gebied van Moab. Wanneer men zover
noordelijk komt dat men op gelijke hoogte met Jeruzalem is (dat is voorbij
de Dode Zee), houdt het gebied van Moab op en begint het gebied van Ammon
(Aman). Wanneer men dus van Petra naar Jeruzalem trekt, moet men dwars
door het gebied van Moab.
Welnu, Jesaja 15 en 16 hebben het uiteindelijk
oordeel over Moab als onderwerp. In dat Schriftgedeelte worden allerlei
plaatsen genoemd die in dat gebied liggen, onder andere Ar-Moab, Kir-Moab
(Kerak), Nebo, en Medeba.
|
|
|
En midden in dat gedeelte zegt de
profeet:..
 |
"Zendt de lammeren van den heerser des lands van Sela af,
naar de woestijn henen, tot den berg der dochter van Zion."
Jes.
16:1 |
"De lammeren van de Heerser
des lands" vormen de kudde van de Herder. Zij zijn het gelovig
overblijfsel onder leiding van Christus Zelf. Sela ligt niet in het gebied
van Moab, maar zuidelijker, in Edom. De berg van de dochter van Zion is,
uiteraard, Zion. De lammeren komen dus uit de hoofdstad van Edom (Sela) en
gaan naar de hoofdstad van Jakob: Jeruzalem.
Hoewel ik vermoed, dat de
vluchtroute van Jeruzalem naar Petra loopt via En-Gedi aan de westzijde
van de Dode Zee, maken deze verzen duidelijk, dat de terugkeer uit Petra
naar Jeruzalem zal plaats vinden door het gebied van Moab; dus langs de
oostelijke route. Dit wordt door de profeet ook
bevestigd:
 |
"Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees gij hun
een schuilplaats voor het aangezicht des verstoorders; want de
onderdrukker heeft een einde; de verstoring is (zal) te niet
geworden; de vertreders zijn van de aarde (of: uit het land)
verdaan." Jes.
16:4 |
De route van Sela naar
Zion gaat door Moab; dat is over de "koninklijke weg", Num. 20:17 op de wegwijzers
nog steeds aangegeven als "The Kings Highway".
"De
onderdrukker heeft een einde" heeft te maken met de grote verdrukking, die
voor Israël zal worden beëindigd en inderdaad niet langer zal duren dan
tot het einde van de zeventigste jaarweek. Vgl.
Mat. 24:22
 |
"Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid,
en op denzelven zal bestendig een zitten in de tent van David, een,
die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid."
Jes.
16:5 |
Onder dit vers staan in mijn
Bijbel verwijzingen naar Jes. 9:6; Dan. 7:14, 27; Mic. 4:7; Luk. 1:33.
Daar staan dezelfde termen, aangaande de troon van de Zoon van David in
Zion.
Enkele andere argumenten
Er zijn nog meer Schriftplaatsen,
waarin over dit onderwerp wordt gesproken. Deze zijn echter minder
opvallend. De namen Sela, Paran en Edom spelen daarin voor ons wel een
belangwekkende rol, wanneer wij beseffen dat het om geschiedenissen met
een profetische betekenis gaat.
Dat is bijvoorbeeld de
geschiedenis van David die voor Saul moest vluchten. Hij ging van
Bethlehem, dat ten zuiden van Jeruzalem aan de westzijde van de Jordaan
ligt, naar En-Gedi. 1Sam. 24:1 En-Gedi ligt aan de westoever halverwege de Dode
Zee.
Nadat Samuël was gestorven,
ging David vervolgens verder naar Paran. 1Sam.
25:1 Wanneer we dit profetisch
interpreteren, krijgen we het vermoeden dat de vluchtroute van Jeruzalem
naar Paran inderdaad langs de westkant van de Jordaan en de Dode Zee
loopt. In En-Gedi zijn ook allerlei rotsen en spelonken. Men heeft mij
zwart op wit verzekerd, dat vanaf En-Gedi de berg Hor, die aan de westkant
van Petra ligt, te zien is. Vanaf En-Gedi is de route naar Petra dus
gemakkelijk te volgen.
Zacharia 9 gaat over de
"kastijding van verschillende volkeren." In vers 2 en 3 wordt Libanon
(Tyrus en Sidon) genoemd. Vervolgens worden in vers 5 en 6 Askelon, Gaza,
Ekron en Asdod genoemd. Deze plaatsen liggen in de Gazastrook, het land
der Filistijnen. Het zal dus ook slecht aflopen met de Palestijnen. Daarna
wordt kennelijk over de komst van de Messias op de Olijfberg gesproken. De
uitspraak in Zacharia 9 vers 9 wordt weliswaar van toepassing gebracht op
de gebeurtenissen aan het einde van de negenenzestigste week van Daniël.
Maar ongetwijfeld past zij tevens op het einde van de zeventigste week.
Immers, eerst daarna zal dit oordeel over de verschillende volken plaats
vinden! De profeet vervolgt met: ..
 |
"En de Heere zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen
zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere Heere zal met de bazuin
blazen en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden (Theman)."
Zach.
9:14 |
In dit vers
is Theman vertaald met "het zuiden". Laten we het onvertaald, dan wordt
ook hier de uitspraak uit Habakuk 3 bevestigd: De Heer zal van Theman
komen. En ook langs deze weg komen we weer terecht bij Petra, Sela, Bozra
en Paran. Er hoeft dus geen twijfel te
bestaan over het feit dat er maar één aardse schuilplaats zal zijn voor
het gelovig overblijfsel uit de grote verdrukking.
Die schuilplaats is zeker niet in
Jeruzalem, niet in Kanaän, maar in Edom. In Sela. In de plaats van God
bereid. Gereserveerd voor Israël.
Zou de uitspraak "op deze
petra zal Ik Mijn gemeente bouwen" Mat.
16:18 wellicht nog een andere,
profetische, betekenis krijgen?
|