|
"Maar onze wandel is in de hemelen" (Fillipensen
3:20a)
Als Nicodemus, een overste der Joden, in de nacht een
bezoek brengt aan de Here Jezus, beluistert hij daar vreemde en
wonderlijke dingen. Zij gaan zijn begrip te boven; hij verstaat het niet.
De Here zegt :..
 |
"..Voorwaar,
voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom
geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien".
Johannes
3:3
|
Hoe kan dat? Menig christen glimlacht over deze vraag van de overste.
Immers dat is de wedergeboorte! Wist Nicodemus dan hier niet van? Het
blijkt van niet en zo eenvoudig is het ook niet, want alhoewel men de
wedergeboorte als noodzakelijkheid en feit aanvaardt, wil dit nog niet
zeggen, dat men dit feit ervaart en beleeft. Welke waarde heeft het, dat
iemand wedergeboren is, als dat wedergeboren leven niet wordt gezien?
Nicodemus kon het ook niet weten. Hij had wel kunnen
weten, dat een nationale wedergeboorte van zijn eigen volk, in de toekomst
zou plaats vinden. Want hierover had de profeet Jeremia oudtijds
geschreven. Deze nationale wedergeboorte stond in verband met de Messias,
die zou komen om het Koninkrijk wederom op te richten. Van een
individuele, persoonlijke wedergeboorte had Nicodemus echter nog nooit
gehoord. Ook de profeet Ezechiël verhaalt van de wedergeboorte van het
volk Israël (Ezechiël 37).
Doch dat, in Nicodemus' tijd, toen er geen spoor was van glorie en
heerlijkheid voor Israël, iemand
zou kunnen worden wedergeboren, dat was hem onbegrijpelijk.
Toch staat Nicodemus niet zo alleen, als velen, die in de christelijke
leer opgevoed zijn, denken. Immers, welke waarde heeft de theoretische
aanvaarding van het feit der wedergeboorte, wanneer de vruchten er van
niet gezien worden? Wedergeboren zijn, wil zeggen: "eeuwig
leven" hebben. Iemand die het "eeuwige leven" heeft, is
wedergeboren. Deze wedergeboorte is een daad van de Geest van God, die Hij
teweegbrengt in een iegelijk, die in Jezus Christus gelooft als de drager
van zijn persoonlijke zonde. De Here laat volgen in Johannes
3:16
 |
"Want
alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon
gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet
verderve, maar het eeuwig leven hebbe".
Johannes
3:16 |
Een christen is iemand die wedergeboren is, iemand die "eeuwig
leven" heeft, omdat hij het getuigenis, dat God getuigt van Zijn
Zoon, geloofd heeft. Zulk een christen mag zichzelf gerust afvragen:
“wordt dat eeuwige leven openbaar, nu ik het bezit? Of wordt mijn oude
leven openbaar?
Wat is dat oude leven? Immoreel, goddeloos? Niet noodzakelijk. Paulus was
in zijn oude leven, naar de
rechtvaardigheid, die uit de Wet is, onberispelijk (Filippensen
3:6). Maar Paulus wenste als wedergeborene nu niet meer een
rechtvaardigheid, die uit de Wet was. Hij zegt, dat wat hem vroeger
"gewin" was, nu "schade" geacht wordt. Immers de Wet
kon alleen op de niet-wedergeboren mens gelegd worden, en hem hoogstens
doen wensen beter te leven, doch de Heiland zegt :
 |
"Hetgeen
uit het vlees geboren is, dat is vlees" Johannes
3:6 |
Het zal ook nooit ophouden vlees te blijven, hoe vroom dat vlees ook
wordt. Het is het oude leven. Het is de "oude mens" en de
christen blijft slaaf der zonde, zolang hij onder de Wet leeft. De
christen wordt eerst vrij, als hij onder de genade komt (Romeinen
6:14). Menig christen staat even vreemd tegenover de wedergeboorte als
Nicodemus, terwijl de Heiland hem toch een "leraar" van Israël
noemt. Het wedergeboren leven, het "eeuwige leven", is de
nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en
heiligheid (Efeze 4: 24). Die
nieuwe mens, doodt, steelt en vloekt niet. ".. hij kan niet zondigen,
want hij is uit God geboren" (1
Johannes 3.9b).
Het woord "wedergeboren" in Johannes
3:3 is hetzelfde in het Grieks (anothen) als het woord "van
boven" in Johannes 3:31.
Letterlijk zegt de Heiland dan ook: "tenzij dat iemand van
boven geboren worde".
Israël was een aards volk, met een aardse levensregel
en ook met een aardse toekomst. De christen behoort bij een hemels volk.
Dit hemelse volk heeft ook een hemelse levensregel en ook een hemelse
toekomst. Wanneer men dit onderscheid niet opmerkt of erkent, dan is het
resultaat dat een christen, die inderdaad “van boven" geboren is,
op aarde wandelt als een Israëliet en zodoende praktisch zijn
wedergeboorte ontkent.
In Romeinen 3:21 zegt Paulus :
 |
"Maar
nu, is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden
zonder de wet." Rom 3:21 |
Dat woordje "nu" duidt een zeker tijdstip aan. Hij wil zeggen:
"Nu" in deze tijd gebleken is, dat er niemand is die God zoekt,
"nu" terwijl er niemand is die rechtvaardig is, "nu"
terwijl er niemand is die goed doet, "nu" terwijl geen vlees
gerechtvaardigd zal worden uit de werken der Wet "nu", is er een
nieuwe rechtvaardigheid geopenbaard zonder de Wet, namelijk de
rechtvaardigheid, die geopenbaard is door Jezus Christus. Hij is de
Rechtvaardige; en bekleed te worden met Zijn rechtvaardigheid, die in
liefde en genade openbaar is geworden, werd “nu" Gods eis jegens de
wedergeborene. Paulus achtte, nu hij wedergeboren was, een
rechtvaardigheid uit de werken der Wet schade en drek.
Nu hij in Christus was, wenste hij niet bevonden te worden in het bezit
van zijn rechtvaardigheid die uit de wet was, maar hij wenste die
rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof deelachtig te
worden. Deze rechtvaardigheid heeft te doen met de persoon van Christus en
met de kracht van de Heilige Geest, de kracht Zijner opstanding. Zij
betekent gemeenschap hebben met het lijden van Christus en het doodvonnis
aanvaarden, dat Christus voor hen, die in Hem geloven, gedragen heeft.
Deze rechtvaardigheid heeft te doen met het nieuwe, van boven geboren,
leven. Het is het eeuwige leven, het leven van Christus, "Die het
eeuwige Leven is" (1 Johannes
5:20). De begeerte van de apostel was dan ook, dat hij zou komen tot
de opstanding uit de doden (Filippensen
3:11). Hij denkt daarbij niet aan de lichamelijke opstanding; daarvan
was hij immers wel zeker. Hij denkt aan het opstandingsleven, het nieuwe
leven. Een leven dat door de Geest van God, openbaar gemaakt, een opstaan
van uit de dode duistere wereld en het licht van Christus-in-ons daarover
uitstralend.
Daarom zegt hij dan ook in datzelfde 3e hoofdstuk van de Filippensenbrief.
"onze wandel is in de hemelen". Dit woord wandel heeft iets te
doen met het woord politiek dat wij kennen in onze taal. In het Grieks is
het "politeuma". Het is de zetel van het gouvernement, waarvan
wij burgers (Gr. polites) zijn en jegens hetwelk wij rechten en
verantwoordelijkheid hebben. Andere vertalingen luiden "ons
burgerschap is in de hemelen".
In het eerste hoofdstuk van deze brief zegt de apostel:..
 |
"..alleenlijk
wandelt (Gr. politeuma) waardiglijk het Evangelie van
Christus" Filippensen 1:27 |
De bedoeling is: beoefen uw burgerschap, wandel in
overeenstemming met uw geboorte, die van boven is.Onze politiek behoort
hemels te zijn. D.w.z. onze levensopenbaring als burgers van de hemel
behoort afgestemd te zijn op de dingen die boven zijn. Paulus zegt in de
Kolossensenbrief :
 |
"Indien
gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven
zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt
de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn" Kolossensen
3:1-3 |
De wijze waarop dit geschiedt, laat hij zien in vers 5:
 |
"Doodt
dan uwe leden, die op de aarde zijn......."Kolossensen 3:5 |
Met andere woorden....
 |
"..houdt
het daarvoor, dat gij wel der zonde (oude mens) dood zijt, maar
Gode levende (nieuwe mens) zijt in Christus Jezus, onzen Heere"
Rom 6:11 |
Heeft Christus Zichzelf niet gegeven,..
 |
"..opdat
Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de
wil van onze God en Vader"? Galaten 1:4 |
Onze politiek is hemels! Onze roeping is hemels (Hebreeën
3:1). En deze roeping wordt op aarde verwezenlijkt. Zij bestaat niet
in het bestrijden van zonden onder de Wet, niet in een trachten om die
oude mens te doen leven in het gareel van de 10 geboden. Neen, ze bestaat
in het voor "gestorven" houden van de oude mens, en in het voor
"levend" houden van de nieuwe mens-in-ons, d.i. Christus-in-ons.
Dat leven heeft zijn kenmerken, die neergeschreven zijn in de brieven van
de apostelen. Deze kenmerken zijn voor de gelovige als bakens, waarnaar
hij zich kan richten. De eerste les die hij hier op aarde moet leren is,
dat het Christus-leven een vrucht is van de Geest! Een vrucht, die heel
natuurlijk openbaar wordt, als het oog des geloofs geslagen is op de
Heiland der zielen. Het is door Hem dat wij het leven verkrijgen, maart is
ook door Hem, dat wij dat verkregen leven - d.i. Zijn leven – openbaar
maken. Zegt Paulus niet in Galaten
2:20:..
 |
"..Ik
ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar
Christus leeft in mij". Galaten 2:20 |
Toen wij nog niet gered waren, geloofden we in de Here Jezus en de Geest
van God maakte ons levend. Nu wij dat leven ontvangen hebben, geloven we
in Hem, Die alle dingen onderhoudt, en het is Zijn Geest Die dat nieuwe
leven in werking stelt. De vrucht is dan,..
 |
"..liefde,
blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierendheid, goedheid,
geloof, zachtmoedigheid, matigheid.." Galaten
5:22 |
De apostel laat er op volgen: "tegen de zodanigen is de Wet
niet". Niet die zo doen,
maar die welke zo zijn
(de zodanigen) komen nooit in conflict met de Wet. Zij leven hoger dan de
Wet: zij leven "hemels".
|