|
 |
"Zo is er dan nu geen veroordeling
voor hen, die in Christus Jezus zijn."
Rom. 8:1 |
Hier hebben we één van de machtigste woorden van de Goddelijke
openbaring voor ons. Het is één van die woorden, die voor zichzelf
spreken en geen verklaring nodig hebben. Zelfs een kind kan ze
begrijpen. Door alle tijden heen heeft deze uitspraak van Paulus de
belangstelling gewekt.
Katholieke en protestantse theologie.
De Rooms-katholieke theoloog kan deze
logische gevolgtrekking van de apostel niet ontkennen. Opdat echter
God niet alleen de eer voor de verlossing van de mens zou ontvangen
en er ook nog een weinig verdienste voor hemzelf zou overblijven,
voegt hij aan de openbaring Gods toe, wat de geschiedenis en de
filosofie van Rome in de onuitputtelijke bronnen van hun
overlevering bezitten en daardoor maakt hij het historische
christendom feitelijk krachteloos.
Ook de moderne theoloog, die zich "protestant" noemt, kan zich
aan de heerlijke vaststelling van de apostel niet onttrekken. Maar
hij moet ook iets doen om zijn eer op te houden en de nimbus van
zijn half-"wetenschap" te handhaven en zijn theologie -
die doorweven is van loocheningen van vaststaande Goddelijke feiten
- overeind te houden. In dit opzicht is zijn handelwijze erger dan
die van Rome. Want Rome laat over het algemeen de grote feiten van
de christelijke leer nog onaangetast; maar door haar overleveringen
maakt zij die krachteloos en verhindert zij haar volgelingen het
lezen van het Boek, dat God aan alle mensen gegeven heeft.
De "nieuwe" protestantse theologie daarentegen tast de
fundamentele waarheden van het christelijke geloof aan en drijft
deze grote geestelijke lastering zo ver door, dat zij zelfs de
verzoening door het Bloed van de Goddelijke Plaatsvervanger, de
lichamelijke opstanding van de Zoon van God
en het onfeilbaar gezag van
God en Zijn woord loochent. Zij slaat iedere zondag de Bijbel open
en geeft daarbij haar gelovigen
slechts dat, wat zij zelf bezit: Een verkorte Bijbel die geen
Bijbel meer is, die van haar bovennatuurlijk karakter en kracht is
beroofd. De verloochening ook van het grote grondbeginsel van de
Reformatie, wiens naam zij geheel ten onrechte nog steeds draagt.
In beide gevallen evenwel openbaart deze toestand de dwaasheid van
de mens. En dat is juist een bewijs voor de echtheid en de
onfeilbaarheid van de Heilige Schriften, die Rome zijn gelovigen
onthoudt en die door de "protestantse theologie" in
stukken wordt gescheurd. Want "Gij hebt die dingen voor wijzen
en verstandigen verborgen, doch aan kinderkens geopenbaard."
Mat. 11:25
Goddelijke
Rechtswetenschap.
"Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus
Jezus zijn." Dit woord zouden we een samenvatting of een
eindconclusie kunnen noemen van een verdedigingsrede, die de
advocaat voor de rechter gehouden heeft en nu zijn laatste woord
spreekt. En ziedaar, wonder boven wonder, de aangeklaagde wordt
begenadigd, de schuldige voor rechtvaardig verklaard en de slaaf tot
zoon, ja tot erfgenaam en bezitter van onmetelijke voorrechten
verheven, die Paulus ons beschrijft. Hij wordt zelfs tot "een
nieuwe schepping in Christus Jezus."
 |
"Zo is dan wie in Christus is een
nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het
nieuwe is gekomen."
2Kor. 5:17 |
In een wonderlijke taal, in een even
duidelijk als logisch betoog van onfeilbare rechtsgeleerdheid stelt
Paulus ons de mens voor. Hetzij Jood, hetzij Griek, godsdienstig of
ongodsdienstig, hij veroordeelt hem in alle opzichten en brengt al
zijn lezers en toehoorders tot de volgende, onvermijdelijke slotsom:
Omdat wij allen "zonder God en zonder hoop in de wereld"
zijn en onze mond tot zwijgen gebracht is, moeten wij ons tegenover
God voor schuldig verklaren!
 |
"Wij weten nu. dat de wet, bij al
wat zij zegt, tot hen spreekt, die onder de wet zijn,
opdat alle monden gestopt en de gehele wereld strafwaardig
worde voor God." Rom. 3:19 |
Nadat Paulus dit feit uitdrukkelijk
heeft vastgesteld, ontwikkelt hij voor ons de enig-bestaande, ware
theologie (wij gebruiken hier dit woord in zijn eigenlijke
betekenis). Hij openbaart ons de Goddelijke Zaligmaker en de
"zaligheid der genade", die twee zijden heeft. 1. De
juridische zijde - gerechtigheid; 2. De evangelische zijde - genade
voor de zondaar, die in deze Zaligmaker gelooft. "Zo is er dan
geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn."
Met deze slotsom is een doel bereikt en
zij vormt tegelijkertijd het uitgangspunt van een nieuw, daaruit
voortvloeiend leven. Wij willen daarbij wijzen op drie belangrijke
punten:
1 - De mens onder de wet.
2 - De mens onder de genade.
3 - De mens als gevolg van de werkzaamheid
der genade.
1-
De
mens onder de wet.
De
Goddelijke wet van onbeperkte
gerechtigheid stelt drie feiten vast:
 |
1 |
"Wij weten, dat de wet bij al wat
zij zegt, tot
hen spreekt, die onder de wet zijn." Rom.
3:19 |
 |
2 |
"De wet voert heerschappij over de
mens zolang hij leeft." Rom. 7:1 |
 |
3 |
"De wet is er bij gekomen, opdat de
overtreding toenam" Rom. 5:10
"....... toen het gebod kwam, begon
de zonde te leven." Rom. 7:9
|
Wat betekenen deze woorden? De wet
openbaart de mens zijn zonde, arresteert hem en veroordeelt hem. Hij
kan niet ontvluchten; hij heeft geen hoop, geen verontschuldiging
meer. Wat de wet zegt, zegt zij tot hen, die onder de wet zijn; zij
veroordeelt allen, de heidenen en de Joden, de moderne en
godsdienstige mensen, de goddelozen en de vromen, die zich in hun
ingebeelde, onwaarachtige vroomheid nog het recht aanmatigen,
anderen te oordelen. Het is te begrijpen, dat de moderne mens van
vandaag niets moet hebben van de godsdienstige wereld, want hij
doorziet haar onwaarachtigheid; haar onechte, lege, ijdele vormen en
uiterlijke omhulsel. Maar hoewel zijn gevoel voor gerechtigheid dat
van de farizeeër overtreft, gelijk Jezus Christus zegt, blijft hij
echter in een gevaarlijke positie verkeren door de schuld van een
leven, dat vijandig staat tegenover God en Zijn Evangelie.
De mens wordt dus voor schuldig
verklaard, omdat hij de wet overtreden heeft. Wij allen hebben dat
gedaan, ja, ook "gij, die u Jood laat noemen" en voorgeeft
"godsdienstig" te zijn, u hebt de wet overtreden, zwaarder
zelfs dan de mens van de wereld. Want u laat zich erop voorstaan,
iets te hebben en te zijn; maar innerlijk verkeert u in een toestand
van zedelijk verderf en van vijandschap tegen God.
De
godsdienstige mens is abnormaal.
De wet openbaart het. In de grond van de zaak is de godsdienstige
mens abnormaal; want hij doet zijn best, om voor de mensen iets te
schijnen, wat hij voor God niet is. De wereldse mens daarentegen is
normaal; want hij beweert niet iets anders te zijn dan dat, wat hij
in werkelijkheid is.
Voor de godsdienstige mens geldt het
woord van Jezus Christus: "Het is gemakkelijker, dat een kameel
gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het koninkrijk
Gods binnengaat." Mark. 10:25
Maar de wereldse mens, die zijn toestand
voor God erkent en zich tot Hem om vergeving wendt, neemt Hij zonder
verdere voorwaarden aan; Hij verwacht alleen geloof. "Er is
geen onderscheid..... al wie de naam des Heeren aanroept, zal
behouden worden." Rom. 10:12, 13
Het is onmogelijk, om door de werken der
wet gerechtvaardigd te worden. Onze werken kunnen het vonnis van de
wet niet ongedaan maken; zij zijn voor God niet meer dan een "wegwerpelijk
kleed." Jes. 64:5
De toestand van de schuldige is zo
wanhopig, zijn schuld zo groot, dat hij ook niet het minst kan doen
om zijn talloze overtredingen ongedaan te maken of te verzoenen. In
hemzelf en in zijn werken is niets te vinden, waardoor hij de gunst
van God zou kunnen verdienen. Het gaat hier niet om gevoelens of
meningen; de mens staat voor een juridisch feit, een gerechtelijke
verklaring waarvoor hij buigen moet: Hij is schuldig en daarbij
blijft het.
"Wat de wet zegt, zegt zij tot hen,
die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld
strafwaardig worde voor God. Eerst
daarna wordt de rechtvaardiging uit het geloof en "de zaligheid
uit genade" aangekondigd.
God zelf biedt de zaligheid aan op grond van het eenmalige en
volkomen genoegzame werk van Zijn Zoon Jezus Christus.
De
mens is een slaaf.
Maar de mens is niet alleen schuldig;
hij is ook gebonden; hij is een slaaf van de zonde. Zijn meester is
de in hem wonende zonde-natuur en het loon daarvan is de dood. Rom.
6:23
"Hij is verkocht onder de zonde" Rom.
7:14 en kan zichzelf niet bevrijden."
 |
"Want wat ik uitwerk, weet ik niet;
want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van
heb, dat doe ik." Rom. 7:15 |
Zo spreekt een slaaf en in deze toestand bevinden wij ons allen. Ook
de godsdienstige mens, die onder de wet leeft, is een slaaf evenals
de anderen.
Misschien kan hij de door hem
gekoesterde en gepleegde zonden voor zijn omgeving verbergen.
Misschien lukt het hem, om zijn werkelijke toestand onder een kleed
van uiterlijke vroomheid te bedekken. Maar zijn godsdienstig systeem
en zijn eigen - gerechtigheid maken hem juist tot een slaaf. Hij
levert daarvan zelf het bewijs door zich als uitgesproken vijand te
verzetten tegen de werkzaamheid van de Geest des levens en de
waarheid van Christus. Hij wederstaat de waarheid in naam van zijn
overleveringen en verzet zich tegen het Goddelijk leven, omdat hij
met een geest des doods bevangen is. Daarom veroordeelt God hem met
de woorden: "Gij hebt de naam, dat gij leeft; maar gij zijt
dood." Op. 3:1
Zoals de slaaf zijn heer gehoorzamen
moet, zo wordt de godsdienstige mens gedwongen om te zijn, wat hij
is.
En uiteindelijk is zijn toestand veel
erger dan die van een man of vrouw met een slechte reputatie. Want
hij houdt niet alleen in zijn leven heimelijk aan dingen vast, die
God veroordeelt, maar hij misbruikt ook de Goddelijke dingen en de
Naam van God, om zijn geweten gerust te stellen en zijn medemensen
te misleiden. De godsdienstige mens is abnormaal, werkelijk
abnormaal. Hij is niet oprecht, noch voor zichzelf noch voor God;
hoe kan hij het dan voor zijn medemensen zijn? Dit soort mensen
vormen een bron van ergernis voor de wereld; zij stoten de moderne
mens af.
De moderne mens is normaal.
De godsdienst, beter gezegd déze" godsdienst, is een van de
grootste rampen in onze dagen. Evenals trouwens in de tijd van de
Heer Jezus Christus. Geen eerlijk en oprecht mens zal dat ontkennen.
Waarom zou hij het ook ontkennen? De zondaar, de moderne mens, is
normaal; want hij geeft zich zoals hij is. Hij weet wie hij is en
wil zich ook niet anders voordoen.
In deze toestand is hij gereed voor het
heil; en hoeveel te meer is God bereid hem te redden op de ene
voorwaarde, dat hij gelooft. Want de Schrift zegt:
 |
"Er is geen onderscheid tussen Jood
en Griek; immers één en dezelfde is Heer over allen;
rijk voor allen, die Hem aanroepen; want, al wie de Naam
des Heren aanroept, zal behouden worden." Rom.
10:11-13 |
Maar meer nog. Volgens bovenstaand "requisitoir" werd de
mens voor schuldig verklaard en veroordeeld; nu voegt de apostel er
nog aan toe, dat hij bovendien moreel ziek is, innerlijk verdorven,
een hulpeloos wrak.
 |
"Ik, ellendig mens ! Wie zal mij
verlossen van het lichaam dezes doods?"
Rom. 7:24 |
Hij voelt zich als een ter dood veroordeelde, die een lijk op zijn
rug gebonden heeft: "Wie zal mij verlossen van het lichaam
dezes doods?" Ja, om een lichaam des doods gaat het, om
volkomen verderf. Dat is de toestand van een mens, die onder de wet
leeft. In één woord: Zijn mond is gestopt; hij moet dat erkennen.
En als hij zover is, dan is hij ook geschikt voor de zaligheid. Zijn
hart is toebereid, om het woord des geloofs in zich op te nemen.
Moderne mens, wie of wat u ook bent, die deze feiten en onthullingen
van het Goddelijke Gerechtshof onder ogen ziet,
 |
"Zeg niet in uw hart: Wie zal ten
hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of:
Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit
de doden te doen opkomen..... Nabij u is het woord, in uw
mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat
wij prediken: Want indien gij met uw mond belijdt, dat
Jezus Heer is en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de
doden opgewekt heeft, zo zult gij behouden worden; want
met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond
belijdt men tot behoudenis." Rom. 10:6-10 |
2
-
De
mens onder de genade.
De zaligheid is volkomen uit genade,
maar - dat willen wij bijzonder onderstrepen - op grond van
gerechtigheid. Genade zou geen genade zijn, als zij niet de vrucht
van het Goddelijk recht was. Omdat zij echter uit de gerechtigheid
Gods voortspruit, is zij Goddelijk en krachtig; precies dat, wat de
mens die zijn zonde erkent en tot God de toevlucht neemt, nodig
heeft,.
In Romeinen 3:19-21 lezen wij:
 |
"Wij weten, dat de wet, bij al wat
hij zegt, tot hèn spreekt, die onder de wet zijn, opdat
alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde
voor God, daarom, dat uit de werken der wet geen vlees
voor Hem gerechtvaardigd zal worden; want de wet doet
zonde kennen. Thans is echter buiten de wet om
gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de
profeten getuigen." Rom 3:19-21 |
De Goddelijke genade kan slechts als
gevolg van die handelingen van het Goddelijk recht werkzaam zijn.
A
- De gerechtigheid wordt buiten de Wet om geopenbaard.
|
|
Hier hebben wij het grote, fundamentele
dogma van het christendom, de Goddelijke betekenis van het Kruis van
Jezus Christus.
Het is waar, dat Gods liefde daar aan de
dag treedt; maar in de allereerste plaats, wordt daar Gods
gerechtigheid geopenbaard.
"Genade en waarheid ontmoeten
elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar." Ps.
85:11
Het
kruis een "ergernis" en een "dwaasheid".
Het historische christendom, het Goddelijk heil uit genade, is de
openbaring van het werk der gerechtigheid. Het huidige christendom
met zijn voortdurend wisselende filosofische leringen is in feite
een ontkenning van het Goddelijk heil uit genade. Het kent niet de
genade Gods, die de zondaar rechtvaardig spreekt. Het loochent de
Goddelijke gerechtigheid, die de zonden van de mens door het bloed
des Zoons van God verzoent.
Dat is "de verborgenheid der godzaligheid" die het
verstand van de mens ver te boven gaat. Dit is voor de godsdienstige
mens een ergernis en voor de verstandelijke mens een dwaasheid. Want
evenals vroeger is ook vandaag "het woord des kruises" een
"ergernis" voor de godsdienstige en een
"dwaasheid" voor de intellectuele mens. De eerste verliest
zich in zijn eigen-gerechtigheid, de laatste in zijn eigen-wijsheid.
Maar..
 |
"het woord des kruises is wel voor
hen, die verloren gaan, een dwaasheid; maar voor ons, die
behouden worden, is het kracht Gods." 1Kor.
1:18 |
Waarom
deze "ergernis" ? Waarom deze "dwaasheid"?
Omdat het kruis de zonden van de
godsdienstige mens aan de kaak stelt en het verderf, dat onder zijn
eigen-gerechtigheid verborgen ligt, onthult. Omdat het aan zijn
werken alle waarde ontneemt en zijn hoogmoed breekt. Want de mens
wordt daar geconfronteerd met het algenoegzame werk van Jezus
Christus, die als Plaatsvervanger en Vertegenwoordiger van de
mensheid de zonden van de schuldige droeg, de straf daarvoor
onderging en ze door Zijn kostbaar Bloed verzoende. Er staat
geschreven: "Zonder bloedstorting geschiedt er geen
vergeving." Heb. 9:22
Hier hebben wij de grond van de
veroordeling, namelijk, dat dít licht in de wereld gekomen is, maar
dat desondanks de theoloog aan de nevel van zijn speculaties en aan
de duisternis van zijn eigen-wijsheid de voorkeur geeft boven dít
licht van het Woord van God.
De rooms-katholiek maakt het kruis
krachteloos, omdat hij de kerkelijke overleveringen aan het werk van
Christus toevoegt.
De protestant richt de "tafel des
Heren" op en waagt het "brood te breken" en" de
beker te drinken." Maar hij loochent en ontheiligt het bloed en
zijn verzoenende kracht, waarvan deze zelfde beker het zinnebeeld
is.
De dwaasheid der mensen kent geen
grenzen. Maar het geduld van God wél. En als Hij het oordeel nog
uitstelt, dan doet Hij dat alleen, opdat de mensen zich alsnog
zouden bekeren eer het voor eeuwig te laat is. 2Pet. 3:29 Het
Goddelijk oordeel drukt dus zwaar op de godsdienstige wereld en
bovenal op hun leiders, die zowel voor God als voor mensen schuldig
zijn.
 |
"Hoeveel zwaarder straf, meent gij,
zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden,
het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en
de Geest der genade gesmaad heeft." Heb. 10:29, 30
|
Het wordt voor de mens de hoogste tijd,
om deze handel met zijn ziel niet langer te dulden. Hij heeft immers
de Bijbel en kan voor zich zelf lezen. Want de Bijbel is noch
"katholiek", noch "protestants", noch
"communistisch", noch "burgerlijk", en geen
handelsartikel, maar Goddelijk. En ieder schepsel heeft er recht op
zonder ras- of standsverschil.
Ook voor de ware gelovigen in alle
christelijke kerken is de tijd aangebroken, om de met onze gezegende
Heiland, onze Heer en God, gedreven handel niet langer te tolereren.
Zwijgen betekent Hem verloochenen; protesteren en handelen betekent
het bewijzen van onze liefde zowel voor Jezus Christus als voor de
mensen, in de hoop, dat zij de "liefde der waarheid zullen
aannemen, om behouden te worden." 2Thes. 2:10, 12
Het
kruis, de openbaring van Gods Gerechtigheid.
Ja, het kruis van Golgotha, de dood van
Jezus Christus, is iets geheel anders dan hetgeen een "valse
godsdienst" predikt. Het is de openbaring van de gerechtigheid
Gods. Daar ontlaadt zich Zijn toorn over Hem, die door de Heilige
Geest verwekt en daarom zonder zonde was; Die voor ons gekruisigd en
als een zondaar behandeld werd, opdat wij door Hem voor God
gerechtvaardigd zouden worden. O mens, wie en wat u ook bent, zie op
naar het kruis. "Wendt u tot Mij, alle einden der aarde en laat
u verlossen." Ja, als u de toevlucht tot Hem neemt, dan zult u
behouden worden.
Bij het kruis ziet u de zonde, uw zonde,
en het gericht over haar; daar ziet u de gerechtigheid Gods
geopenbaard en bevredigd in het éne offer en het volkomen werk van
Hem, "die ons liefgehad heeft en Zich voor ons heeft
overgegeven." Gal. 2:20
Hebben wij meer nodig? "Zo is er
dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.
|
B
- De gerechtigheid Gods wordt toegerekend.
|
|
Wat kunnen een crucifix of een dode,
gekruisigde, Heiland de mens anders brengen dan de dood? Maar
"God is niet alleen een God van doden, maar van levenden."
Mat. 22:32
Aan het kruis werd de gerechtigheid Gods
door de dood van de Heere Jezus geopenbaard. En op grond van Zijn
lichamelijke opstanding uit de doden wordt thans deze gerechtigheid
Gods aan de begenadigde zondaar toegerekend; een tweede Goddelijke
rechtsdaad.
Op Golgotha werden onze zonden gelegd op
de Goddelijke Plaatsvervanger, die ze droeg en verzoende.
En nu rekent Jezus Christus, nadat Hij
de zonden heeft weggenomen op grond van Zijn opstanding uit de doden
Zijn eigen gerechtigheid toe aan de zondaar, die in Hem gelooft. God
geeft ons daarom de eeuwige zekerheid, dat Hij het offer van Zijn
Zoon heeft aanvaard en dat Hij ons als Zijn kinderen heeft
aangenomen. "Het beste feestkleed" uit de gelijkenis van
de verloren zoon ligt hier voor ons gereed. In volkomen
gerechtigheid en genade heeft God dat kleed bereid, om de zwaarste
en schuldigste zondaar daarmee te bedekken. In zulk een daad wordt
God verheerlijkt.
Evenals de vergeving der zonden door het
kruis van Christus verzekerd is en op de autoriteit van de Heilige
Schrift rust, zo heeft ook de positie van het Kind van God als
"gerechtvaardigd uit het geloof" haar enige rechtsgrond in
het Woord van God. God zegt het en dat moet ons voldoende zijn!
Inplaats van te bouwen op het drijfzand
van menselijke gevoelens en inspanningen waardoor tegenstelling en
desillusie onvermijdelijk zijn, rust het geloof van het hart, hoe
zwak het ook moge zijn, uitsluitend op wat Christus gedaan en wat
God gezegd heeft. Dat is Gods wijsheid en kracht voor degene, die
gelooft.
 |
"In Hem zijt ook gij, nadat gij het
woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, gehoord hebt; in
Hem zijt gij, toen gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige
Geest der belofte." Efeze. 1:3
|
De gelovige ontvangt dus de Geest des
levens door het geloof in dat, wat God gezegd heeft. En het is deze
Geest, die in zijn menselijk leven de "vruchten der
gerechtigheid" voortbrengt.
|
3
- De
mens als gevolg van de werkzaamheid der Genade.
Godsdienstige systemen zoeken
aanhangers. Eenmaal gewonnen, komen deze aanhangers geen stap
verder, maar blijven geestelijke slaven of geestelijke gevangenen
van een theologische "wetenschap", die zich het recht
aanmatigt om Gods Woord te kritiseren en naar eigen inzichten uit te
leggen. Men kan slechts dat verwekken wat men zelf is.
Vele tienduizenden christenen leven
vandaag onder het juk van een godsdienstig stelsel, dat zij moeilijk
kunnen afwerpen. God en Zijn Evangelie zijn echter geheel anders.
Die tot God komt, wordt door Hem rechtvaardig gesproken en
vervolgens verder geleid. In vrijheid!
Een
Nieuwe Levenswet.
De "wet des geestes des
levens" is een wet van toename, wasdom en groei. Zij heeft een
heerlijk doel op het oog, niet alleen ín, maar ook dóór de
gelovige. Want God wil hem nu als getuige van de Goddelijke dingen,
die hij gelooft en ervaren heeft, in deze wereld zenden. "Maar
gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en
gij zult Mijn getuigen zijn." Hand. 1:8
In het 8ste hoofdstuk van de brief aan
de Romeinen, wordt ons een toestand beschreven, waarin de mens
"onder de genade" precies het tegendeel is van wat hij
"onder de wet" was.
De voormalige schuldenaar en misdadiger
wordt door het werk van Christus omgezet, zoals de volgende verzen
het uitdrukken:
 |
"Die Geest getuigt met onze geest,
dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook
erfgenamen." Rom. 8:16, 17
|
Niet alleen "kinderen" dus,
maar ook "erfgenamen" van alle rijkdommen van Christus;
dat wil zeggen alles wat Christus is en bezit.
 |
"Want gij hebt niet ontvangen, een
geest van slavernij om opnieuw te vrezen; maar gij hebt ontvangen de
Geest van het Zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader."
Rom. 8:15
|
Geen
slavernij meer.
Geen veroordeling meer; ja, maar meer
dan dat, namelijk ook geen slavernij meer. Jezus Christus heeft de
zonde niet alleen geoordeeld, maar ook haar macht gebroken. Van nu
af aan zal de zonde niet meer over u kunnen heersen, omdat u niet
onder de wet, maar onder de genade bent.
 |
"De zonde zal over u geen
heerschappij voeren; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de
genade." Rom. 6:14
|
Geen slavernij meer! Christus is
opgestaan en Zijn Geest werd ons gegeven, opdat wij alles, wat Hij
aan geestelijke kracht bezit, kunnen smaken en ervaren.
Hij vervult in de gelovige de éne
belofte na de andere; want de mens is geen slaaf meer, maar een
erfgenaam. Hij wordt niet overheerst, maar hij is geroepen om te
heersen.
 |
"Want indien door overtreding van
de éne de dood als koning is gaan heersen door die éne, veel meer
zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der
gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de éne,
Jezus Christus." Rom. 5:17
|
De gelovige, die zich eens een
"ellendig mens" gevoelde en "een lichaam des
doods" droeg, mag zich nu verheugen in een goede gezondheid.
Want de wet des Geestes bevrijdde hem van de wet der zonde en des
doods.
 |
"Indien de Geest van Hem, die Jezus
uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus
Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen
levend maken door Zijn Geest, die in u woont." Rom. 8:11
|
Heiligmaking is geestelijke gezondheid
in het menselijk leven van de gelovige. Een gezond mens behoeft niet
voortdurend te zeggen, dat het hem goed gaat. Hij behoeft het niet
eens te zeggen, want het is hem aan te zien. Zo is het ook met de
heiligmaking. Het is een normale en natuurlijke aangelegenheid, zo
zij aanwezig is. Geveinsde heiligheid daarentegen is onaangenaam en
werkt afstotend; want zij is het tegendeel van hetgeen zij beweert
te zijn. Er zijn werkelijk veel mensen in onze dagen, die zo weinig
heiligheid bezitten, dat zij er voortdurend over spreken moeten. En
zulke mensen beelden zich steeds in de vermeende splinter in het oog
van een ander te zien, terwijl zij een balk in hun eigen oog hebben.
Mat. 7:2-4
De Geest des levens wordt geschonken aan
degene, die gelooft. Daarom is er voor hem noch veroordeling noch
slavernij meer. Want de zonde werd veroordeeld en overwonnen; de
zondaar rechtvaardig gesproken en tot overwinnaar gemaakt.
 |
"Wat zullen wij dan van deze dingen
zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Hoe zal Hij,
die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen
overgegeven heeft, ons, met Hem ook niet alle dingen schenken? God
is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de
Gestorvene, wat meer is, de Opgewekte, die ter rechterhand God is,
die ook voor ons pleit. Wie zal ons scheiden van de liefde van
Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging, of honger, of
naaktheid, of gevaar, of het zwaard..…? Maar in dit alles zijn wij
meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad." Rom.
8:31-37
|
Ook
geen scheiding meer.
Geen veroordeling, geen slavernij, maar
ook geen scheiding meer. De wolken van onze ontrouw kunnen voor ons
wel de zon van Zijn Aangezicht verbergen; maar niets, absoluut niets
kan ons scheiden van Hem, met wie God ons eeuwig verbonden heeft. In
verbinding gebracht met Zijn Goddelijk leven en met de bron van al
Zijn onnaspeurlijke rijkdommen en ondoorgrondelijke schatten, kan de
mens onder de genade niet anders dan Zijn lichaam stellen tot een
levend en Gode-welbehagelijk offer.
 |
"Ik vermaan u broeders, met beroep
op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een
levend, heilig, Gode welgevallig offer: Dat is uw redelijke
eredienst." Rom. 12:1
|
Uit liefde en dankbaarheid, in de Geest
van offervaardigheid en zelfverloochening, dient de geredde zijn
Redder. Zijn grootste verlangen is nu om als een vurige getrouwe
getuige de blijde boodschap te verkondigen: "Zo is er dan nu
geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn."
Welk een onfeilbare conclusie ligt er in
de woorden: "Zo is er dan....."; welk een tegenwoordige
zekerheid in: "Nu….."; welk een Goddelijk bewijs in:
"In Christus Jezus."
De
godsdienstige mens.
"In Christus Jezus", daarin
ligt alles! Zie nu eens naar de godsdienstige mens: Hij leeft in
zichzelf, in zijn kring, zijn eigen sfeer en verbreidt die om zich
heen. Hij is zijn eigen middelpunt, zijn één en alles. Hij ziet
alleen zichzelf, zijn godsdienst en zijn kring. Groter is zijn
gezichtsveld niet. Door deze bril beziet hij mensen en dingen - en
oordeelt hen natuurlijk. Hij houdt alleen rekening met zichzelf,
doet alles voor zichzelf en roept, zoals Jezus Christus zegt, heel
ijverig "Heere, Heere!" Mat. 17:21-23
Hij gebruikt God, en meer nog Zijn Naam
en wat Hem toebehoort, om zijn innerlijk leven te verbergen en
niettemin aller aandacht op zichzelf te vestigen.
Hij is abnormaal en daarom is het zo
moeilijk, ja bijna onmogelijk, om de godsdienstige mens te redden.
O, als toch de wereldse mens, die zich aan de godsdienstige mens
ergert, toch eens begrijpen wilde, dat ook Jezus Christus over deze
dingen zo spreekt en de mens veroordeelt, die voor God iets meent te
zijn, maar wiens godsdienst zich van het werkelijk, christelijk
leven hemelsbreed onderscheidt en haar zelfs wederspreekt.
De werkelijke gelovigen moet daarom meer
dan ooit trachten duidelijk te maken: Dat prediken wij niet, niet
deze godsdienst, niet de Kerk of één of ander systeem of dogma,
maar Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane, het enige
Middelpunt voor de gelovige. En dat in overeenstemming met de
Heilige Schrift, die iedereen ter beschikking staat.
De
moderne mens.
Wat de moderne mens betreft, de mens van
de wereld, wie hij ook zijn moge, alles verandert voor hem, vanaf
het ogenblik, dat hij zich van zijn zonde overtuigen laat en erkent,
dat zijn mond voor het oordeel van de rechtvaardige God verstommen
moet. Als hij de zaligheid uit genade aanneemt, dan is hij in
Christus Jezus. Ook hier gaat het noch om een gevoel noch om een
mening, maar om een verzekering van het Woord Gods, om een nieuwe
toestand, waarin God de gelovige invoert. Jezus Christus regeert in
de heerlijkheid als centrum en krachtsbron, als grond, doel en
levenselement van degene, die gelooft.
Van nu aan richt zich alles naar Hem en
alles gaat van Hem uit. De gelovige leeft zijn leven hier op aarde
voor zijn Heer, die boven is. Hij verzamelt zich geen schatten meer
op aarde; want zijn schat is in heerlijkheid.
Hij kan niet anders dan de
onnaspeurlijke rijkdommen van Christus verkondigen. Maar hij spreekt
daarover niet met pathos, maar als mens tot mens, in de gewone
menselijke spreekwijze. Zoals zijn Meester zal hij in zijn
uiterlijke verschijning er als een eenvoudige mens uitzien. Fil. 2:7
Niet met onnatuurlijke, officiële, plechtige of priesterlijke vrome
gebaren. De echte gelovige is natuurlijk en waar in zijn
menselijkheid, overtuigd en consequent in zijn geestelijk leven.
Zulke getuigen worden geloofd. En als de
mensen hen zien, dan merken zij direct het verschil tussen echte en
onechte dienaren van God.
|