| Wat
zal er van de
Staat Israël worden? |
Door.. A
Klein Haneveld Sr.
(Oorspronkelijk
uitgegeven in 1951) |
|
|
De
Staat Israël
Een
golf van geestdrift en ontroering voer door de harten van het Joodse volk
bij het bekend worden van de proclamatie van 14 Mei 1948 in Tel Aviv. Met
ingang van de komende middernacht werd de Staat Israël in het leven
geroepen. Een vrije, onafhankelijke Joodse staat in het oude vaderland!
Wie had dat ooit kunnen geloven?
Zeker,
de Joden hadden er reeds lang, hadden er eigenlijk de eeuwen door, altijd
hoopvol naar uitgezien. Bij elke Paasfeestviering, ieder jaar opnieuw,
hadden zij over de gehele wereld elkaar toegewenst: "Het volgend jaar
in Jeruzalem." In Jeruzalem zelf aangevuld met de woorden: "maar
in een vrij Jeruzalem!" Een onverwoestbaar optimisme had hen steeds
doen blijven hopen, dat toch eens de lange ballingschap zou wijken voor de
terugkeer. Maar is het niet zo, dat ook de taaist volgehouden hoop, als ze
eenmaal in vervulling gaat, ons toch verrast?
Van 1880 af valt er een steeds toenemende beroering onder het Joodse volk
waar te nemen. De moord op de tsaar Alexander II van Rusland deed een golf
van Pogroms (Jodenmoorden) gaan over dat land. Van toen af begon de
massale vlucht naar Amerika. Levendig herinner ik mij nog uit mijn
kinderjaren de lange "Jodentrein", die elke avond om vijf uur
ons dorp passeerde, afgeladen vol met emigranten uit Oost Europa, op weg
naar de Nieuwe Wereld.
Maar uit diezelfde tijd dateren ook de eerste doelbewuste pogingen tot
het vormen van de Joodse nederzetting in Palestina, teneinde het verlaten
land te koloniseren.
Nog
voor het einde der eeuw had er een gebeurtenis plaats, waardoor de Joodse
nationale verwachtingen een meer vaste vorm aannamen.De Weense journalist
Theodor Herzl, ontsteld over de antisemitische ondergrond van het beruchte
eerste Dreyfusproces te Parijs, publiceerde in 1896 zijn in visionaire
trant geschreven boek "Der Judenstaat".
Dit had een geweldige uitwerking. Reeds het volgende jaar opende Herzl te
Bazel het eerste wereldcongres der Zionisten, dat als doel der
Zionistische beweging stelde het scheppen van een publiekrechtelijk
gewaarborgde woonplaats voor het Joodse volk in Palestina.
Veel
aandacht schonk de wereld daar vooreerst niet aan. Een Joodse staat in het
door Turkije beheerste en door erosie en verwaarlozing zo onvruchtbaar
geworden land leek al te zeer op een ijdel droombeeld, dat toch voor geen
verwezenlijking ooit vatbaar zou zijn.
Herzl zelf had echter een vooruitziende blik. Dadelijk na afloop van het
congres schreef hij in zijn dagboek:
|
"Te
Bazel hebben wij de Joodse staat gesticht. Als ik dat vandaag in het
openbaar zeide, zou ik van alle kanten uitgelachen worden. Maar
misschien over vijf en zeker over vijftig jaar zal iedereen dit
erkennen."
|
Die woorden zijn bijna letterlijk in vervulling gegaan. Precies vijftig
jaar later, november 1947, aanvaardde de U.N.O. (Verenigde Naties) het
bekende verdelingsplan, waarbij aan de Joden een deel van Palestina werd
toegewezen voor een eigen Joodse staat.
Dit
was niet naar de zin van Engeland, ofschoon het toch dertig jaar tevoren (nov.
1917) bij de vermaarde Balfourverklaring aan de Joden een nationaal tehuis
in Palestina officieel toegezegd had. Maar de Engelse politiek wordt toch
door imperiale motieven geleid en toont telkens haar onbestendigheid.
Vooral
in verband met de rijke oliebronnen van het MiddenOosten wilden de
Engelsen de Arabische volken te vriend houden. Daarom hadden zij reeds
sinds jaren de aanvankelijk toegestane Joodse immigratie getraineerd en
beperkt, schijnbaar ongevoelig voor de wreedheid die zij daarmee tegen een
toch al zo afschuwelijk gemarteld volk begingen.
Immers,
terwijl in heel de wereld de kreet van afgrijzen nog naklonk over de
massamoord, door de Hitlerbeulen in gaskamers en vernietigingskampen op de
Joden gepleegd, ontzag de Engelse regering zich niet, de terugkerende
Joodse ballingen door haar ambtenaren te laten opjagen en naar kampen op
Cyprus te transporteren of zelfs naar Duitsland terug te voeren.
In plaats van het besluit van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties
met krachtige hand ten uitvoer te helpen brengen, waartoe zij èn als lid
der U.N.O. èn krachtens haar mandaat verplicht was, ging zij het zoveel
mogelijk saboteren, en gemene zaak met de Arabieren maken.
In
de veelvuldige gewapende conflicten tussen Arabieren en Joden grepen de
Engelsen niet of te laat in. Toen hun positie hoe langer hoe neteliger
werd en de ontwikkeling der dingen hun boven het hoofd dreigde te groeien,
zagen zij geen andere uitweg meer dan zich terug te trekken. Zij besloten
hun mandaat op 15 mei 1948 neer te leggen en hun troepen zo snel mogelijk
in te schepen.
Het schijnt, dat de Engelsen gemeend hebben, door hun overhaast vertrek in
de kaart der Arabieren te spelen. Maar dan hebben zij zich wel zeer
vergist! Het terugtrekken der Britse troepen geschiedde veelal onder
omstandigheden, die opzettelijk gunstig voor de Arabieren waren, maar
toch behaalden in deze burgeroorlog de Joden een volkomen overwinning.
Op 15 mei werd vrijwel het gehele territoir van de Joodse staat veilig
door de Hagana (het Joodse leger) beheerst. Op diezelfde datum echter
begon de inval der geregelde legers van de vijf aangrenzende Arabische
landen (Libanon, Syrië, Irak, Jordanië, Egypte), die zich wel op
instigatie van Engeland! reeds in 1945 tot een antizionistische
"Arabische Liga" verenigd hadden. Een ogenblik leek het, alsof
de Joden, nu zij de “bescherming” der Engelsen misten, tot de laatste
man toe in de Middellandse Zee zouden worden gejaagd. Tot ieders verbazing
echter was binnen enkele weken de strijd beslist en werd de vijand tot een
wapenstilstand gedwongen. Moedig en succesvol hebben de Joodse mannen en
vrouwen gestreden.
De
gehele Negev (het Bijbelse "Zuiden"), hun
trouwens door het besluit van de Verenigde Naties toegezegd, viel in hun
handen. Van Jeruzalem wisten zij de Nieuwe Stad in hun macht te krijgen;
zonder het "Staakt het vuren" bevel der Verenigde Naties zouden
zij zeker ook de Oude Stad, met overwegend Arabische bevolking, hebben
veroverd. De staat Israël had haar effectief bestaan met kracht van
wapenen bewezen.
Ook
op andere wijze heeft zij getoond er te durven zijn! In de proclamatie van
14 mei 1948 was verklaard, dat Tel Aviv de voorlopige hoofdstad van de
jonge staat zou wezen. Tel Aviv, tegen het noorden van het oude Jaffa
aangebouwd, bestond nog geen veertig jaar, maar was reeds tot een stad tot
over de 200.000 inwoners aangegroeid: de grootste stad van Palestina met
een zuiver Joodse bevolking.
Toch mocht het slechts de voorlopige hoofdstad worden en de gehele wereld
begreep, wat dit woordje "voorlopig" te betekenen had. Als
werkelijke hoofdstad van Israël zou nooit een andere hoofdstad in
aanmerking kunnen komen dan de oude en geliefde Davidsstad: Jeruzalem!
Maar
de Verenigde Naties dachten daar anders over. Vooral op aandrang van Rooms-katholieke
zijde, waar men vreesde dat de Joden de zgn. "heilige plaatsen"
niet zouden ontzien, werd het besluit genomen dat Jeruzalem geïnternationaliseerd
en dus van de Staat Israël afgescheiden zou worden.
Israëls
afgevaardigde, Mosje Sjertok, die zich tijdens de behandeling reeds
scherp teweergesteld had, verklaarde rondweg bij zijn vertrek uit Lake
Succes, dat Israël dit besluit niet zou aanvaarden. En wat deed de Israëlische
regering? Zij verplaatste boudweg haar zetel van Tel Aviv naar Jeruzalem
en stelde daarmee de Verenigde Naties voor een voldongen feit: Jeruzalem
zou Israëls hoofdstad zijn!
En
zo is dan inderdaad op 15 mei 1948 voor Joods besef een einde gekomen aan
het derde galoeth, de derde ballingschap. Als eerste galoeth rekenen de
Joden het verblijf der vaderen in Egypte. Het tweede was de Babylonische
ballingschap. Het derde galoeth begon met de verwoesting van Jeruzalem
door de Romeinen in het jaar 70 AD, en eindigde nu met de uitroeping van
de staat Israël.
Wagenwijd
heeft deze jonge staat haar poorten voor de terugkerende zonen van het
oude volk opengezet en bij duizenden stromen zij dagelijks toe. Zij hebben
het gevoel van na lange en smartelijke omzwervingen eindelijk
"thuis" gekomen te zijn, thuis in het eigen vaderland, thuis in
het oude vertrouwde Erets Jisraël (land Israëls).
Zij
hopen op een gelukkiger toekomst, terwijl hun leiders dromen van een
zegenrijke taak, een heilige roeping, die Israël alsnog te vervullen
heeft tot heil van heel de mensheid.
Op
welk een vreselijke ontgoocheling dit zal uitlopen, hopen wij in de
volgende bladzijden aan te tonen.
Vervulling
der profetie?
De
vestiging van de staat Israël in het oude land der vaderen heeft niet
alleen ontroering verwekt in de harten van heel het Joodse volk, zij
bracht ook een merkbare deining teweeg in de wereld der theologen, zowel
grote als kleine.
De
Gereformeerde zienswijze
Sedert
jaren werd van bepaalde zijde met nadruk verklaard, met een beroep op de
Heilige Schrift, dat het Joodse volk als natie geen toekomst meer had.
Door hun verwerping van de Messias hadden de Joden definitief hun eigen
graf gegraven. De wanhopig gestreden oorlog, die ten doel had het Romeinse
juk af te schudden, was immers in het jaar 70 AD geëindigd met de door
Jezus zelf voorspelde verwoesting van Jeruzalem en daarmee had het
zelfstandig bestaan van het Joodse volk een einde genomen. Voorgoed! De
Christelijke Kerk trad in de rechten en voorrechten van het oude volk van
God, was er de geestelijke voortzetting van: het geestelijk Israël. Hoe
zou er daarnaast voor het vleselijk Israël nog hoop of toekomst kunnen
zijn? Zulk een gedachte was immers door het bestaan zelf der Christelijke
Kerk uitgesloten; moest absurd geacht worden! Wel wekte het enige
verbazing, dat het Joodse volk zich, zonder het bezit van een eigen
vaderland, toch gedurende bijna twee duizend jaar als een apart geheel had
weten te handhaven. Maar dit kon niet anders gezien worden dan als een
ontzaglijke prediking van het oordeel Gods, dat komt over ieder die Jezus
als zijn Heiland verwerpt. Het Joodsnationalistisch drijven zou nimmer tot
enig tastbaar resultaat kunnen leiden!
En
zie, daar wordt toch op zekere dag zomaar de staat Israël uitgeroepen! En
het ziet er weldra werkelijk niet naar uit ook, dat het maar voor een
korte poos zal zijn. Heeft Israël dan toch als zelfstandige natie nog een
toekomst temidden van de volken der aarde?
Reeds
heeft de Ned. Hervormde Kerk in een geschrift, getiteld "Fundamenten
en Perspectieven van Belijden", in 1949 blijk gegeven van gewijzigde
of zich wijzigende inzichten. In een artikel, dat handelt over "Heden
en toekomst van Israël", Lezen wij o.a.:
|
"Daar
de genadegiften en de roeping Gods onberouwelijk zijn, Rom.
11:29
geloven wij dat het volk Israël, door welks dienst God alle geslachten
des aardrijks heeft willen zegenen, niet door Hem verstoten of verlaten
is..... Maar zowel het voortbestaan van dit volk als de toebrenging van
enkelingen uit dit volk, zijn voorteken en onderpand van Israëls
uiteindelijke wederaanneming. God heeft nog een toekomst voor zijn oude
volk."
|
In de "Toelichting" wordt dan nader verklaard: "Van dit
artikel moet gezegd worden, dat men iets dergelijks in oudere
belijdenisgeschriften tevergeefs zoeken zal. Pas het weer oplaaiende
antisemitisme na de eerste Wereldoorlog heeft ook in de Gemeente van
Christus vragen wakker gemaakt aangaande de plaats, die Israël nu nog, na
zijn verwerping van de Messias Jezus, in Gods plan inneemt. De gangbare
gedachte, dat Israëls uitverkiezing door de verkiezing der Gemeente
vervangen is en dat Israël in Gods plan geen andere meer zou hebben dan
elk willekeurig volk, moet vooral met het oog op Rom. 11 (zie
echter ook Mat. 23:39 en Luk. 21:24) als tegen de bedoeling van het
Nieuwe Testament ingaande beschouwd worden."
De
Chiliastische zienswijze
Anderzijds
evenwel zijn er altijd Christenen geweest, die op grond van duidelijke
uitspraken der Heilige Schrift in Oud en Nieuw Testament geloofd hebben
aan een toekomstig staatkundig en geestelijk herstel van Israël. Gods
oude volk zou alsnog zijn eens verworpen Messias aanvaarden en daardoor
tot zegen gesteld worden voor heel de wereld.
Zegt
Paulus niet:
 |
"Indien
hun verwerping de verzoening der wereld was, wat zal hun aanneming
anders zijn dan het leven uit de doden?" Rom.
11:15 |
De Christendichter Da Costa, zelf Jood van geboorte, heeft er in
geestdriftige taal van gezongen:
|
Wat
tijden, vast voorzegd, van grote schuldvergeving,
Van
voor geheel deez’ aard volzalige herleving!
Wen
Israël zal zien, Wiens hart zijn hardheid brak,
Wiens
zijde ‘t met de speer der heidenen doorstak,
En
dan de Christusmoord beschreiende aan Zijn voeten,
Zich
uit dien eigen mond op eenmaal horen groeten,
Als
d’eerstgeboren weer der volken!
|
Gedurende de laatste kwarteeuw heeft Johannes de Heer in zijn door heel
Nederland bekend geworden "Het Zoeklicht" niet opgehouden als
zijn rotsvaste overtuiging uit te spreken, dat eenmaal "geheel Israël
zal zalig worden" en aan de hand van het profetisch Woord de lijnen
trachten uit te stippelen, waarlangs dit grote heilsfeest tot stand zal
komen. In ongeloof zal het volk naar Palestina terugkeren, het zal er
komen te staan onder de leiding van een koning en de Antichrist, die hen
afvallig zal maken van de godsdienst der vaderen en hen tot regelrechte
opstand tegen God en Christus zal aanzetten.
Maar
dan zal Christus zelf op de wolken des hemels wederkomen en nederdalen op
de Olijfberg; Hij zal in Jeruzalem Zijn koninkrijk oprichten en van daar
uit zijn heerschappij uitbreiden over Israël en over heel de wereld. Dat
zal het duizendjarig vrederijk zijn.
Velen
die deze zienswijze delen, zien in de tegenwoordige terugkeer der Joden en
de vestiging van de Staat Israël de aanvankelijke vervulling van die
Bijbelse profetieën. Zij geloven, dat het Gods eigen hand is, die in deze
dagen “Zijn volk” naar het oude vaderland terugvoert, ook al toont
Israël zelf daar geen begrip van te hebben.
Als
vanzelf staan zij sympathiek tegenover het Joodse nationalistisch streven
en sporen de Joden aan om zoveel mogelijk naar Palestina te gaan. Reeds is
er verklaard, dat de ontzettende massale afslachting der Joden door het
Hitler-regime voorkomen zou zijn, indien zij maar bijtijds, in
gehoorzaamheid aan Gods oproep, naar Palestina waren gegaan...! Hun
huidige terugkeer, al geschiedt ze in volslagen ongeloof, wordt in dit
verband toch gezien als een zeer verblijdend verschijnsel.
Ook
Johannes de Heer zegt in "Israëls Herstel en terugkeer naar
Palestina", pag. 17:
|
"Israëls
herstel als Staat, hoe verblijdend ook, is nog geen geestelijke
wedergeboorte."
|
Bestrijding der Chiliastische opvatting
Nu
komt echter prof. Aalders (Dr. G. Ch. Aalders "De
oudtestamentische profetie en de Staat Israël") met tal van
bewijsplaatsen aantonen, dat in de oudtestamentische profetieën de
bekering en het herstel van Israël niet chronologisch (tijdrekenkundig)
uit elkaar liggen, maar als gelijktijdig plaatshebbend worden getekend. Zo
zegt de profeet:
 |
"Zie
ik zal uw graven openen en zal ulieden uit uw graven doen opkomen en ik
zal u brengen in het land Israëls en gij zult weten dat Ik de Heere
ben, als Ik uw graven zal hebben geopend en als Ik u uit uw graven zal
hebben doen opkomen, o mijn volk!"
Ez.
37:12 14 |
En:
 |
"Alzo
zegt de Heere: ten dage als ik u reinigen zal van al uw
ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen en de eenzame
plaatsen zullen bebouwd worden." Ez.
36:33 |
De gelijktijdigheid van bekering en nationaal herstel wordt hier toch wel
te kennen gegeven op een wijze, die elke andere voorstelling uitsluit!
Mozes stelt de bekering van het volk zelfs uitdrukkelijk als voorwaarde
voor hun terugkeer Deut.
30:1-10
en Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de tempel spreekt dezelfde
gedachte uit. 1Kon.
8:46-50
Nog
tal van teksten (Hos. 11:10; Mic.. 4:7; 7:810; Jes. 35:1,
2; 40:1, 2; Jer. 30:18, 22; 32:37, 38; 50:4, 5; Ez. 11:17, 18; 20:3437;
Zach. 8:8; 10:9; Jer. 29:14; 2Kron. 30:8, 9) haalt Prof. Aalders
aan, om te bewijzen dat de oudtestamentische profetieën het nationaal en
geestelijk herstel van Israël, hun terugkeer naar Palestina en hun
bekering tot God, als gelijktijdig hebben voorgesteld. Wanneer men
derhalve van oordeel is zegt prof. Aalders dat in de
totstandkoming van de Staat Israël de vervulling van de oudtestamentische
profetie een aanvang heeft genomen, komt men in strijd met de strekking
van de profetie zelf!
Dit
betoog van prof. Aalders is inderdaad klemmend. Wat zou er tegen in te
brengen zijn?
Het
is alleen maar jammer, dat hij niet verder komt dan deze negatieve
conclusie. De kwestie van de totstandkoming van de Staat Israël, die hij
toch als "een merkwaardige gebeurtenis in het historisch proces der
volkerenwereld" beschouwt, wordt er niet nader door tot een oplossing
gebracht. Hij laat ons in het duister staan. En als hij daarna, enkel en
alleen op grond van Dan. 9:27, een vers waarvan hij zelf zegt dat
er verschillende exegetische zwarigheden in schuilen, komt verklaren, dat
er voor een nationale toekomst van Israël als het volk van God geen
plaats meer is en besluit met de vermetele uitspraak:
|
"Wat
er in Palestina gebeurd is, en wat er ook verder moge gebeuren, het
heeft met de Goddelijke profetie die ons in de Heilige Schrift geboden
wordt, niets te maken", |
dan
moeten wij daartegen, juist in de naam der profetie, protest aantekenen.
Zijn bewering, dat de oudtestamentische profetie van Israëls nationaal
herstel (alleen maar) op een reeds lang geleden plaats gehad hebbende
gebeurtenis betrekking heeft, is eenvoudig onhoudbaar.
Hij
vraagt op pagina 35:
|
"Wanneer
aan het volk Israël heel concreet wordt aangekondigd, dat het naar
Assur of naar Babel zal worden gevoerd en even concreet wordt beloofd,
dat het uit die ballingschap zal terugkeren, kan dan in een dergelijke
voorzegging tevens worden gezien de bedreiging met een andere, veel
latere ballingschap, die eerst intreden zal nadat de terugkeer uit de
Assyrisch Babylonische ballingschap heeft plaats gehad en die niet
concreet wordt aangeduid; kan daarin mede worden gezien de belofte van
een tweede terugkeer uit die niet concreet aangeduide
ballingschap?" |
Hij beantwoordt die vraag ontkennend. Ik beantwoord ze zonder aarzelen
met ja!
Toen
Israël na zijn terugkeer uit de Babylonische ballingschap zich opnieuw en
in erger mate dan voorheen schuldig maakte tegenover God, werden de oude
bedreigingen automatisch opnieuw van kracht en gingen in deze nieuwe lange
nacht van Israëls historie de oude beloften van herstel en terugkeer weer
flonkeren als sterren aan een donkere hemel.
 |
"Want
de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk." Rom.
11:29 |
Gods goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid!
Intussen komen wij voor nieuwe vragen te staan! Enerzijds moet erkend
worden ik zal dit nader aantonen dat de Heilige Schrift luide
en nadrukkelijk verkondigt, dat Israël als volk van God nog een grootse
en heerlijke toekomst heeft in zijn oude vaderland, onder de regering van
Christus.
Anderzijds
kan hun tegenwoordige terugkeer in ongeloof en de vestiging van de moderne
Staat Israël moeilijk gezien worden als de vervulling dier Bijbelse
profetieën, omdat de Bijbel de terugkeer verbindt met, ja afhankelijk
stelt van een oprechte bekering tot God en de aanvaarding van hun Messias
Jezus Christus.
In
welk licht moeten wij dan echter de Staat Israël zien?
Als
de Bijbel de terugkeer van Israël en zijn nationaal herstel in Palestina
voorspeld heeft, terwijl toch de tegenwoordige terugkeer, omdat die in
ongeloof geschiedt, niet de vervulling dier profetie kan zijn, hoe moeten
wij dan over die terugkeer oordelen? Wij willen trachten, daar aan de hand
der Heilige Schrift een antwoord op te zoeken.
Toekomstig
herstel.
Doch
eerst staan wij nog voor de taak om de Bijbelse profetieën aangaande een
toekomstig herstel van Israël met klaarheid en kracht naar voren te
brengen.
Prof.
Aalders heeft getracht aan te tonen, dat alle oudtestamentische
voorzeggingen van een nationaal herstel van Israël reeds lang en volledig
in vervulling zijn gegaan door de terugkeer uit de Babylonische
ballingschap onder Zerubbabel, Ezra en Nehemia.
|
"Alles
wel overwegende aldus prof. Aalders kunnen wij m.i. tot geen
andere conclusie komen dan dat de oudtestamentische profetie van geen
ander nationaal herstel van Israël weet dan dat door de terugkeer uit
de AssyrischBabylonische ballingschap tot stand gekomen is. Er wordt
geen andere wegvoering dan die naar Assur en Babel aangekondigd en er
wordt geen andere terugkeer dan uit die wegvoering beloofd." |
Waarmee
dan bewezen zou zijn dat de Bijbelse profetie geen toekomstig herstel aan
Israël meer belooft en dat elke verwachting dienaangaande volkomen in de
lucht hangt!
Zijn
betoog is echter nogal simpel. Hij meent dat zegswijzen als "verstrooien
onder de volken" of "in de landen" heel wel op
de Babylonische ballingschap kunnen slaan. Dat de stereotiepe uitdrukking "in
het laatste der dagen" geen eschatologische betekenis heeft en
dus niet de tijd van het wereldeinde behoeft aan te duiden. Dat ook de
profetieën van Zacharia, ofschoon uitgesproken ná de Babylonische
ballingschap, toch op die ballingschap en de terugkeer daaruit betrekking
hebben, namelijk op de terugkeer van nieuwe groepen ballingen, zoals in de
dagen van Ezra en Nehemia.
Dit
hele betoog echter kan mijns inziens op eenmaal afdoende weerlegd worden
door de aanvoering van een aantal oudtestamentische profetieën aangaande
terugkeer en herstel, die stellig en zeker nog niet vervuld zijn en
derhalve indien althans Gods Woord inderdaad de waarheid is eerlang nog
vervuld zullen worden. Als vanzelf komen daardoor dan alle andere profetieën,
die op zichzelf misschien een minder duidelijke strekking hebben, in een
nieuw licht te staan!
Om
aan onze bewijsvoering volle kracht te geven, moeten wij er op bedacht
zijn, dat de "officiële" theologie de oudtestamentische
profetieën aangaande Israëls toekomst tracht te schiften in twee
groepen. Ten eerste zulke die betrekking zouden hebben op de terugkeer uit
Babel in de dagen van Zerubbabel en Ezra en in de tweede plaats die welke
vervuld zouden zijn in de nieuwtestamentische heilsbedeling, de Gemeente
van Christus.
Wij zullen nu aantonen, dat die schifting onmogelijk doorgevoerd kan
worden, omdat er oudtestamentische teksten zijn, die voorzeggingen van de
ene en van de andere groep aan elkaar verbinden als zulke die op hetzelfde
tijdstip in vervulling zullen gaan!
De
conclusie zal dan moeten zijn, dat die voorzeggingen nog niet vervuld
zijn, maar betrekking hebben op gebeurtenissen die nog altijd in de
toekomst liggen.
Mijn betoog zal dus enige overeenkomst vertonen met dat van prof. Aalders
zelf, als hij nadruk legt op de nauwe temporele verbondenheid van Israëls
nationaal en geestelijk herstel.
Onvervulde
profetieën
 |
"Men
zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid;
want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn gelijk de wateren de
bodem der zee bedekken. Want het zal geschieden te dien dage, dat de
heidenen naar de wortel van Isaï, die staan zal tot een banier der
volken, zullen vragen en Zijn rust zal heerlijk zijn. Want het zal
geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand
aanleggen zal om weder te verderven het overblijfsel Zijns volks,
hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van
Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en
van de eilanden der zee; en Hij zal een banier oprichten onder de
heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de
verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks."
Jes.
11:9-12 |
"Het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de wortel van
Isaï (d.i. Christus, zie Op. 22:16) zullen
vragen." Slaat dat op de tegenwoordige tijd, de Gemeente van
Christus? Onmogelijk, "want het zal geschieden te dien dage, dat de
Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het
overblijfsel Zijns volks."
Men kan niet dit laatste toepassen op de dagen van Ezra, en het eerste op
de Gemeente van Christus, want er staat: "te dien dage".
In de dagen van Ezra vroegen de heidenen niet naar Christus en toen de
Gemeente werd gevormd, werd Israël niet vergaderd, maar juist opnieuw
verstrooid! Men lette toch eens op de merkwaardige samenvoeging in deze
verzen van:
|
Zegening
voor de ganse aarde.
vers
9
Bekering der volken. vers
10
Herstel
van Israël. vers
11 en 12
|
Alles op hetzelfde tijdstip. Dit is toch zeker nog nooit vervuld?
 |
"Te
dien tijde zullen zij Jeruzalem noemen des Heeren troon, en al de
heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des Heeren naams wil, te
Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar goeddunken van hun boos
hart." Jer.
3:17
"In
die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis Israëls, en zij
zullen tezamen komen uit het land van het Noorden in het land, dat ik Uw
vaderen ten erve gegeven heb."
Jer.
3:18
|
"Te
dien tijde." ...."In die dagen.".... Wederom
worden hier vier dingen samengevoegd op hetzelfde tijdstip, die tot nu toe
niet verenigd werden aangetroffen:
|
1.
Jeruzalem de troon des Heeren. vers
17 a
2.
De heidenen vergaderd tot die troon te Jeruzalem. vers
17 b
3.
De Israëlieten bekeerd van hun boosheden. vers
17 c
4.
De Twaalf Stammen terug in Palestina. vers
18 |
Waren in Ezra’s dagen de heidenen in Jeruzalem vergaderd om des Heeren
naams wil? Zijn in de nieuwtestamentische heilsbedeling de Twaalf Stammen
teruggekeerd in Palestina en wandelen ze niet meer naar het goeddunken van
hun boos hart? Men kan niet anders dan beide vragen ontkennend
beantwoorden!
 |
"Zie,
de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal,
dat Ik tot het huis Israëls en over het huis van Juda gesproken heb.
In
die dagen en te dier tijd zal Ik David een Spruit der gerechtigheid doen
uitspruiten, en hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.
In
die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem zeker wonen; en deze is
het, die haar roepen zal: De Heere onze gerechtigheid"
Jer.
33:14-16 |
De "Spruit der gerechtigheid" is Christus. Wanneer werd deze
profetie ooit vervuld? Toen de Gemeente van Christus gevormd werd? Maar
toen werd Juda niet verlost en Jeruzalem werd verwoest! Bij de terugkeer
uit de Babylonische Ballingschap dan? Maar toen was de Spruite Davids er
nog niet! Men kan trouwens ook niet zeggen dat Juda toen
"verlost" was; want Nehemia klaagt nog:
 |
"Zie
zijn wij heden knechten, ja het land dat Gij onze vaderen gegeven hebt,
om de vrucht daarvan en het goede daarvan te eten, zie, daarin
zijn wij knechten. En het vermenigvuldigt zijn inkomsten voor de
koningen die Gij over ons gesteld hebt om onzer zonden wil; en zij
heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen;
alzo zijn wij in grote benauwdheid."
Neh. 9:36, 37 |
Jeremia’s uitspraak: "Zie de dagen komen," moet dus betrekking
hebben op een tijd die nog toekomstig is!
 |
"Want
zie, in die dagen en te dien tijde, als Ik de gevangenis van Juda en
Jeruzalem zal wenden, dan zal Ik alle heidenen vergaderen en zal hen
afvoeren in het dal Josafats, en ik zal met hen aldaar richten vanwege
Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben
verstrooid, en mijn land gedeeld"
Joël
3:1, 2 |
Geschiedde dit in de dagen van Zerubbabel of Ezra? Heeft de Heere God toen
alle heidenen afgevoerd in het dal Josafats teneinde hen te oordelen
vanwege Zijn volk Israël, dat zij verstrooid hadden? Men zie ook het
vervolg van dit hoofdstuk:
 |
"En
het zal te dien dage geschieden, dat de bergen van zoete wijn zullen
druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol
van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des Heeren uitgaan en
zal het dal van Sittim besproeien.... Maar Juda zal blijven in
eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht; en Ik zal hunlieder
bloed reinigen dat Ik niet gereinigd had; en de Heere zal wonen in Sion"
Joël
3:18, 20, 21 |
Ook de vervulling van deze profetieën kunnen wij alleen maar in de
toekomst plaatsen.
De
volgende voorzeggingen zijn eveneens in zodanige bewoordingen vervat, dat
men ze onmogelijk kan toepassen op enig tijdstip in het verleden.
 |
"Zie
de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik het huis Israëls en het huis
van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten; en het
zal geschieden, gelijk Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken en af
te breken en te verstoren en te verderven en kwaad aan te doen, alzo zal
Ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heere."
Jer.
31:27, 28 |
Wie zijn het, die Hij uitgerukt en afgebroken heeft? Dezelfden die Hij ook
weder bouwen en planten zal, namelijk het huis Israëls en het huis van
Juda!
Het
is ook waarlijk al te dwaas, om de in het Oude Testament voorspelde
oordelen op Israël te willen toepassen en de zegeningen op de Gemeente!
Reeds
Da Costa heeft tegen een dergelijke willekeurige en zelfzuchtige
Schriftverklaring getoornd. Nee, hetzelfde Israël, dat geoordeeld werd,
zal ook gezegend worden. Hetzelfde Israël dat verstrooid werd, zal ook
weer vergaderd worden. Hetzelfde Israël dat uit Palestina werd verjaagd,
zal daarheen ook wederkeren. Of wil men deze beloften van zegen toepassen
op de terugkeer uit Babel? Dat gaat niet, want in vers 40 staat:
"daar zal niets weder uitgerukt nog afgebroken worden in
eeuwigheid!"
 |
"En
ik zal de gevangenis Mijns volks Israëls wenden, en zij zullen de
verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten en
derzelver wijn drinken, en zij zullen hoven maken en derzelver vrucht
eten; en Ik zal ze in hun land planten, en zij zullen niet meer worden
uitgerukt uit hun land, dat ik hun gegeven heb, zegt de Heere uw
God."
Am.
9:14, 15 |
Na de terugkeer uit Babel werden de Israëlieten echter wel weer
uitgerukt!
 |
"Te
dien dage, spreekt de Heere, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen
en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had; en
Ik zal haar die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die
verreheen verstoten was, tot een machtig volk; en de Heere zal
Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu aan tot in
eeuwigheid. En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions, tot u zal
komen, ja daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der
dochter Jeruzalems."
Mic.
4:68 |
Werd dit vervuld bij de terugkeer uit Babel? Werd Jehovah toen koning over
Israël op de berg Sion? En zelfs "van nu aan tot in
eeuwigheid?"
Is
in Ezra’s of Nehemia’s dagen "de vorige heerschappij" als
in de dagen van David en Salomo, weer tot Jeruzalem teruggekeerd?
Het
is duidelijk, dat ook deze profetie nog nimmer vervuld is. De aangevoerde
Schriftplaatsen mogen zeker ruim voldoende geacht worden om aan te tonen,
dat Israël nog een grootse nationale toekomst wacht.
Slotsom
Want
wat vinden wij, als wij uit al deze, naar ons bleek nog onvervulde,
profetieën tenslotte bijeenzamelen wat er in voorzegd wordt omtrent Israëls
toekomst?
Van
Noord naar Zuid, van Oost naar West, uit alle landen der wereld zullen de
Twaalf Stammen Israëls wederkeren naar Palestina. God zelf zal ze
daarheen terugvoeren, want zij zullen zich in oprechtheid tot God bekeren
en de Heer Jezus aannemen als hun Messias. Zij zullen er wonen in
veiligheid en vrede, onder de regering van Christus, die in Jeruzalem zal
zitten op de troon van David en van daaruit Zijn heerschappij over alle
volken der aarde zal uitbreiden.
Over
die volken, welke Israël vervolgd hebben, zal Hij het oordeel voltrekken
in het dal Josafat. Palestina’s bodem zal buitengewoon vruchtbaar zijn
en overdekt met tuinen en wijngaarden en grazige weiden; het zal nooit
meer van droogte te lijden hebben; een beek vanuit de herbouwde tempel des
Heeren zal het dorre dal Sittim besproeien. De steden zullen uit hun
puinhopen herrijzen en het hele land zal dicht bevolkt zijn.
De
glorievolle terugkeer
Laat
ons nu nog enige passages aanhalen, die de feestelijke terugkeer van het
verloste volk naar zijn oude vaderland schilderen.
 |
"En
de Heere uw God zal uw gevangenis wenden en Zich uwer ontfermen, en Hij
zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere uw God
verstrooid had. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van
daar zal u de Heere Uw God vergaderen en van daar zal Hij u nemen. En de
Heere uw God zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten
hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten.”
Deut.
30 |
 |
"Want
de Heere zal zich over Jakob ontfermen, en hij zal Israël nog
verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten..... en de volken zullen
hen aannemen en in hun plaats brengen."
Jes.
14 |
 |
"Zij
zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide
wezen; zij zullen niet hongeren noch dorsten, en de hitte en de zon zal
hen niet steken; want hun Ontfermer zal hen leiden, en Hij zal hen aan
de springaders der wateren zachtkens leiden. .....Zie, dezen zullen van
verre komen; en zie, die van het Noorden en van het Westen, en genen uit
het land Sinim. Juicht, gij hemelen, en verheug u, gij aarde, en gij
bergen, maakt gedreun met gejuich; want de Heere heeft zijn volk
vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen. .....Uw zonen
zullen zich haasten, maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u
uitgaan. Hef uw ogen op rondom, en zie, al dezen vergaderen zich, zij
komen tot u. Zo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere, zekerlijk gij
zult u met al dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze
aanbinden gelijk een bruid..... Alzo zegt de Heere: Zie Ik zal Mijn hand
opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal ik mijn banier opsteken;
dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de
schouder gedragen worden, en de koningen zullen uw voedsterheren zijn,
en hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het
aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken, en gij
zult weten, dat Ik de Heere ben, dat zij niet beschaamd zullen worden,
die Mij verwachten."
Jes.
49 |
 |
"Hef
uw ogen rondom op en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u, uw
zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde
gevoedsterd worden..... Wie zijn dezen die daar komen gevlogen als een
wolk, en als duiven tot haar vensters? Want de eilanden zullen Mij
verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre
te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam des Heeren uws
Gods, en tot de Heilige Israëls."
Jes.
6
0 |
 |
"Zie,
Ik zal hen aanbrengen uit het land van het Noorden, en zal hen
vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en
lammen, zwangeren en barenden tezamen; met een grote menigte zullen zij
herwaarts wederkomen..... Hij die Israël verstrooid heeft, zal hem
weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde..... Dies
zullen zij komen en op de hoogte van Sion juichen....."
Jer.
31 |
 |
"Zie,
Ik zal hen aanbrengen uit het land van het Noorden, en zal hen
vergaderen uit al de landen, waarheen ik hen zal verdreven hebben in
Mijn toorn en in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid, en ik zal
hen tot deze plaats wederbrengen, en ik zal hen zeker doen wonen." Jer.
32 |
 |
"Alzo
zegt de Heere Heere: Ja, Ik zal ulieden vergaderen uit de volken en Ik
zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u
het land Israëls geven, en zij zullen daarheen komen....."
Ez.
11 |
 |
"Maar
gij, o bergen Israëls, gij zult weder uw takken geven en uw vrucht voor
mijn volk Israël dragen, want zij zullen weldra komen..... Want Ik zal
u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal
u in uw land brengen..... En zij zullen zeggen: Dit land dat verwoest
was, is geworden als een hof van Eden."
Ez. 36 |
 |
"Zo
zegt de Heere Heere: Zie ik zal de kinderen Israëls halen uit het
midden der heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal hen vergaderen
van rondom, en brengen hen in hun land; en Ik zal hen maken tot een enig
volk in het land op de bergen Israëls..... En zij zullen wonen in het
land dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond
hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen en hun
kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder
vorst zijn tot in eeuwigheid."
Ez.
37 |
 |
"Alzo
zegt de Heere der Heirscharen: Zie, Ik zal mijn volk verlossen uit het
land van de ondergang der zon, en Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij
in het midden van Jeruzalem wonen zullen."
Zach.
8 |
 |
"Ik
zal hen toesissen en zal hen vergaderen; want Ik zal hen verlossen
.....en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen, en zij zullen
leven met hun kinderen, en wederkeren. Want Ik zal hen wederbrengen uit
Egypteland en Ik zal hen vergaderen uit Assyrië, en Ik zal hen in het
land van Gilead en Libanon brengen." Zach.
10 |
 |
"En
Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen
Zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene
uiterste der hemelen tot het andere."
Mat.
24 |
 |
"Ik
zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal
hen bouwen als in het eerst .....Zo zegt de Heer: Indien Mijn verbond
niet is van dag en nacht, indien Ik de ordeningen des hemels en der
aarde niet heb gesteld, zo zal Ik ook het zaad Jakobs en Mijns Knechts
Davids verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heersen over
het zaad Abrahams, Izaäks en Jakobs; want Ik zal hun gevangenis wenden
en mij hunner ontfermen."
Jer.
33 |
Opstand tegen God.
Twee
dingen kunnen uit het voorgaande duidelijk zijn geworden:
1.
God heeft plechtig beloofd, dat Hij zijn volk Israël naar Palestina zal
terugbrengen en rijkelijk zal zegenen.
2. Deze terugkeer hoe kan het ook anders zal gepaard gaan
met een oprechte bekering tot God; ja, deze bekering is voorwaarde
voor hun nationaal herstel. |
Nu rest nog de vraag, hoe wij dan, in Bijbels licht, de tegenwoordige
terugkeer der Joden en de uitroeping van de Staat Israël hebben te zien.
Het
antwoord kan niet twijfelachtig zijn. De tegenwoordige terugkeer draagt
Gods goedkeuring niet. Het herstel van de Joodse staat moge onder Gods
toelating geschied zijn, maar is niet naar Gods wil. Het is niet alleen
een terugkeer in ongeloof, maar ook in besliste ongehoorzaamheid, ja in
opstand tegen God!
Waarom
verstrooid?
Want
waarom is Israël uit zijn land verjaagd? Is dat alleen maar onder druk
van bepaalde politieke omstandigheden geschied, of is het volk door God
daaruit verdreven? De Bijbel licht ons daar voldoende over in. De
verwoesting van Jeruzalem en de tempel en de wegvoering in het jaar 70 was
de straf Gods voor het verwerpen van de Messias en van het Evangelie, na
‘s Heeren opstanding hun door zijn apostelen gepredikt. In sterke
bewoordingen heeft Jezus zelf dit uitgesproken in de gelijkenis van het
koninklijk bruiloftsmaal. Mat.
22
Wij
vinden daar eerst de prediking van het Evangelie aan de Joden tijdens
Jezus’ omwandeling op aarde; vers
3
daarna hetzelfde na ‘s Heeren dood door de apostelen: "alles is
gereed." vers
4
De Joden verwerpen deze uitnodigingen en mishandelen en doden de
boodschappers. Dan vervolgt de gelijkenis:
 |
"En
de koning (= God) werd toornig, en hij zond zijn
legers uit (de romeinse soldaten) en verdelgde die
moordenaars en stak hun stad (= Jeruzalem) in
brand."
Mat.
22:7 |
De Romeinse soldaten onder Titus, die Jeruzalem veroverden, uitmoordden en
in brand staken, volbrachten dus, zonder het te weten, de wil van God.
Ook andere uitspraken van de Heer laten aan duidelijkheid in dit opzicht
niets te wensen over. Zo bijvoorbeeld toen Hij bij de aanblik der stad
wenende sprak:
 |
"Och,
of gij op deze dag verstond, wat tot uw vrede dient... Want er zullen
dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen
opwerpen, en u omsingelen, en u van alle zijden in het nauw brengen, en
zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen
op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt dat God naar u
omzag!"
Luk. 19: 42-44 |
Ook hier bedreiging met een verwoesting en uitmoording op grond van hun
verwerpen van hun Messias.
Verder zegt de Heer in Zijn profetische rede tot Zijn discipelen:
 |
"Wat
gij daar aanschouwt (nl. de tempel) er zullen dagen komen, waarin
geen steen op de andere zal blijven, die niet zal weggebroken
worden."!
Luk. 21: 6 |
En na Zijn discipelen voorbereid te hebben op de bloedige vervolgingen,
waaraan zij zouden blootstaan:
 |
"Zodra
gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat haar
verwoesting nabij is..... want dit zijn de dagen van vergelding, waarin
alles wat geschreven is, in vervulling gaat..... Want er zal grote nood
zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de
scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle
heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de
tijden der heidenen zullen vervuld zijn."
Luk. 21:20-24 |
Waarvoor vergelding? Waarom toorn? Het is duidelijk dat Jeruzalems
verwoesting en Israëls verstrooiing onder de volken der wereld de
Goddelijke straf was voor hun verwerpen van de Christus Gods.
Straf wegens wangedrag
Veronderstel
nu: een jongen wordt om zijn wangedrag door de vader buiten de huiskamer
en de familiekring gesloten en in de gang gezet. Vader brengt hem in zeer
ernstige bewoordingen zijn schandelijk gedrag onder het oog, maar
verzekert hem tevens heel hartelijk dat hij straks weer vol liefde zal
worden ontvangen en binnengelaten, zodra hij maar oprecht berouw toont en
zijn schuld wil belijden!
Dat
is een beeld van hetgeen God met Israël gedaan heeft. Petrus zegt tot het
Joodse volk, na hun ernstig hun wandaden voor ogen te hebben gehouden:
 |
"Hebt
dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden uitgedelgd worden. Dan zullen
de tijden der verkwikking komen, en zal God Jezus Christus uit de hemel
terugzenden. De hemel moet Hem namelijk opnemen tot de tijden der
wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van
Zijn heilige profeten van oudsher." Hand.
3:19 -21 |
Dit aanbod van Petrus is nog heden voor Israël van kracht! Jezus zal
wederkomen uit de hemel en Zijn rijk onder hen oprichten, zodra zij zich
bekeren en Hem als hun Messias aannemen.
Wat
doet nu echter die jongen, die door zijn vader om zijn wangedrag in de
gang is gezet? Na enige tijd stapt hij de huiskamer weer binnen met een
doodgewoon gezicht, alsof er niets gebeurd is en wil zijn plaats in de
familiekring zo maar weer innemen! Wat dunkt u, zal de vader dat toelaten?
Of zal hij in toorn onsteken en zijn jongen bij de schouder grijpen?
Is
hetgeen Israël nu doet: terugkeren naar het oude vaderland, zonder schijn
van verootmoediging en er weer een onafhankelijke Joodse staat stichten,
niet precies hetzelfde? Getuigt zulk een daad niet van verregaande
onverschilligheid voor God en Zijn Woord en voor Zijn straffen? Zal God
dit zonder meer toelaten? Is het niet duidelijk, dat de Joden, die zich in
de nieuwe staat Israël gaan vestigen, daar door het oordeel Gods
getroffen zullen worden?
De
uitgestrekte Hand
De
Hand, die eens Israël het land der vaderen uitdreef, is ook nu nog tegen
hen uitgestrekt. Zij zal ook uitgestrekt blijven, totdat het zich bekeert
en Christus als Verlosser aanvaardt. Het vijfmaal herhaalde woord van de
profeet is ook heden van
kracht:
 |
"Om
dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog
uitgestrekt." Jes.
5:25; 9:11, 16, 20; 10:4
|
Men
zegt, dat de Joden toch recht hebben op nationale onafhankelijkheid.
In de proclamatie, door de minister-president Ben Goerion op 14 mei 1948
uitgesproken, wordt op historische, wettelijke en natuurlijke gronden
dit recht uiteengezet. Het eerste Zionistische congres in 1897 heeft dit
recht reeds uitgesproken. Het kreeg een erkenning door de Balfourverkaring
en op 29 november 1947 door het besluit van de Verenigde Naties, dat de
vestiging van een Joodse staat in Palestina eiste.
Waarom
zou het Joodse volk niet evengoed als andere volken recht hebben op een
onafhankelijk bestaan in een eigen soevereine staat? Heeft de moord van
miljoenen Joden in Europa niet de noodzakelijkheid aangetoond om nu
eindelijk het Joodse probleem op te lossen door de vestiging van een eigen
nationaal tehuis? Moeten wij niet allen uit diepmenselijk medelijden om
het ontzettende leed, dat over hen gekomen is, ten volle sympathiek staan
tegenover hun nationale plannen?
Zeker,
uit zuiver menselijk motief zouden wij "om dit alles" ons met
blijdschap en geestdrift achter het Joodsnationaal herstel moeten
scharen. Uit menselijke overwegingen! Maar..... zijn dit ook Gods
gedachten? Laat Jesaja Jes.
9:11, 12
het zeggen:
 |
"Om
dit alles keert Zijn toorn zich niet af." Waarom
niet? "Want dit volk keert
zich niet tot Dien, die het slaat, en de Heere der heirscharen zoeken
zij niet."
Jes.
9:11,
12
|
Geen
humanitaire overwegingen mogen ons beletten, de terugkeer naar Palestina
te zien als opstand tegen God!
Zolang
Israël zich niet tot God keert, keert Gods toorn niet van hen af! De hoop
van het Joodse volk op een zonniger toekomst, nu het weer thuisgekomen is
in het land der vaderen, zal daarom op een wrede teleurstelling uitlopen.
Vergelijking met het verleden.
De
tijd van Ezra
De
massale terugkeer der Joden naar Palestina en de vestiging van de Staat
Israël heeft een toestand geschapen, die overeenkomst vertoont met de
dagen van Zerubbabel en Ezra.
Toen
was, evenals nu, een deel der Joden uit de ballingschap teruggekeerd naar
het land Israëls, maar een veel groter deel nog achtergebleven in de
verstrooiing. Er is echter ook een groot verschil! Toen werd bij de
wedergekeerde ballingen, ondanks vele gebreken, een verlangen gevonden om
God te dienen; "een iegelijk, wiens geest God verwekte", trok op
om te bouwen het huis des Heeren, die te Jeruzalem woont.Ez.
1:5
Van het grote kwaad der afgoderij, die de diepste oorzaak van de toorn
Gods en van hun verstrooiing was geweest, hielden zij zich voortaan verre.
De
tegenwoordige Joodse staat daarentegen draagt een
humanistischsocialistisch karakter met nauwelijks enige religieuze inslag,
om van geloof in Christus helemaal maar te zwijgen. Toen traden temidden
der weergekeerden de door God geroepen profeten op (Haggaï, Zacharia,
Maleachi) om hen te bemoedigen, tot volharding aan te sporen en
geestelijke leiding te geven; een bewijs dat Gods oog in welgevallen op
hen rustte. En er werd ook geluisterd naar dit profetisch getuigenis! Nu
echter is er een eigenwillig handelen, in onverschilligheid voor en
ongehoorzaamheid aan wat God vraagt.
De
tijd van Zedekia
De
tegenwoordige situatie van het Joodse volk vertoont dan ook meer
overeenkomst met die, welke tijdens Juda’s laatste koning, Zedekia,
bestond.
Ook
toen was de grote meerderheid van het volk reeds in ballingschap. De Tien
Stammen al meer dan een eeuw; en ook uit Juda waren reeds grote scharen
door Nebukadnezar weggevoerd 2Kon.
24:14.ev
Toen traden in Jeruzalem geen profeten op om het volk te bemoedigen of te
troosten. Integendeel: Jeremia kondigde hun de zwaarste oordelen aan!
Mochten de achtergeblevenen er prat op gaan, dat zij beter waren dan de
anderen, omdat zij aan het oordeel der wegvoering ontkomen waren, Jeremia
verzekerde hun dat juist het omgekeerde waar was! Jer.
24
De
weggevoerde Joden waren als een korf vol goede vijgen, de achtergeblevenen
daarentegen de zeer slechte vijgen. God zou de weggevoerden eenmaal
terugbrengen in Palestina en zij zouden weder Zijn volk zijn omdat zij
zich met hun ganse hart tot Hem zouden bekeren. De achtergebleven Joden
daarentegen zouden onder het oordeel Gods vallen en door de plagen Gods,
oorlog, hongersnood en pest, worden uitgeroeid!
Feitelijk
is door de vestiging van de Staat Israël deze zelfde toestand der dingen
teruggekeerd! Er ontbreekt nog maar aan dat de Joden de tempel te
Jeruzalem herbouwen en een koning over zich uitroepen. Ook nu blijft,
dat God zich te zijner tijd ontfermen zal over het Joodse volk in de
verstrooiing en hen zal terugbrengen als natie in het land der vaderen,
doch hun die voorbarig in eigen wil teruggekeerd zijn, wacht niets anders
dan een verschrikkelijk oordeel Gods.
Jeremia
vermaande de weggevoerden dan ook, om rustig in het vreemde land te
blijven wonen en er hun leven in te richten. Jer.
29:4-6
Deze vermaning is ook nu weer van kracht! Het is nog te vroeg voor Israël
om nu al naar hun eigen land terug te keren. En allen die heden ten dage,
misschien zelfs met een beroep op de Bijbel, hen tot deze terugkeer
aansporen,
mogen acht geven op de waarschuwing des Heeren aan de ballingen:
 |
"Laat
uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet
bedriegen
en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen; want zij profeteren
u valselijk in Mijn naam, Ik heb hen niet gezonden, spreekt de
Heere." Jer.
29:8,9
|
Als
Jeremia en Ezechiël aankondigen, dat Jeruzalem zal ingenomen en verwoest
worden, dan heeft dit betrekking op de inname door Nebukadnezar. Maar let
nu eens op deze uitspraak:
 |
"Ziet,
een onweder des Heeren, een grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk
onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd. Des Heeren toorn zal
zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan en totdat Hij zal hebben
daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij
met verstand daarop letten."
Jer.
23:19,20
|
De
slotwoorden bewijzen dat deze bedreigingen evenzeer gericht zijn tegen het
Jeruzalem van de moderne Staat Israël onzer dagen! Jeruzalem zal nogmaals
door de vijanden ingenomen, uitgemoord en op ontzettende wijze verwoest
worden! Waarom? Omdat God de zware bloedschuld niet vergeten is, die op
Jeruzalem drukt!
De
Bloedschuld
De
profeet Micha klaagde reeds, dat de vorsten Israëls "Sion bouwen
met bloed en Jeruzalem met onrecht." 3:10
Jesaja
sprak van "de bloedschulden
van Jeruzalem." 4:4
"Wanneer gij het gebed
vermenigvuldigt, hoor Ik niet, want uw handen zijn vol bloed."
1:5
"Om
het onschuldig bloed, dat Manasse vergoten had, zodat hij Jeruzalem met
onschuldig bloed vervuld had,"
2Kon.
24:4 gaf
de Heere de stad over aan de Chaldeeën, want Hij wilde niet meer
vergeven. In Klaagliederen zegt de profeet, dat Jeruzalem ingenomen en
verwoest is "wegens de
zonden harer profeten en de misdaden harer priesters, die in het midden
van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben."
Klgl. 4:13
De
Bloedstad
Ezechiël,
die ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem onder de ballingen in Babel
optrad, gebruikt de vreselijke naam "Bloedstad".
 |
"Gij
nu, mensenkind, zoudt gij de bloedstad recht geven?..... Ez.
22:2
Alzo zegt de
Heere Heere: O stad, die in haar midden bloed vergiet.....Ez.
22:3
Door uw
bloed, dat gij vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden..... Ez.
22:4
Ziet, de
vorsten Israëls zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed
te vergieten."Ez.
22:6
|
Goddeloze
Jeruzalemse leidslieden troostten zich met de gedachte, dat de stad
onneembaar was. Jeruzalem zou zijn inwoners tegen het verderf
beschermen, zoals een pot, die op het vuur staat, het vlees dat er in is,
tegen verbranden beschermt. Ez.
11:3
Maar God zou het vuur zo heet stoken, dat niet alleen het vlees, doch ook
de beenderen gaar gekookt werden! Ez.
24:15 En
waarom?
 |
"Daarom
zo zegt de Heere Heere: Wee de bloedstad, de pot waarin roest zit en zijn
roest is er niet afgegaan! Stuk voor stuk heeft men er uitgenomen,
waarover het lot niet geworpen is. Want haar bloed is nog binnen in
haar."
Ez.
24:6
|
Het
in Jeruzalem vergoten bloed heeft roestvlekken achtergelaten, die haast
niet te verwijderen zijn. Ook nadat velen reeds weggevoerd zijn in
ballingschap, blijft de bloedschuld aankleven.
 |
“....Op
een kale rots heeft zij het gestort; niet op de aarde heeft zij het
uitgegoten opdat het stof bedekke!"
Ez.
24:7
|
Schaamteloos
heeft zij haar misdaden gepleegd, geen poging zelfs gedaan, om ze te
verbergen!
 |
"Ten
einde gramschap te doen opkomen, ten einde wraak te nemen, heb Ik haar
bloed op een kale rots gebracht, zodat het niet bedekt kan worden."
Ez.
24:8
|
God
zelf heeft het zo beschikt, opdat het bloed gewroken zou worden! De
bloedvlekken
op de "kale rots" roepen om wraak. Het onrechtvaardig vergoten
bloed schreit ten hemel, zolang het niet "bedekt", d.w.z.
verzoend is.
 |
"Daarom,
zo spreekt de Heere Heere: Wee de bloedstad!"
Ez.
24:9
|
Het
vuur wordt heet gestookt. Al wat in de pot is, verkookt en verteert. Dat
betekent: alle inwoners van Jeruzalem komen ellendig om. En dan is nog
het roest niet verdwenen. Daarom wordt tenslotte de lege pot op het vuur
gezet, tot hij roodgloeiend wordt, en smelt. De stad zelf wordt totaal
verwoest. De lege bronzen pot op de gloeiende kolen: welk een aangrijpend
beeld van het brandende Jeruzalem! Alleen zo kan de vreselijke
bloedschuld worden uitgewist! Voor erbarmen is geen plaats! vers
14
Ik
herhaal: deze profetieën zijn aanvankelijk vervuld in de verovering van
Jeruzalem door de krijgsheiren van Nebukadnezar. Maar nu in onze dagen
Israël, niet op Gods bevel en zonder zijn Messias te erkennen, zijn
nationaal bestaan doet herleven en Jeruzalem tot zijn oude glorie tracht
te brengen en aldus de afgebroken draad van zijn geschiedenis weer
opneemt, worden dezelfde profetieën opnieuw van kracht en zullen
opnieuw in vreselijke vervulling gaan!
Gods
bedreigingen in het Oude Testament aangaande de "bloedstad"
Jeruzalem krijgen een nieuw en krachtig accent in het Nieuwe Testament.
Ook daar is Jeruzalem de bloedstad bij uitnemendheid en handhaaft daarmee
zijn oude treurige traditie!
 |
"Jeruzalem,
Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden
zijn!"
Matt.
23:37
|
Wel
richtte het nageslacht de grafstenen der profeten op en verfraaide de
gedenktekenen der rechtvaardigen, onder de vrome leuze: Wij zouden ons
niet bezondigd hebben aan hun bloed, als wij in die tijd geleefd hadden!
Maar
helaas, hoe weinig kenden zij hun eigen hart! Hun ware karakter zou
spoedig aan het licht komen: huichelaars, slangen, adderengebroed! Want
Christus zou hen op de proef stellen, door ook onder hen profeten te
zenden. Dan zouden zij sommigen van hen doden en kruisigen, anderen
geselen in hun synagogen en van stad tot stad vervolgen. De
"Handelingen der Apostelen" verhalen er ons van!
En
intussen zou Jeruzalem zich schuldig maken aan het kostbaarste bloed, dat
ooit op aarde vergoten werd: het bloed van Gods eigen Zoon! En dat in de
grootste onbeschaamdheid en vermetelheid. Letterlijk op een "kale
rots", een "gladde steenrots", om zijn vorm bekend als
Schedelplaats
of Golgotha, vlak voor de poort der stad, hebben zij de Heiland der wereld
gekruisigd! Daar vloeide zijn hartebloed! Van nu af, meer dan ooit,
verdiende Jeruzalem de schandnaam, door Ezechiël reeds gegeven:
"bloedstad!"
De
romeinse stadhouder, in een wanhopige poging om de verantwoordelijkheid
van zich af te schuiven, had in arren moede uitgeroepen: "Ik ben
onschuldig aan Zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat er van komt!"
Doch al het volk had geantwoord: "Zijn bloed kome over ons en over
onze kinderen!"
Welk
een verblindheid! Maar niet alleen Zijn bloed zal over Jeruzalem komen,
doch zoals de Heer zelf gezegd had:
 |
"Opdat
over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van
het bloed van Abel de rechtvaardige tot het bloed van Zacharia, de zoon
van Berechja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het
altaar."
Matt.
23:35
|
Men
zou kunnen zeggen: maar deze mensen waren toch niet schuldig aan de
misdaden hunner vaderen, vele eeuwen geleden gepleegd; om van Kaïns
misdaad en van "al" het onrechtvaardig vergoten bloed op de hele
aarde maar te zwijgen?
Waarom
kan al dat bloed hun dan toegerekend worden? Omdat wie, met het
waarschuwende voorbeeld van anderen voor ogen, toch dezelfde boze weg
bewandelt, daardoor dezelfde, ja zwaarder schuld op zich laadt! In het
licht van deze woorden van onze Heiland kunnen wij verstaan, dat over het
thans in ongeloof naar Palestina terugkerende Joodse volk gelijke oordelen
zullen komen als die voor negentien eeuwen hun vaderen bedreigd en
getroffen hebben.
Meer
nog trouwens dan met de situatie in Zedekia’s dagen, komt de
tegenwoordige positie der Joden in Palestina overeen met die waarin zij in
de dagen van Jezus en Zijn apostelen verkeerden. Daarom geldt voor hen het
woord van Jezus:
|
|
 |
"Gij maakt de maat uwer vaderen vol!"
Matt.
23:32
|
De toekomst van Jeruzalem.
Opnieuw
de Bloedstad
Het
Jeruzalem van de koningen uit het huis van David verwierf zich bij Gods
profeten de treurige naam "bloedstad".
Het
Jeruzalem na de Babylonische ballingschap heeft die naam in versterkte
mate verdiend door de moord op zijn Messias.
Het
tegenwoordige Jeruzalem, opnieuw Israëls hoofdstad, zal zich voor de
derde maal de naam "bloedstad" waardig maken.
De Openbaring van
Johannes spreekt van "getuigen
wier lijken zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk
genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Heer gekruisigd werd."
Op.
11:8 De
traditie der bloedstad wordt voortgezet!
Er
wordt gesproken van slechts twee getuigen, maar het is de vraag of dit
niet in overeenstemming met het karakter van het hele boek
symbolisch bedoeld is voor een groter getal. In vers 4 van hetzelfde
hoofdstuk heeft het getal "twee" betrekking op de beide
onderwerpen van hun getuigenis: het priesterschap en koningschap van
Christus. Ook schilderen vers 5 en 6 de twee karakters van hun optreden
namelijk als Elia en als Mozes, echter niet zo dat de een als Elia en de
ander als Mozes optreedt. Dit maakt het wel aannemelijk, dat wij bij het
getal twee aan een genoegzaam profetisch getuigenis en niet aan
slechts twee personen moeten denken.
Hoe
dit echter ook zij, zij vallen ten offer in dezelfde stad, "waar ook
hun Heer gekruisigd werd."
Onbegraven
blijven hun lijken drie en een halve dag op straat liggen. Dan worden zij
door God opgewekt en varen ten hemel op in de wolk, ten aanschouwen hunner
vijanden. Op hetzelfde ogenblik beeft de aarde, een tiende deel der stad
stort in puin en zeven duizend mensen komen op een ogenblik om. Kort
daarna valt de eindontknoping: Christus aanvaardt Zijn koninklijke
heerschappij
over de hele wereld. vs
.15
In
het licht der Heilige Schrift is de toekomst, die de staat Israël met
haar hoofdstad Jeruzalem tegemoet gaat, niet minder dan angstwekkend.
Evenals in de dagen van Zedekia en ook evenals in de dagen van Christus en
de apostelen, staan stad en volk aan de vooravond van een vreselijke
ondergang.
De
verwoesting door Nebukadnezar was verschrikkelijk; de verwoesting door
Titus was erger. Maar de verwoesting die het tegenwoordige, straks
misschien modern herbouwde Jeruzalem tegemoet gaat, zal alle vorige
vernielingen overtreffen. Wee de bloedstad! De wrekende hand Gods zal
haar treffen; de wraak over al het in haar vergoten bloed van
rechtvaardigen, bovenal over het bloed van de Rechtvaardige, Jezus
Christus.
 |
"Want
een verdelging, die vastbesloten is, zal de Heere der heirscharen doen
in het midden van dit ganse land."
Jes.
10:23
|
Het
komende oordeel
 |
"En
het zal geschieden in het ganse land, spreekt de Heere, de twee delen
daarin zullen uitgeroeid worden en de geest geven, maar het derde deel zal
daarin overblijven; en Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik
zal het louteren gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven gelijk
men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen en Ik zal het verhoren; Ik
zal zeggen: Het is mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn
God."
Zach.
13:8, 9
|
In
het voorafgaande vers wordt de kruisiging van Christus voorspeld;
volgens Zijn eigen verklaring in Mat. 26:31. De verzen 8 en 9 hebben een
gedeeltelijke vervulling gevonden in de Joodse oorlog van de jaren 66 tot
70 AD. In volle omvang echter hebben zij betrekking op een nog toekomstig
oordeel over de Staat Israël, gelijk het slot van vers 9 bewijst. Men mag
uit deze Schriftplaats niet opmaken, dat toch een derde deel der Israëli’s
gespaard zal blijven. Let maar eens op de volgende profetie:
 |
"Het
zal te dien dage geschieden, dat de Heere dorsen zal van de stroom der
rivier af tot aan de rivier van Egypte (d.i. het hele land
Israëls),
doch gijlieden zult opgelezen
worden, één bij één, o gij kinderen Israëls!" (d.i.
slechts enkelingen zullen behouden blijven). Jes.
27:12
|
Het
volgende vers zegt dan, dat na de voltrekking van het oordeel over de
Joden in Palestina, de Joden uit de verstrooiing door God bijeengeroepen
zullen worden om de zegen in het land te genieten:
 |
"En
het zal geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan
zullen die komen, die in het land Assur verloren zijn, en de weggedrevenen
in het land van Egypte, en zij zullen de Heer aanbidden op de heilige berg
te Jeruzalem." Jes.
27:13
|
Zijn
deze verzen, in hun verband gelezen, niet een krachtig bewijs, dat de
tegenwoordige terugkeer der Joden in onbekeerde toestand de toorn Gods
opwekt en hen in het oordeel zal doen vallen? Terwijl Gods gunst straks
rusten zal op hen, die in de verstrooiing achterbleven!
 |
"En
het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid Jakobs verdund zal
worden, en dat de vetheid zijns vleses mager zal worden. Want hij zal zijn
gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt en zijn arm aren
afmaait; ja hij zal zijn gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refaïm.
Doch een nalezing zal daarin overblijven, gelijk in de afschudding eens
olijfbooms twee of drie beziën in de top der opperste twijg, en vier of
vijf vruchtbare takken, spreekt de Heere de God Israëls."
Jes.
17:4-6
|
Heel
het Joodse volk in de Staat Israël zal verdelgd worden, op een zeer klein
overblijfsel na!
 |
"Ik zal
zekerlijk allen wegrapen
uit dit land, spreekt de Heere; Ik zal wegrapen mensen en beesten, Ik zal
wegrapen de vogelen des hemels en de vissen der zee, en de ergernissen met
de goddelozen, ja Ik zal de mensen uit dit land doen uitroeien, spreekt de
Heere. En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners
van Jeruzalem." Zef.
1:2-4
|
Dat
dit niet alleen maar slaat op de verwoestingen door de inval der legers
van Nebukadnezar, maar vooral ook op de eindtijd, blijkt uit vers 7:
 |
"Zwijg
voor het aangezicht des Heeren Heeren, want de dag des Heeren is
nabij."
." Zef.
1:7
|
In Ezechiël 5 geeft de profeet door een symbolische handeling te kennen,
hoe vreselijk het lot der inwoners van Jeruzalem zal zijn. Op een
kleitegel heeft hij een eenvoudige tekening van de stad gemaakt en van de
vijandelijke legers die haar hebben ingesloten. Nu scheert hij met een
vlijmscherp zwaard zich hoofdhaar en baard af, en verdeelt de haren in
drie gelijke hoeveelheden.
Een
derde deel der haren strooit hij midden in de tekening op de kleitegel, en
verbrandt ze daar. Dat is het beeld dergenen die in de belegering van
Jeruzalem zullen omkomen.
Weer
een derde deel strooit hij op de kleitegel rondom de tekening van de
stad en slaat er met zijn zwaard op: beeld van de vluchtelingen, die
evenmin ontkomen zullen.
Het
laatste derde deel der haren stelt.... het overblijfsel voor dat gered
wordt? Neen! Ezechiël strooit ze uit in de wind. Dit deel gaat de
ballingschap in, maar..... zal onderweg omkomen.
Slechts
zeer enkelen zullen behouden hun bestemming bereiken: Ezechiël bindt een
paar haren in de slippen van zijn mantel! Toch vinden ook deze geen rust.
Gods toorn achterhaalt hen ook daar nog. Van de haren, die de profeet in
zijn mantelslippen had verborgen, werpt hij er nog enkele in het vuur. Zo
fel was het oordeel, dat in Ezechiëls dagen over Jeruzalem kwam; zo fel
zal ook het oordeel zijn, dat de tegenwoordige inwoners van Jeruzalem zal
treffen!
In
Jes. 22:1-14 vinden wij de "godspraak over het dal des gerichts",
d.i. over Jeruzalem. De stad wordt ingenomen, de stadsmuur stort in, de
overheid vlucht doch wordt gegrepen en geboeid, en die in de stad
achterblijven worden gevangen genomen. Het is een zeer donkere
schildering, zonder enige lichtstraal, zodat bittere smart de profeet
aangrijpt:
 |
"Daarom zeg ik:
Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan
om mij te troosten over de verstrooiing der dochters mijns volks."
Jes.
22:4
|
Dezelfde
smart kwam over onze Heiland, toen Hij, bij de gedachte aan de komende
ondergang, weende over Jeruzalem.
Dezelfde
smart moet ook ons door de ziel snijden, als wij het schouwspel van Israëls
terugkeer naar het land der vaderen zien.
|
Jeruzalem,
Jeruzalem!
Voorheen
met eer gekroond;
De
woning waar vol majesteit,
Jehovah
heeft getroond.
Thans
met de zwaarste vloek belaan,
Verlaten
door uw God;
Jeruzalem,
Jeruzalem!
Wij
wenen om uw lot.
|
De vallei vol doodsbeenderen.
Ezechiëls
profetisch visioen van de vallei vol doodsbeenderen in hoofdstuk 37:1-14 is
misschien het merkwaardigste en aangrijpendste gedeelte van het gehele
boek. Merkwaardig ook daarom, dat prof. Aalders en Johannes de Heer beiden
dit hoofdstuk aanvoeren als een bewijs voor hun tegenstrijdige inzichten!
De laatste vestigt er de aandacht op, dat eerst de beenderen zich aaneen
voegen en met zenuwen, vlees en huid bekleed worden, en pas daarna de
geest in hen komt, waardoor de dode lichamen levend worden. Daarmee
wordt toch bedoeld, dat er eerst een nationaal herstel zal zijn, waarop
dan pas enige tijd later een geestelijk herstel volgt. De eerste meent
evenwel juist het omgekeerde te kunnen concluderen uit de verzen 12-14,
die hij een onmiskenbaar getuigenis noemt, dat de terugkeer uit de
ballingschap de erkentenis van Israëls God insluit:
 |
"...Zie, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen
opkomen, en Ik zal u brengen in het land Israëls; en gij zult weten dat
Ik de Heere ben, als Ik uw graven zal hebben geopend en als Ik u uit uw
graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk!"
Ez.37:12,13
|
Hoe
zit dat nu? Wie heeft nu gelijk? Hier is nauwkeurig exegetisch
tekstonderzoek nodig. En dan zal blijken, dat..... beiden gelijk hebben!
Althans op zekere hoogte. En beiden ook ongelijk! Dat de vallei, welker
bodem geheel bezaaid is met dorre doodsbeenderen, de grote volkenwereld
voorstelt, waarin reeds vele eeuwen lang heel het Israëlitische volk
volkomen verstrooid en als het ware begraven is, kan zonder meer duidelijk
zijn:
 |
"Mensenkind,
deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; zie, zij zeggen: Onze
beenderen
zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden."
Ez.37:11
|
Toen
Jeruzalem op Nebukadnezars bevel opzettelijk en systematisch verwoest
was 2Kon.
25:8-10
en wederom grote scharen Israëlieten naar Babel gedeporteerd waren,
leek het met het Joodse volk gedaan. Er was geen hoop meer; geen toekomst.
Het was uit! Zodra men enkele geslachten verder zou zijn, zou Israël
onder de heidense volken opgelost en verdwenen zijn. Zo leek het althans!
Als de Heer aan Ezechiël vraagt: "Mensenkind, zullen deze beenderen
levend worden?" dan antwoordt deze heel voorzichtig: "Heere
Heere, gij weet het!" Inderdaad, erg waarschijnlijk leek het niet!
Daarvoor waren deze doodsbeenderen te dor. Ook het laatste restantje leven
scheen er uit verloren te zijn gegaan.
Maar
dan moet Ezechiël over deze dorre beenderen profeteren:
 |
"Alzo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest
in u brengen en gij zult levend worden."
Ez.37:5
|
Dat "inbrengen
van de geest" is naar Gods gedachten het eerste wat gebeuren moet.
Want het gaat er om zo luidde immers ook de vraag, die de Heer aan
de profeet stelde of deze beenderen weer levend zullen worden! En
daar is het inbrengen van de geest voor nodig. De bekleding der beenderen
met zenuwen, vlees en huid zal dan vanzelf volgen. Of, zonder beeldspraak:
het gaat er om, of Israël, nu verstrooid onder de volken, zich nog eens
tot de Heere bekeren zal. Als het dat doet, zal het nationale herstel er
van Godswege vanzelf uit voortvloeien.
 |
"Ik
zal de geest in u brengen en gij zult levend worden, en Ik zal zenuwen op
u leggen en vlees op u doen opkomen en een huid over u trekken."
Ez.37:5,6a
|
Het
resultaat is dan:
 |
"Ik zal... de
geest in u geven en gij zult levend worden, en gij zult weten dat Ik de
Heere ben."
Ez.37:6b
|
Gods
bedoeling doorbroken
Letten
wij nu evenwel goed op, wat er gebeurt!
 |
"Toen
profeteerde ik gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid als ik
profeteerde,
en zie, een beroering! En de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
En ik zag, en zie, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op, en
een huid trok boven over dezelve, maar er was geen geest in hen."
Ez.37:7,8
|
(De
Statenvertaling leest in vers 8: "en Hij trok een huid over
dezelve", alsof God dit deed. Nieuwe vertalingen echter hebben dit
"Hij" niet; ook de Leidse niet.)
Dat
was niet hetgeen verwacht mocht worden! Dat was niet overeenkomstig Ezechiëls
profetie; want Ezechiël had geprofeteerd gelijk hem bevolen was: "Alzo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet Ik zal de
geest in u brengen."
En
de geest kwam juist niet! Wat met die beenderen gebeurde, was niet Gods
bedoeling.
En het was ook niet Gods werk. Maar het is wel precies hetgeen wij in onze
dagen met Israël zagen gebeuren! De nationalistische gedachte, nooit
geheel uitgeroeid of verdwenen, leefde, vooral na de Russische Pogroms
(Jodenmoorden) in de tachtiger jaren der vorige eeuw weer op als zelden
tevoren. Een "geluid" werd gehoord, na de verschijning van
Herzl’s boek: het gedruis van het Zionistische streven naar nationaal
herstel in Palestina. De beenderen naderden tot elkaar, been tot been.
Zenuwen begonnen zich te vertonen op de samengevoegde beenderen, toen in
de opvolgende Zionistische congressen de lijnen zich gingen aftekenen en
de plannen steeds vaster vormen aannamen. En er kwam vlees op: steeds
groter scharen Joden gingen zich vestigen in het land der vaderen.
En
tenslotte, op 15 Mei 1948,
trok er een huid over: de onafhankelijke Staat Israël werd plechtig
afgekondigd. Een staat "Israël", als in overoude tijden,
gevormd door het oude volk in het oude land, straks ook met Jeruzalem
weer als hoofdstad, als in de glorierijke dagen van David en Salomo!
Alles compleet om zo te zeggen. "Doch daar is geen geest in
hen." God staat er buiten. Het is het werk van de mens, die met God
geen rekening houdt!
O
zeker, er is wel een aanknopen bij de oude godsdienstige traditie. Men
beroept zich soms wel op de woorden der oude profeten. De
"Proclamatie van Onafhankelijkheid" bijvoorbeeld, op 14 mei 1948
door de eerste minister David Ben Goerion in een vergadering van de
voorlopige Staatsraad uitgesproken, verklaarde: "De staat Israël
zal gegrondvest zijn op de denkbeelden van vrijheid, rechtvaardigheid
en vrede, zoals deze door de profeten van Israël zijn
voorgeschreven", om te eindigen met de betuiging: “in het vaste
vertrouwen op de Rots van Israël."
Terugkerende
Joodse ballingen herinneren zich de woorden der profeten en menen de
vervulling hunner voorzeggingen te aanschouwen. Zo schrijft er één vol
enthousiasme: "De profetieën zijn vervuld, het gejuich klinkt weer
in de bergen van Judea en de kinderen verdrijven de stilte, die eeuwenlang
het land in beklemmende doodsslaap hield; wij zijn met niet meer
overgebleven dan "met één uit een stad en twee uit een familie, vgl.
Jer. 3:14
maar in onze kleine rest dragen wij de zekerheid van Gods belofte."
Het
nationalistisch en Zionistisch streven, ook bij de merendeels niet
religieuze leiders, heeft toch kracht geput uit het Joodse verleden,
de Joodse traditie en de Joodse literatuur, met name de profetische boeken
van het Oude Testament. Hoe zou het anders kunnen? Een Jood, die het
herstel van zijn volk wenst, vindt aanknoping bij zijn oude profeten. En
het lezen van deze oude profetieën versterkte noodzakelijk het nationaal
bewustzijn en stimuleerde het pogen om tot een nationaal herstel te komen.
En dat is precies wat Ezechiël beschrijft. Hij profeteerde over de
beenderen en naar aanleiding van dat profeteren kwamen de beenderen in
actie. Echter zonder de inbrenging van de geest! Wat er gebeurde, was
wel naar aanleiding van, en stond in verband met de profetie, maar de
vervulling ervan was het niet!
God
is getrouw
Doch
Gods beloften falen niet. Ook niet, als zij door de daden van de
wederspannige mens doorkruist worden.
 |
"En
hij zeide tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg
tot de geest: Zo zegt de Heere Heere, kom aan van de vier winden en blaas
in deze gedoden, opdat zij levend worden." Ez.37:9
|
De
profeet moet opnieuw profeteren. In de nadruk, waarmee hij zich nu tot de
geest moet richten, komt duidelijk een afkeuring tot uiting over hetgeen
er zojuist geschied is. Opnieuw ontstaat er een geluid, maar nu is dat
het blazen van de wind des geestes! En opnieuw komt er beweging: de
lijken, die op de grond der vallei liggen uitgestrekt, worden levend en
rijzen overeind!
 |
"En
ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen,
en zij werden levend, en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir"
Ez.37:10
|
De
verklaring van het visioen, die de profeet in de verzen 11-14 onvangt,
heeft heel duidelijk betrekking op hetgeen bij Jezus’ wederkomst
gebeuren zal, en niet op hetgeen zich in onze dagen heeft voltrokken.
Deze
voortijdige terugkeer, de terugkeer in ongeloof, wordt verder in deze
profetie van Ezechiël volkomen genegeerd, alsof ze nooit had plaats
gehad. Daarom kon prof. Aalders deze verzen aanhalen als passend in zijn
betoog.
 |
"Zo
zegt de Heere Heere: Zie Ik zal uw graven openen en zal ulieden uit uw
graven doen opkomen en Ik zal u brengen in het land Israëls. En gij zult
weten, dat Ik de Heere ben, als Ik uw graven zal hebben geopend en als Ik
u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk!" Ez.37:12,13
|
Hier
lezen wij wat God doen zal, zodra Israël zich bekeert. Dan zal Hijzelf
hen brengen in het land Israëls. Dit houdt in, dat zij, die nu voortijdig
en in ongeloof naar Palestina teruggekeerd zijn, aldaar zullen omkomen!
Slechts zeer weinige vluchtelingen zullen ontkomen zoals wij zagen en dan
opnieuw met de anderen naar het land mogen trekken. Niet over de
voortijdig teruggekeerden, maar ook over de achtergeblevenen zal God zich
straks ontfermen.
Israël
Gods volk?
Laten
wij hier nog opmerken, dat het onjuist is over de tegenwoordige Joden te
spreken, alsof zij nog steeds "Gods volk" zijn. Dat klinkt wel
heel dierbaar misschien, maar het is kennelijk in strijd met de
gedachten van God. God zegt uitdrukkelijk
"LoAmmi", d.i.
"Niet Mijn Volk" Hos.
1:9
Vergeefs zullen wij in de Bijbel naar een plaats zoeken, waar God de Joden
na de Babylonische wegvoering nog "Mijn volk" noemt. Zij zijn
naar het woord van de apostel "beminden om der vaderen wil",
maar er is geen reden hen te idealiseren en met hen te gaan dwepen alsof
zij nog steeds Gods volk zijn. Wat henzelf betreft, kan het er alleen toe
dienen, om hun nationale trots te strelen. Bovendien lopen wij daardoor
gevaar, onze eigen Christelijke positie als Gods volk uit het oog te
verliezen.
Het
woord "ekklesia", dat in ons Nieuwe Testament met gemeente
vertaald is, betekent eigenlijk "volksvergadering". De gemeente
Gods is de volksvergadering Gods. Wie "gemeente Gods" zegt,
zegt: volk van God. Niet de Joden, maar de "algemene Christelijke
Kerk" is momenteel volk van God! Zodra echter Christus wederkomt en
Zijn gemeente reeds in de hemel is opgenomen, wordt Israël opnieuw
aangenomen als Gods volk. Hos.
2:22
 |
"En
gij zult weten dat Ik de Heere ben, als Ik uw graven zal hebben geopend,
en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk! En Ik zal
mijn Geest in u geven en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en
gij zult weten, dat Ik, de Heere, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de
Heere."
Ez.37:13,14
|
Wat
leert ons Ezechiël 37?
Dat
het niet naar Gods gedachten en naar zijn wil is, als de Joden thans in
ongeloof naar Palestina terugkeren.
Maar
dat die terugkeer in ongeloof wel door God voorzien is.
De vissers en de jagers.
Een
bijbeltekst, die sinds jaren gaarne door het Zoeklicht gehanteerd wordt,
is de tekst van de vissers en de jagers in Jer.16:16: (Ook door Johannes
de Heer in zijn brochure, pag.
48
om er (schijnbaar) mee te bewijzen, dat de tegenwoordige terugkeer van
Israël naar Palestina wel degelijk Gods goedkeuring zou hebben, ja door
Hemzelf bewerkt zou zijn.)
 |
"Zie,
Ik zal zenden tot vele vissers, spreekt de Heere, die zullen hen vissen;
en daarna zal Ik zenden tot vele jagers, die zullen hen jagen van op alle
berg en van op alle heuvel, ja uit de kloven der steenrotsen."
."
Jer.16:16
|
Vissers
zo zegt men gebruiken een lokaas om de vissen te vangen en tot zich
te trekken. Jagers doen heel anders; zij jagen achter hun prooi aan om ze
te verdelgen. Onder de vissers zouden wij dan de Zionisten moeten
verstaan, die met de propaganda van hun Joodsnationalistische idealen de
Israëlieten naar hun land lokken. De jagers daarentegen zouden de
vijandige antisemitische volken zijn, die door vervolging, pogroms en
massamoorden de Joden dwingen naar Palestina gaan.
Doch
is deze verklaring wel houdbaar en Schriftuurlijk verantwoord? Ten eerste
is de gemaakte onderscheiding tussen vissers en jagers nogal aanvechtbaar.
Het gaat er de vissers evengoed als de jagers om, de begeerde prooi in hun
macht te krijgen en te doden. Verder werken vissers volstrekt niet altijd
met lokaas. Massa’s vis immers worden in netten gevangen. Wie er een
Bijbeltekst voor wil opslaan leze Jes.19:8. Ook zegt de tekst niet, dat
jagers hen ergens naar toe, doch ergens vandaan zullen jagen. Maar
zegt men de onmiddellijk voorafgaande verzen 14
en 15
spreken toch van de terugkeer der Israëlieten naar Palestina; er is dus
alle reden om aan te nemen, dat ook vers 16 daar betrekking op heeft. Laat
ons die verzen dan nader bezien.
 |
"Daarom,
zie de dagen komen, spreekt de Heere, dat er niet meer zal gezegd worden:
Zo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland
heeft opgevoerd, maar: Zo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen
Israëls heeft opgevoerd uit het land van het Noorden, en uit al de landen
waarheen Hij hen gedreven had; want Ik zal hen wederbrengen in hun land,
dat Ik hun vaderen gegeven heb."
Jer.16:14,15
|
Het
is duidelijk, dat dit niet de terugkeer kan zijn, die wij nu voor onze
ogen zien gebeuren! Of zou iemand menen, dat het tegenwoordige optrekken
der Joden naar Palestina vergeleken zou mogen worden met de wonderbare
verlossing uit Egypte, waarvan Exodus ons verhaalt, of deze laatste zelfs
in grootheid en heerlijkheid verre zou overtreffen? Toen deed God
"grote dingen in Egypte, wonderdaden in het land Chams, vreselijke
dingen aan de Schelfzee." En zou dit alles in de schaduw gesteld
worden door hetgeen nu geschiedt? Dat is eenvoudig dwaasheid. Men kan
vers 15 niet toepassen op de tegenwoordige gebeurtenissen en heeft dus ook
geen reden om vers 16 daarop te laten slaan. Waarmee wij echter weer niet
willen beweren, dat vers 16 (evenals vers 15) op Israëls toekomstige
terugvoering door Gods eigen hand betrekking zou hebben. Die terugkeer zal
op heel wat lieflijker wijze dan door fel bloeddorstige jagers tot stand
komen:
 |
"De
Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij
zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit vier windstreken, van
het ene uiterste der hemelen tot het andere."
Mat.
24:31
|
 |
"En
het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal
worden; dan zullen die komen, die in het land Assur verloren zijn, en de
weggedrevenen in het land van Egypte, en zij zullen de Heere aanbidden op
de heilige berg te Jeruzalem."
Jes.
27:13
|
Wie
zijn de vissers en de jagers?
Het
gaat in Jer.16:16 helemaal niet over Israëls terugkeer naar Palestina,
maar juist over hun wegvoering! De bergen en heuvels, vanwaar de jagers
hen opjagen, zijn de bergen en heuvels van Kanaän! De kloven der
steenrotsen, waarin zij tevergeefs wegschuilen, zijn de welbekende
grotten van het Judese bergland! De onmiddellijk aansluitende verzen maken
dit volkomen duidelijk.
 |
"Want
hun ogen zijn op al hun wegen
(nl. op die bergen en heuvelen van Kanaän, waar zij de afgoden gediend
hebben, vers 11); zij zijn voor
mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van
voor mijn ogen (al kruipen zij weg in de steenrotsen)! Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonden dubbel vergelden,
omdat zij Mijn land ontheiligd hebben.” Jer.16:17,18
|
Wie
zijn dus die vissers en jagers? Het zijn de vijandige volken, die
indertijd de Israëlieten uit Kanaän verdreven hebben. Zo zegt ook
prof. Keil in zijn bekende commentaar op Jeremia: "De vijanden, die
de inwoners van Juda uit hun land zullen verdrijven, worden hier onder het
beeld van vissers en jagers voorgesteld."
Men leze toch het hele hoofdstuk in zijn verband. Het is een
donkere schildering.
De
Heere gebiedt Jeremia alle verbintenis met het volk te vermijden en geen
interesse te nemen in hetgeen onder hen voorvalt. Want God Zelf heeft
met hen volkomen gebroken en zal het oordeel over hen brengen. Waarom?
Omdat
zij Hem verlaten en andere goden gediend hebben. Daarom zal Hij hen
wegslingeren uit dit land naar een geheel onbekend land; daar mogen zij
naar hartelust afgoden dienen als zij willen!
Zo
verschrikkelijk en zo volkomen zal hun verstrooiing zijn onder alle
volken, dat hun uiteindelijke terugkeer naar Kanaän (en hier breekt
plotseling een lichtstraal der hoop door de diepe duisternis heen!) een
groter wonder van God zal zijn dan eens hun verlossing uit Egypte was.
Vissers
en jagers in menigte zullen hen weghalen en verdrijven. Zoals vissers een
groot sleepnet door het water halen, zo zullen de Chaldeeën door
massadeportaties de Israëlieten uit Kanaän wegvoeren. Daarna zullen de
omwonende vijandige volken jacht maken op de arme achtergeblevenen en hen
opjagen tot zelfs uit de grotten, waarin zij zich probeerden te
verschuilen. Want God heeft al hun zondige wegen gezien; zij hebben Zijn
land ontheiligd. Daarom wil Hij hen niet langer verdragen. Eenmaal zal Hij
hen wel weer zegenen, maar eerst zal Hij hun zonde dubbel vergelden.
Het
hele hoofdstuk is vol benauwdheid en dikke duisternis, waarin nauwelijks,
als terloops, een enkele lichtstraal doorbreekt, om de weinige getrouwen,
die er nog zijn, voor vertwijfeling te behoeden. De vissers en jagers zijn
de wrede werktuigen in Gods hand, om het hele volk grondig uit Zijn land
te verdrijven. De misvatting van dit vers Jer.
16:16
is daarom zo noodlottig, omdat ze voet geeft aan de gedachte, dat het
Joodse nationalisme en de stichting van de Staat Israël in Palestina
Gods goedkeuring zou wegdragen.
Hoe
verschrikkelijk toch eigenlijk, als Christenen, misleid door deze
gedachte, aan de Joden hun niet tijdig vertrekken naar Palestina gaan
verwijten, alsof de stakkers daarmee hun massale afslachting hadden kunnen
voorkomen! En toch zijn er Christenen, die dit gedaan hebben. Christenen
moesten toch verstaan dat het heil voor ieder mens, ook voor de Jood, enig
en alleen gelegen is in het geloof in Jezus Christus. God wijst ieder mens
op Christus. Op Hem alleen!
In
zijn doorwrocht boekwerk "Het Duizendjarig Vrederijk" zegt
Johannes de Heer op pag. 162:
|
"Wat wij nu zien in de Zionistische
beweging is slechts een klein menselijk voorspel van de grote Goddelijke
terugkeer."
|
En op pag. 163:
|
"Bij het lezen van deze
schriftplaatsen zullen we er ons wel voor wachten om de tegenwoordige
Zionistenbeweging als de vervulling dezer profetieën te zien. Ze is in
vele opzichten meer een vooruitgrijpen, een zuiver menselijke en nationale
beweging."
|
Deze uitspraken kunnen wij van harte onderschrijven. Het
Zionistisch streven is een menselijk en Satanisch vooruitgrijpen op wat
God eenmaal doen zal; een poging om, buiten God om, van Zijn vloek bevrijd
te worden.
Ik
spreek de hartgrondige wens uit, dat het Zoeklicht en zijn redacteur
consequent dit inzicht mogen gaan verdedigen. Dan zullen zij de Zionisten
niet meer als de door God gezonden vissers beschouwen, die het Joodse volk
naar Palestina lokken. Dan zullen zij Israëls herstel als Staat geen
"verblijdend" verschijnsel meer noemen. Dan zullen zij mannen
als prof. Aalders, wier ogen voor Israëls glorierijke toekomst nog
gesloten zijn, niet langer een wapen in de hand geven om hen op
gemakkelijke
wijze te bestrijden en de Maranathagedachte in diskrediet te brengen.
Dan zullen zij voorkomen, dat de Maranatha beweging, door voet te geven
aan de Joodsnationalistische verwachtingen, op de duur zou gaan ontaarden
in een soort politieke dromerijen, waarin geen enkele zegen ligt, omdat
Christus er bij uit het oog wordt verloren.
De doodslager en de vrijstad.
Een
prachtige illustratie van de positie voor God, waarin het huidige Joodse
volk en vooral ook de nieuw gevormde Staat Israël verkeert, wordt ons
gegeven in de Goddelijke verordeningen aangaande de bloedwraak en de
vrijsteden onder het oude Israël.
Men
leze daarover met aandacht in Numeri 35; Deuteronomium 19 en Jozua 20.
Bij
alle oude volken kwam de bloedwraak voor. Zij is waarschijnlijk al zo oud
als de mensheid zelf. Gen.
4:14
Was ergens een moord gepleegd, dan rustte op de familie van het
slachtoffer en met name op de naaste bloedverwant, het recht en de plicht
de moordenaar te doden. Hij trad op als bloedwreker. Dikwijls ontaardde
deze wijze van rechtshandhaving in eindeloze veten en bloedige oorlogen
tussen bepaalde families of stammen.
Nog
heden bestaat de bloedwraak bij Arabieren, Abessyniërs, Perzen en
andere Aziatische en Afrikaanse volken; zij kwam tot voor kort nog voor in
de Balkan, en eiste een eeuw geleden op het eiland Corsica nog enige
honderden slachtoffers per jaar.
Bij
de wetten, door God aan zijn volk Israël gegeven, werd de bloedwraak niet
verboden, doch aan vaste regelen gebonden, waardoor ontaarding voorkomen
werd. Vooral waren uitvoerige voorschriften gegeven, om iemand, die
per ongeluk, zonder enig boos opzet, de oorzaak van een anders dood was
geworden tegen de bloedwreker te beschermen. Zo
iemand kon vluchten naar de dichtstbijzijnde vrijstad en was daar veilig.
Wel werd, zodra de bloedwreker verscheen, op diens aanklacht de doodslager
onder geleide naar zijn woonplaats gebracht of naar de stad waar de
doodslag had plaatsgehad, om daar "voor het aangezicht der
vergadering voor het gericht te staan."
Werd
hij schuldig bevonden, dan leverden de rechters hem aan de bloedwreker uit
en kon deze de moordenaar doden. Een groot onderscheid met het asielrecht
zoals dat bij andere oude volken als Grieken en Romeinen bestond, bij wier
heidense tempels ook de meest geraffineerde booswichten hun rechtvaardige
straf konden ontvluchten! Israëls God, echter, handhaafde het recht:
"deze doodslager zal zekerlijk gedood worden; de wreker des bloeds,
die zal de doodslager doden."
Bleek
evenwel de doodslager onschuldig te zijn, dan werd hij door zijn rechters
teruggebracht naar de vrijstad en genoot hij daar veiligheid. Hij moest
dan echter ook in de vrijstad blijven!
De
vrijstad was voor hem een verbanningsoord. Waagde hij zich daarbuiten en
trof de bloedwreker hem aan, dan mocht deze hem doden! Pas na de dood van
de fungerende hogepriester kon hij naar zijn vaderstad en erfland
terugkeren en daar wonen als weleer, onder de bescherming van Gods heilige
wet. Zo was genadige voorziening getroffen in geval de doodslag niet
opzettelijk was geschied.
Niet
één vrijstad, maar zes vrijsteden werden aangewezen, regelmatig over het
land verspreid, "opdat de
bloedwreker de doodslager niet najage, als zijn hart verhit is en hem
achterhale, omdat de weg te ver zou zijn."
Ook
moest men "de weg bereiden", d.w.z. uit alle hoeken des lands
moest de weg naar de naaste vrijstad gemakkelijk te vinden zijn en in
goede toestand verkeren. Een snelle vlucht naar de vrijstad moest voor
iedere doodslager mogelijk zijn.
De
genade van Israëls God blonk ook daarin uit, dat niet slechts iedere
Israëliet,
maar ook "de vreemdeling en de bijwoner in het midden van hen",
dus iedere heiden die in het land verkeerde, in voorkomend geval naar de
vrijstad mocht vluchten. In dit opzicht werd geen onderscheid gemaakt!
Wat
is er een bloed vergoten in de loop der eeuwen in het land des Heeren! Wat
een onschuldig bloed heeft er gevloeid! Wat hebben er een gerechtelijke
moorden plaats gevonden! En het allermeest, helaas, in de heilige stad
Jeruzalem; door Ezechiël reeds de "bloedstad" genoemd.
De
ernstigste doodslag echter, die zich ooit in Israëls geschiedenis
afspeelde, was het drama op Golgotha, de moord op Gods eniggeboren Zoon.
Weer in Jeruzalem! Jezus zelf had al eens gezegd:
 |
"Het gebeurt
niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem." Luk.
13:33
|
Het
voorafgaand gerechtelijk onderzoek was minder dan een paskwil; de
leidslieden
des volks, farizeeën, sadduceeën en Herodianen tezamen, legden het van
het begin af aan op Zijn dood en heel de volksmassa schreeuwde om het
hardst: "Kruisig Hem!"
Waarlijk,
héél het Joodse volk maakte zich schuldig aan de vuige moord, ja ook
"de vreemdeling in hun midden": het Romeinse opperbestuur.
De
bloedwreker van Gods Zoon.
Komt
hier geen bloedwreker opdagen?
Stellig!
Wie is het? Wie zou het anders kunnen zijn dan God zelf! Gods toorn is
ontbrand tegen zijn volk, ja tegen een wereld, die Zijn geliefde Zoon
heeft verworpen en vermoord. God is de Bloedwreker van Zijn eigen Zoon en
wee de schuldige die in Zijn handen valt.
"Vreselijk
is het, te vallen in de handen van de levende God!" Maar is er dan
geen ontkomen? Waar is de vrijstad? Waar is de weg er heen?
Inderdaad
heeft God een vrijstad gegeven. Hoor, hoe Petrus aan bekommerde Israëlieten
de weg er heen wijst:
 |
"Bekeert
u, en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus tot
vergeving van uw zonden.... Laat u behouden uit dit verkeerde
geslacht!"
Hand. 2:38,40
|
Laat
u dopen! Daar is de vrijstad, de enige! De Gemeente van Christus is de
vrijstad voor iedere berouwvolle zondaar, hetzij Jood of heiden.
En
nog altijd staat de poort van de vrijstad open, wijd open, voor ieder die
daarheen komt vluchten.
Nog
altijd is er een gebaande weg die er heen leidt. Evangelieverkondiging is
een aansporing om zich naar de vrijstad te haasten. Bekeert u, en laat u
dopen! Een andere weg ter redding is er niet. Voor niemand!
Maar.....
is die weg wel voor allen? Als de doodslager "zal staan aan de deur
der stadspoort en zijn woorden zal spreken voor de oren der oudsten dier
stad," is het dan zeker, dat "zij hem tot zich in de stad zullen
nemen en hem plaats geven dat hij bij hen wone?"
Moet
hij niet eerst nog "staan voor het aangezicht der vergadering voor
het gericht", om uit te maken, of hij in deze vrijstad toegelaten kan
worden? Is iedere berouwvolle zondaar welkom? Of moet er later nog een
schifting plaats hebben?
Genade
voor allen
Zie
nu de wonderbare, alles overtreffende genade Gods! Neen, wie in deze
vrijstad, de Gemeente van Christus, wordt opgenomen, komt niet later nog
"voor het gericht". Er hoeft niet nog uitgemaakt te worden,
of zijn "doodslag", zijn vijandschap tegen God en Christus,
met opzet geschiedde dan wel uit onwetendheid voortkwam. Bij voorbaat
wordt van allen vastgesteld, dat het onwetend was! Heeft niet Jezus zelf
op het kruis gebeden:
 |
"Vader,
vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."
Luc. 23:34
|
Hoor,
wat Petrus tot de moordenaars van de Heiland zegt:
 |
"En
nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk
als ook uw oversten."
Hand. 3:17
|
God
verklaarde bij voorbaat, dat Hij met hen allen wil handelen als met de man
uit het klassieke voorbeeld van Deut. 19:5, die "...met
zijn naaste in het bos zal zijn gegaan om het hout te houwen, en zijn hand
met de bijl wordt aangedreven om hout af te houwen, en het ijzer schiet
van de steel en treft zijn naaste dat hij sterft."
Waren
de Joden geen "ijveraars voor God" geweest, Hand.
22:3
mensen die opkwamen voor Gods eer en daarom geen lasteraar konden
verdragen? In hun drift hadden zij de bijl te fors gezwaaid, het ijzer was
van de steel gevlogen en..... had Christus gedood!
Hoe
was het met Saulus van Tarsen gegaan? Vol blakende ijver voor God, als
farizeeër en lid van de Joodse Raad, had hij Stefanus laten vermoorden en
de Gemeente ten dode toe vervolgd.
"Maar"
zegt hij zelf:..
 |
"..mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn
onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb..... Maar hiertoe is mij ontferming
gegeven, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij Zijn ganse
lankmoedigheid zou bewijzen, tot een voorbeeld voor hen die later op Hem
zouden vertrouwen ten eeuwige leven." 1Tim.
1:13, 16
|
Aan
de "Voornaamste der zondaren" is barmhartigheid geschied; welnu,
dan is voor iedere Jood en voor iedere heiden plaats in de Goddelijke
"vrijstad".
Als
hij maar komen wil!
Israël
weigert
Doch
men komt niet. Het volk Israël komt niet. Het zijn slechts weinigen die
komen. De grote massa blijft afkerig, ja fel vijandig. God heeft hen
verjaagd uit het erfland en verstrooid onder de volken. Onder de volken in
wier midden de Gemeente van Christus gevonden wordt.
God
heeft hen verjaagd als het ware tot voor de poorten van de
"vrijstad". Maar op weinige uitzonderingen na, zijn zij er niet
ingegaan. Eeuwenlang hebben zij gewoond in de Christelijke landen en het
Evangelie van Gods genade in Christus gehoord. Vaak
werden zij er vervolgd, maar ook dikwijls in liefde ontvangen. Liefde werd
hen betoond om Christus’ wil.
Maar
zij hebben op het kruis van Christus gespuwd en getrapt. Zij zijn met hun
vaderen blijven roepen: Weg met Hem! Kruisig Hem!
En
nu wensen zij terug te keren naar Palestina, hun oude woonplaats.
Erkennen, om welke reden zij van daar door God verjaagd werden, willen zij
niet.
De
doodslager, die lang vertoeft heeft bij de poort ven de vrijstad, gaat
terug "naar zijn stad (Jeruzalem!) en naar zijn huis, naar de stad
vanwaar hij gevloden is." Hij doet, Alsof er niets aan de hand is!
Het onschuldig vergoten bloed van Gods Zoon telt hij voor niets.
In
plaats van aan de poort der vrijstad "zijn woorden te spreken",
zijn zonden te belijden en zich schuldig te verklaren aan het bloed van
Christus, gaat hij terug naar zijn erfland alsof er geen wolkje aan de
lucht is.
Hoe
moet dat aflopen? Want hij keert terug voor de tijd! Hij keert terug, eer
"de hogepriester gestorven is"!
Wat
moet daaronder verstaan worden?
Het
hogepriesterschap van Christus
Wij
weten, dat Christus, onze Hogepriester, in het hemels heiligdom is
binnengegaan, om er naar het voorbeeld van Aäron Zijn dienstwerk te
verrichten. Hebr.
9
Dat werk is nog niet voleindigd. Zodra het voleindigd is, zal hij
wederkeren.
Dan is Hij niet langer Priester in het heiligdom, maar zit als Priester op
Zijn troon naar het voorbeeld van Melchizedek, om, evenals deze Abraham
zegende,
Gen.
14:19
Zijn volk Israël te zegenen.Dit vereist misschien enige
toelichting.
Toen
David de burcht Jebus (in Jeruzalem) veroverd en tot zijn residentie
gemaakt had en dus "koning van Salem" was geworden, beschouwde
hij zich als de wettige opvolger van de priesterkoning Melchizedek. Ps.
110
Als priester offerde David brandoffers en dankoffers, en zegende het
volk in de naam des Heeren. 2Sam.
6:17, 18
Maar hij ging niet, als Aäron, het heiligdom binnen! En toen in later
tijd koning Uzzia dit wel waagde, 2Kron.
26:16
trof hem het oordeel! In Gods heiligdom binnentreden, bleef het voorrecht
van de Aäronitische priesters alleen.
Christus
echter, ofschoon hogepriester "naar de ordening van Melchizedek"
en niet van Aäron, is nochtans het hemels heiligdom binnengegaan. Hij kon
dit doen krachtens de oneindige waarde van Zijn eigen vergoten bloed! Hebr.
9:12
Hij
plengde op Golgotha Zijn bloed voor onze zonden, en daarna, opgestaan uit
de doden in de kracht van een nieuw leven, ging Hij als Hogepriester het
hemels heiligdom in. Aäron trad als priester een aards heiligdom binnen,
Christus daarentegen verricht Zijn dienstwerk in de hemel, hoewel naar het
voorbeeld van Aäron: priesterwerk in Gods heiligdom.
Maar
straks gaat het anders worden. Christus komt uit de hemel terug en zal
Zijn volk Israël zegenen. Zijn dienstwerk is dan geëindigd. Hij treedt
op naar het voorbeeld van Melchizedek, om Israël te zegenen: zoals
Melchizedek Abraham zegende, en zijn volk verkwikte met brood en wijn.
Dan
pas zal Israël, de moordenaar van Gods Zoon, terugkeren naar het land
zijner bezitting, om er door de ware Melchizedek, de Koning-Priester op
Davids troon in Jeruzalem, gezegend te worden.
Wat
zal er daarentegen gebeuren met de Joden, die in deze tijd naar Palestina
terugkeren, naar een onafhankelijke staat "Israël"? Zij zullen
in handen van de bloedwreker vallen! En ellendig omkomen!
Reeds
heeft een vreselijke ramp de Europese Joden getroffen. Miljoenen zijn
vermoord. Dat is niet buiten God omgegaan! Gezien de feiten, kunnen wij
gevoegelijk zeggen: indien de Joden tijdig de "vrijstad" waren
binnengegaan, indien zij Christenen waren geworden (d.w.z. Christus als
hun verlosser hadden aangenomen), dan zou hun in het algemeen dit lot
bespaard zijn gebleven.
Op
ontzettende wijze is gebleken, dat zij "buiten de vrijstad" niet
veilig zijn. Dit is trouwens in de verlopen eeuwen telkens weer gebleken;
elke Jodenpogrom, elke nieuwe moordpartij, was er het bewijs van!
Doch
wat nu, als zij het ook nog gaan wagen, naar hun oude huis en land terug
te keren!? Gods gedachten daaromtrent zijn overduidelijk. Als de
doodslager zich buiten de grenzen van de vrijstad waagde, had de
bloedwreker het volste recht, hem te doden.
"Zo
de bloedwreker de doodslager zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn;
want hij moest in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood des
hogepriesters."
Ook
kon hij zijn verblijf in de vrijstad niet afkopen door de betaling van een
zoengeld.
"Ook
zult gij geen verzoening nemen voor hem, die gevlucht is naar zijn
vrijstad, dat hij zou wederkeren om te wonen in het land, tot de dood des
hogepriesters."
Onder
geen beding werd hem een voortijdige terugkeer naar zijn vaderstad
toegestaan! Zo staat God ook onder geen beding aan Israël toe, naar
Palestina te trekken en daar een Joodse staat op te bouwen.
Het
Joodse volk, dat meent een vredig en veilig bestaan te zullen vinden in
het land zijner vaderen, gaat daar juist zijn ondergang tegemoet. Het
loopt er regelrecht in de armen van de Bloedwreker!
|
Mochten
deze regelen onder de ogen van een Israëliet komen, laat hij dan
gewaarschuwd
zijn. Hij vluchte naar de "vrijstad", en ga er binnen! Hij moge,
beangstigd alsof de bloedwreker hem op de hielen zat, zijn toevlucht
zoeken niet in nationalistische idealen, maar ..... bij zijn van God
gegeven
Messias: Jezus!
|
De
dood van de Hogepriester
Dat
"de dood van de hogepriester" betrekking zou hebben op de dood
van Christus (i.p.v. op Zijn wederkomst), en verzoenende kracht zou
hebben voor de doodslager is een misvatting.
Toen
Christus stierf, was Hij geen hogepriester. Hebr.
7:13, 14
Hij werd het pas na Zijn opstanding en hemelvaart Hebr.
8:1,
2
En Hij is een hogepriester, die nimmer sterft, maar leeft tot in alle
eeuwigheid. Hebr.
7:23,
24
Het
idee van een hogepriester, die voor ons stierf, is door en door onjuist en
onschriftuurlijk! Een hogepriester moet niet sterven, maar leven!
De
dood van een oudtestamentische had ook geen verzoenende kracht. Hij werd
alleen maar "door de dood verhinderd te blijven". De zalving
met heilige olie Num.
35:25
verloor, als hij stierf, zijn waarde. Er was dus een nieuw begin;
de doodslager in de vrijstad kwam in een nieuwe positie te staan, en kom
terugkeren naar zijn woonplaats.
De
gewone verklaring alsof Christus de "Vrijstad" zou zijn waarheen
de zondaar vlucht, is minder juist en kan niet gehandhaafd worden. Men
weet dan immers geen weg met de dood van de hogepriester en de terugkeer
naar eigen woonplaats.
De les van de Hebreënbrief.
Israëls
terugkeer naar het land der vaderen moet niet alleen afgekeurd worden,
omdat het volk nog onbekeerd en ongelovig is.
Ook
overigens is het de tijd nog niet voor het Joodse volk om zich in Kanaän
te vestigen; ook niet voor een bekeerde Israëliet!
Reeds
bij onze beschouwing over de vrijstad hebben wij daarop gewezen. Pas als
het tegenwoordig dienstwerk van Christus in het hemels heiligdom geëindigd
zal zijn en Hij als Hogepriester naar het voorbeeld van Melchizedek
uitgaat om Zijn volk in de naam van de allerhoogste God te zegenen, is
voor Israël de tijd gekomen om weer naar Palestina te gaan.
Dan
zal Christus zelf Zijn engelen uitzenden om Zijn uitverkorenen van heinde
en ver bijeen te vergaderen! Dit wijst op niets minder dan een totale
verandering van heilsbedeling; een verandering in de wijze waarop God
met de mens handelt.
Het
is opmerkelijk dat er aanvankelijk onder de Joden zelf waren, die zich
tegen het Zionistisch streven kantten, en wel op godsdienstige gronden.
Het eerste pionierswerk in Palestina is dan ook bijna geheel door het niet
godsdienstige deel van het volk verricht.
De
religieusgezinde Israëlieten hielden zich afzijdig. Orthodoxe rabbijnen
veroordeelden de terugkeer als een eigenmachtig ingrijpen in de plannen
Gods. De godsdienstig-politieke partij, de AgoedathJisraël, verzette
zich in het begin met alle macht tegen de wederopbouw van Palestina, die
naar haar mening uitgesteld moest worden totdat de Messias gekomen zou
zijn.
Ziende
het aanvankelijk succes van de wederopbouw, maar vooral gedwongen door
de zware stormen die het Joodse volk inmiddels geteisterd hebben, heeft
de partij haar houding gewijzigd. Zij besloot de Joodse staat te erkennen
en aan het openbare en politieke leven deel te gaan nemen.Toch
was haar opvatting volkomen juist en in overeenstemming met Gods Woord;
pas op Gods tijd, en dat is na de wederkomst van Christus, zal Israël
definitief en glorierijk hersteld worden.
Zie
bijvoorbeeld Matt.24:31. En in het Oude Testament Jes.11:11: "te
dien dage", d.i. als Christus Zijn vrederijk opgericht heeft. vs.
110
Dat zal dus zijn in een nieuwe heilsbedeling!
Israël
en de Gemeente
Want
deze weerhouding betekent een verlenging van de mogelijkheid om onder de
mensen het Evangelie te verkondigen, een verlenging van de dag der genade
voor een wereld, die welhaast rijp is voor het oordeel!
Het Jood-zijn heeft te maken met dit aardse, natuurlijke leven, het leven in
vlees en bloed. Het Christen-zijn daarentegen heeft te maken met het
eeuwige leven, het leven des Geestes, dat in de opgestane Christus is.
De
verdeling der mensheid in volken en natiën (waarvan Israël er een is) is
een gevolg van ‘s mensen zonde en blijft dan ook beperkt tot deze aarde.
In de hemel zullen geen volken meer zijn; daar is ook geen Israël meer.
Daar zijn alleen verloste zondaren, bekleed met het lichaam der
opstanding: een geestelijk, hemels lichaam. Dat is een geheel nieuwe
bestaanswijze!
Een
Christen, ofschoon nog in een aards lichaam, behoort reeds nu de hemel
toe. Hij is reeds thans een burger van de hemel Fil.
4:20
Daarom kan er in de gemeente van Christus geen onderscheid meer bestaan
tussen Jood en Griek. Christenen uit de Joden kunnen geen enkel voorrecht
boven hun medeChristenen bezitten.En
daarom ook kan er, zolang deze heilsbedeling duurt, voor het volk Israël
als zodanig onmogelijk een toekomst zijn.
In
zoverre hebben prof. Aalders en andere theologen gelijk, als zij de
gedachte aan een bevoorrechte positie van het Joodse volk in deze
tegenwoordige bedeling afwijzen. Indien er, naar Gods raadsbesluit, nog
een toekomst voor Israël als volk is weggelegd, dan is dat alleen
mogelijk nadat de tegenwoordige bedeling geëindigd zal zijn en de
gemeente van Christus van de aarde is weggenomen.
Dit
zal inderdaad geschieden. De gemeente wordt weggenomen van de aarde. 1Thess.
4:17
Dan komt er plaats voor een nieuwe heilsbedeling, en daar hebben genoemde
theologen helaas geen oog voor. Zoals Israël eenmaal plaats gemaakt heeft
voor de gemeente, zo zal dan wederom de Gemeente plaats maken voor
Israël.
Dan komt er ruimte voor Israëls bijzondere heilsverwachting op aarde.
Het
voorbeeld van Abraham
Gelovige
Israëlieten van vandaag mogen zich spiegelen aan het geloof der
Israëlitische
aartsvaders. Toen Abraham aangekomen was in het land dat de Heer hem
wijzen zou, heeft hij door de omstandigheden en door bepaalde
openbaringen Gods allengs en steeds duidelijker leren verstaan, dat er
van een inbezitneming van het "beloofde land" voor lange tijd
nog geen sprake zou zijn, en dat hij persoonlijk dat niet beleven zou.
|
A.
Door de omstandigheden: immers heeft hij nog jarenlang op de geboorte van
een zoon moeten wachten. Bovendien was het toegezegde land in vreemde
handen; de kanaänieten hadden er zich gevestigd.
B.
Door openbaringen Gods: Abrahams nageslacht zou in een vreemd land tot
slavernij gebracht en pas na vierhonderd jaar door Gods hand daaruit gered
worden. Hijzelf zou, in goede ouderdom, begraven worden, en derhalve de
inbezitneming van Kanaän niet beleven. Gen.
15 God
gaf hem dus persoonlijk geen erfdeel in het land, zelfs niet een voet. Hand.
7:5
|
Wat
heeft Abraham toen gedaan? Heeft hij toch getracht bijvoorbeeld alvast een
deel van het land in rechtmatig bezit te krijgen? Hij had misschien
terrein kunnen kopen, en daar huizen kunnen bouwen voor zich en zijn
talrijk dienstpersoneel. Zou dat geloof zijn geweest? Het zou een
misplaatst "vooruitlopen" geweest zijn op wat God zelf eenmaal
doen zou; een "vooruitgrijpen" op Gods plannen en Gods tijd. Het
geloof wacht steeds geduldig op Gods tijd en op Gods daden. Zij, die
geloven, haasten niet.
Neen,
Abraham heeft zich niet alvast een deel van Kanaän ten eigendom
verworven, of ook maar trachten te verwerven. Hij heeft er niet aan
gedacht, alvast een stad te grondvesten.
 |
"Door
het geloof heeft hij vertoeft in het land der belofte als in een vreemd
land, waar hij in tenten woonde met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde
belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten,
waarvan God de Ontwerper en Bouwmeester is." Hebr.
11:9, 10
|
Slechts
eenmaal heeft Abraham een stuk grond in Kanaän gekocht. Het was om een
graf te hebben voor zich en zijn familie. Maar hoe bewijst deze ene
uitzondering, hoe zeer hij, voorlopig, van het bezit van het hem beloofde
land had afgezien! Hij kocht er een erfgraf! Waarin niet alleen zijn vrouw
en hij, maar straks ook Izak en Jakob met hun vrouwen zouden begraven
worden. Hij beleed tegenover "de zonen Heths:
 |
"Ik
ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij
u." Gen.
23
|
Hij
wilde wachten op de opstanding uit de doden! Straks zal hij wederkomen in
het gevolg van de Heere Jezus op de wolken des hemels, in een nieuw,
verheerlijkt lichaam, om op een veel heerlijker wijze Kanaän in bezit te
nemen dan anders mogelijk zou zijn geweest. Zijn eigen
"woonplaats" zal niet zijn in het aardse, maar in het
"hemelse Jeruzalem". Doch hemel en aarde zullen dan onder een
Hoofd, Jezus Christus, verenigd zijn. Ef.
1:10
Naar
het voorbeeld nu der aartsvaders behoren de Joodse Christenen van vandaag
in het geloof af te zien van EretsIsraël en het aardse Jeruzalem, omdat
daarvoor in de tegenwoordige tijd geen plaats is in het raadsplan van God.
Zij behoren geen land te kopen en zich geen woonplaats te verkiezen in
Palestina met het oog op Gods toezeggingen aan Israël. Laten zij, met
alle Christenen, de blik richten naar het hemels Kanaän, en uitzien
naar de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God
is.
Die
noodzaak is trouwens voor hen nog veel duidelijker en dringender dan voor
de aartsvaders. Abraham ontving nooit een rechtstreekse openbaring omtrent
de hemelse stad en een hemels vaderland. Wij lezen in Genesis alleen maar
van beloften aangaande het aardse Kanaän. Door het geloof echter, en door
zijn dagelijkse omgang en gemeenschap met God, leerde hij naar een hemelse
stad en een hemels vaderland uitzien. Zijn geloof deed er hem als het ware
naar raden, en liet ze hem zien als uit de verte. En hij heeft zich niet
vergist! Daarom schaamde God zich niet om de God van Abraham genoemd te
worden, want Hij had hem inderdaad een stad bereid. Hem, en de andere
aartsvaders en moeders! Hebr.
11:13-16
Christenen
daarentegen bezitten wel een rechtstreekse openbaring aangaande de hemelse
stad. Het evangelie, dat hun gebracht werd, en waardoor zij behouden zijn
geworden, maakte hen van meet af bekend met de hemel en zijn
heerlijkheid. Het verbond hen, door het geloof, met een hemelse Christus,
een opgestane Christus aan de rechterhand Gods. Het leerde hen zingen:
|
Hoog
omhoog, het hart naar boven; hier
beneden is het niet!
‘t
Ware leven, lieven, loven, is
maar daar men Jezus ziet!
|
Indien
dan de aartsvaders, met verloochening van het aardse Kanaän, hun
verwachtingen op een hemels vaderland gericht hebben, hoeveel te
meer behoren Christenen dat dan te doen; dit geldt met name de Christenen
uit Israël!
Joodse
Christenen in het Nieuwe Testament
Want
aan wie is de Hebreeënbrief gericht? De titel zegt het wel, en de
inhoud getuigt het evenzeer. Hij is gericht aan Joodse Christenen, die nog
in verbinding staan met de Joodse eredienst en de nationale aspiraties van
het Joodse volk.
Dat
er zulke Christenen geweest zijn leert het Nieuwe Testament duidelijk. Zij
waren ijveraars voor de wet van Mozes, en wilden zelfs de Christenen uit
de heidenen er wel toe brengen, die eveneens te gaan onderhouden. Hetgeen
God genadig verhinderde. Hun erkende leider was Jakobus, de broeder des
Heeren.
Jarenlang
heeft God deze vorm van Christendom in grote lankmoedigheid verdragen,
maar in de Hebreeënbrief kwam een laatste waarschuwing tot hen om dit
door God verworpen godsdienstig Joodse systeem te verlaten. Heel het betoog
van de brief loopt kennelijk uit op de vermaning van Hebr. 13:13:
 |
"Laat ons derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats"(d.i.
buiten het Joodse systeem), namelijk tot Jezus, die buiten de poort van
Jeruzalem geleden heeft om door Zijn eigen bloed Zijn volk te heiligen.
Hebr. 13:13
|
De
Joodse Christenen van die dagen moesten verstaan dat zij “deelgenoten
der hemelse roeping” waren Hebr
3:1
en derhalve geen verwachtingen mochten koesteren aangaande een aards
vaderland. Zij moesten hun Joodse nationale verlangens prijsgeven en hun
oog richten op het hemels vaderland en het hemelse Jeruzalem.
Aan
de vooravond van de verwoesting van het aardse Jeruzalem, dat zijn Messias
had uitgeworpen en gekruisigd buiten de poort, werden zij opgeroepen om
dan nu eindelijk uit het Joodse godsdienststelsel uit te gaan.
 |
"Want
wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige."
Hebr
13:14
|
Zij moesten begrijpen, dat zij gekomen waren tot:
 |
"de stad des
levenden
Gods, het hemelse Jeruzalem." Hebr
12:22
|
Nu
er sinds kort weer een "Staat Israël" is, nog wel met Jeruzalem
als hoofdstad, en er onder hun geestdriftige voorstanders helaas ook
gelovige ChristenJoden zijn, krijgt de brief aan de Hebreeën weer een
onverwachte betekenis en kracht.
De
vermaningen om de hemelse stad te zoeken, en te bedenken dat Jezus
buiten de poort van het aardse Jeruzalem geleden heeft, zijn rechtstreeks
op hen toepasselijk.
Er
schijnen tegenwoordig in Palestina al Joden gevonden te worden, die
belijden in Jezus te geloven als hun Verlosser en Zaligmaker, maar die
weigeren zich te laten dopen, omdat zij dit beschouwen als een deserteren
uit de gemeenschap der nog ongelovige Joden! Welk een droevige verwarring
der geesten, waaraan het waanidee dat de tegenwoordige terugkeer der
Joden naar Palestina overeenkomstig Gods wil zou zijn, maar al te gretig
voedsel geeft! Laten dezulken toch eens de ernstige vermaning in Hebr.10
ter harte nemen:
 |
"Indien
wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid zijn
gekomen, blijft er geen zondoffer meer over, maar een vreselijk uitzicht
op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal
verteren. Indien iemand de wet van Mozes te niet doet, wordt hij zonder
meededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. Hoeveel
zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met
voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was,
onrein geacht, en de Geest der genade gesmaad heeft?"
Hebr.10:26-29
|
Wij
mogen verwachten, dat over enige tijd de Joden ook in het bezit van het
oude stadsgedeelte van Jeruzalem zullen zijn, dat nu (1950) nog in handen
der Arabieren is. Dan zal de plek waar eenmaal Salomo’s tempel stond
weer Joods bezit zijn.
Wij
behoeven er niet aan te twijfelen, dat zij dan de Omarmoskee zullen
neerhalen en er een Joodse tempel zullen doen verrijzen, waarin ook dienst
zal gedaan worden. Men zegt, dat de plannen hiervoor reeds lang gereed
zijn.
Hoe
dit ook zij, de Bijbel laat over dit herstel van tempel en eredienst geen
twijfel. Het is alleen niet zeker, dat dit reeds gebeuren zal tijdens de
tegenwoordige heilsbedeling, voor de komst van Jezus om Zijn Gemeente
tot Zich te nemen. Mocht dit wel zo zijn, dan zullen ook andere
hoofdstukken uit de Hebreeënbrief weer een kracht van toepassing
krijgen als zij sinds de dagen dat zij geschreven werden niet weer gehad
hebben. Dan gelden voor Joodse Christenen, die zich met de
nationaalgodsdienstige aspiraties van Israël inlaten, rechtstreeks de
hoogst ernstige vermaningen van Hebr.6 om niet af te vallen, en niet de
Zoon van God opnieuw te kruisigen!
In
welk een merkwaardige tijd leven wij toch! Als wij de geschriften der
broeders lezen, die meer dan een eeuw geleden reeds al deze dingen zo
helder gezien en uit het Woord Gods belicht hebben, dan is het duidelijk
dat zij niet hebben verwacht, dat nog in deze bedeling de Joden een
onafhankelijke staat in Palestina zouden vestigen. Toen was er nog voor
lange jaren van een Zionistische beweging onder de Joden geen sprake.
Toen
ik bijna een halve eeuw geleden met deze geschriften kennis maakte en
mij de ogen opengingen voor Israëls toekomst welk een gezegende
tijd was dat! had ik nooit gedacht de vestiging van een
onafhankelijke
Staat Israël in Palestina nog te zullen beleven. Ik verwachte eerder de
wederkomst van Christus ten behoeve van Zijn Gemeente.
Nooit
heb ik eraan gedacht, dat de Hebreeënbrief nog eens zulk een
rechtstreekse betekenis en kracht zou krijgen als hij nu gekregen heeft en
misschien in de naaste toekomst nog meer krijgen zal.
Als
ik deze dingen overleg, dringt zich één gedachte met kracht aan mij op:
Jezus komt! Hij komt spoedig!
 |
"Want
nog een korte, korte tijd, en Hij die komt, zal er zijn, en niet op Zich
laten wachten, en Mijn rechtvaardige zal uit het geloof leven, maar als
hij nalatig wordt dan heeft Mijn ziel in hem geen welbehagen."
Hebr.
10:37, 38
|
|
Die
hope kan alleen ons geven
volharding
in de aardse strijd.
Mocht
onze blik steeds zijn geheven
tot
U, o Heer der heerlijkheid!
Versterk
toch ons geloofsvertrouwen;
Gij
gaaft uw Geest ten onderpand,
‘t
geloof verwissel’ in aanschouwen;
Doe,
Jezus, haast Uw woord gestand!
|
Aansporen of tegenhouden?
ChristenJoden
hebben zich verre te houden van het Zionistische streven en van alle
Joodsnationale idealen onzer dagen. Dat nationalistisch streven, als het
in Bijbels licht gezien wordt, is zonde, is verzet en opstand tegen God.
Hoe
kan een Christen, ook een ChristenJood, daaraan meedoen, of er zelfs maar
sympathiek tegenover staan? Zijn roeping zal veeleer zijn om iedere Israëliet,
die uit nationalistische motieven naar Palestina wil verhuizen, daartegen
ernstig te waarschuwen en hem er van af te houden.
Het
feit dat uit het Woord van God te voorzien was, dat de Joden in ongeloof
naar Palestina zouden wederkeren (Gelovige Schriftonderzoekers hebben dat
meer dan honderd jaar geleden voorspeld!), is nog geen reden om die
wederkeer te bevorderen of aan te moedigen en te steunen.De
Schrift leert ook, dat de nu teruggekeerde Joden in Palestina, in felle
opstand tegen God en Christus, zich onder leiding van de Antichrist zullen
stellen, ja hem zullen aanbidden. Brengt dat voor Christenen dan misschien
ook de roeping mee, om de komst van de Antichrist te bevorderen?
Of
moeten zij die niet veeleer tegenhouden? Hier is het stellen van de
vraag toch zeker voldoende om haar ook te beantwoorden! Hebben wij niet
juist dankbaar te zijn, dat de komst van de Antichrist tot nu toe nog
tegengehouden wordt?
 |
"En
nu, wat hem weerhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde op zijn
eigen tijd. Want de verborgenheid der wetteloosheid is reeds in werking;
alleen hij die hem nu weerhoudt, zal dit doen totdat hij uit het midden
zal weggenomen zijn. En dan zal de wetteloze (=
de Antichrist) geopenbaard
worden." 2Thes.
2:6-8
|
Wij
verblijden ons, als de toespitsing van het kwaad in deze wereld nog
weerhouden wordt; tegengehouden door Gods Geest, door de macht van Gods
Woord, door het getuigenis van Gods kinderen.
Wij
verblijden ons, als het optreden van de Antichrist nog weerhouden wordt,
en als de Jood zich weerhouden laat om naar Palestina te gaan. Want deze
weerhouding betekent een verlenging van de mogelijkheid om onder de
mensen het Evangelie te verkondigen, een verlenging van de dag der genade
voor een wereld, die welhaast rijp is voor het oordeel!
De
Schrift leert ons ook, dat eerlang het oude Romeinse rijk* in een nieuwe
vorm herrijzen zal.
Ik
onderschrijf gaarne wat het Zoeklicht daaromtrent leert. (Zie mijn
brochure "De Toekomst van de volken der aarde" Den Haag 1914).Ik
geloof ook, dat het herstel van dat rijk (eveneens meer dan een eeuw
geleden door Schriftonderzoekers voorspeld) in onze dagen krachtige
vorderingen maakt. Maar is dat een reden om naar het opkomen van dat
"beest uit de afgrond"
Op.
13:1; 17:8
met verlangen uit te zien, of er zelfs steun aan te verlenen misschien?
Laten
wij veeleer bidden dat zijn optreden nog tegengehouden moge worden, want
het zal een ondraaglijke tirannie uitoefenen, zoals nog nimmer in de
wereldgeschiedenis is vertoond!
Zo
kan een Christen evenmin met sympathie tegenover het nationalistisch
streven van het Joodse volk staan. Het herstel van de Staat Israël is
waarlijk geen "verblijdend" verschijnsel; integendeel, wie
Israël waarlijk lief heeft, moet zich over de loop der dingen bedroeven!
Voor
sommigen moge het misschien een oorzaak van blijdschap (of moet ik zeggen:
sensatie?) zijn, te ontdekken dat wat door onderzoekers der Bijbelse
profetieën reeds lang voorspeld is, nu ook werkelijk gebeurt. Maar dat
bewijst alleen, dat men die voorspelling eigenlijk nooit werkelijk geloofd
heeft!
Voor
wie de profetieën echt gelooft, is hun vervulling de gewoonste zaak
van de wereld, en geen verrassing meer.
Het
doel der profetieën
Waartoe
heeft God ons Zijn profetieën eigenlijk gegeven? Om
onze nieuwsgierigheid omtrent de afloop der dingen te bevredigen? Om
onze ijdelheid te strelen, zodat wij ietwat zegevierend kunnen zeggen
van tijd tot tijd: zie je wel, het gaat net zoals ik altijd op grond van
Gods Woord voorspeld heb?
Natuurlijk,
als een profetie wordt vervuld, dan is die vervulling een bewijs voor haar
waarheid. Maar een Christen heeft dat bewijs niet nodig. Hij gelooft de
profetie!
Doch
God laat ons in de profetie de toekomstige en uiteindelijke ontwikkeling
van de beginselen der wereld zien, opdat wij des te beter de
verdorvenheid dier beginselen zouden onderkennen, en er ons van
gescheiden zouden houden. Noach werd
"door Goddelijke aanspraak
vermaand aangaande de dingen die nog niet gezien werden."
Hebr.
11:7
Met
wat voor gevolg? Hij hield zich in zijn wandel gescheiden van de wereld en
nam maatregelen tot zijn behoud!
"Door
het geloof heeft hij de wereld veroordeeld." Hebr.
11:7
Allerlei
dingen in deze wereld dragen soms een schone schijn, zodat ook gelovigen
er door misleid kunnen worden.Daarom
heeft God ons in de profetieën de lijnen getoond, waarlangs het
wereldgebeuren
zich zal laten ontwikkelen, opdat wij er ons verre van zouden houden.
Hij
heeft ons de plannen van het ongelovige, Christusvijandige Jodendom
tevoren
bekend gemaakt, opdat wij er niets mee van doen zouden willen hebben!
Antisemitisme
Er
ligt een ontzaglijke tragiek in de geschiedenis van het Joodse volk. Ook
in zijn jongste geschiedenis. Meer dan enig volk ter wereld werd het in de
Tweede Wereldoorlog gehavend. Miljoenen doden verloor het in de Duitse
gaskamers. Verjaagd en berooid, der wanhoop nabij, zoekt het een toevlucht
in het land der vaderen en hoopt op een betere toekomst. Ons past een diep
medelijden!
Maar
dit mag ons niet verleiden om ons mede achter hun nationalistisch streven
te scharen. Het mag ons ook de ogen niet doen sluiten voor de ontzettende
zondenschuld van het Joodse volk.
Schuld
tegenover mensen. Het oeroude en altijd weer oplevende antisemitisme in de
wereld moet toch zijn diepste en werkelijke oorzaken vinden in het
gedrag van de Joden zelf!
Men
heeft het wel willen doen voorkomen, alsof alle antisemitisme slechts
vrucht zou zijn van onkunde en wanbegrip, en dat er geen enkele geldige
reden voor zou bestaan. Doch desniettemin verdwijnt het maar niet, en
vermindert ook niet. Integendeel!
|
"Slechts
enkele jaren nadat de afschuwelijkste vervolgingen, die de geschiedenis heeft gekend, een brede golf van
sympathie voor de slachtoffers ervan door de wereld hadden doen gaan, is
die sympathie al weer aan het afnemen en groeit de antipathie met de dag.
Vooral
sedert de aard der Zionistische extremisten zich in Palestina heeft doen
voelen bij gebeurtenissen als de moord op graaf Bernadotte, is weer een
gevoel van verbittering tegen de Joden begonnen te groeien, niet
alleen onder de Arabieren, maar bij vele mensen in verschillende delen der
wereld. Voor een dergelijk verschijnsel zegt Prof. W. M.Horton
terecht
moeten objectieve redenen bestaan
("Wending", 4e Jaargang
1949, pagina 336).
|
Er moet iets problematisch zijn aan de groep, die op een
dergelijke verbazingwekkende manier hardnekkig verworpen wordt."
Velen
hebben getracht, van het ontstaan en voortbestaan van het antisemitisme
een verklaring te geven, die de integriteit (onkreukbaarheid) van het
Joodse volk onaangetast laat.
Men
heeft het terug willen voeren op het natuurlijke wantrouwen en de daaruit
voortvloeiende vijandschap, die de massa altijd koestert tegen
vreemdelingen en met name tegen wie op enigerlei wijze afwijken van de
algemene norm. Maar al moge in deze redenering een element van waarheid
schuilen, als verklaring van het wereldwijde verschijnsel is ze toch
zeer onvoldoende.
Men
heeft de vijandschap tegen Israël willen terugleiden tot vijandschap
tegen de God van Israël. In wezen zou het antisemitisme dus
antichristendom zijn. Dat het ermee gepaard kan gaan, bewijst het Duitse
nationaalsocialisme.
Maar
de afwijzende houding, door de kerkvaders der 3e en 4e eeuw (Augustinus,
Chrysostomus, Eusebius van Cesarea) en een man als Luther tegen de Joden
aangenomen, kan toch onmogelijk uit deze gezichtshoek verklaard
worden.
Anderzijds
heeft men de Christelijke dogmatiek, die de oudtestamentische
oordeelsvoorzeggingen op de Joden, de beloften van zegening
daarentegen op de Christelijke kerk toepast, voor het antisemitisme
verantwoordelijk willen stellen.
De
veelheid en verscheidenheid dezer verklaringen illustreert hun
ontoereikendheid.
Hoe men de zaak ook wendt of keert, men zal de bestaansredenen van het
antisemitisme, in de onderscheidene vormen, waarin het zich openbaart:
economisch,
cultureel, politiek of religieus, wel degelijk bij de Joden zelf moeten
zoeken. En zij zijn daar mijns inziens ook wel aan te wijzen. Het Joodse
volk is niet zonder schuld.
Ik
zeg dit niet, om hun vijanden van schuld vrij te pleiten. En zeker niet,
om dezen in hun fanatisme te stijven. Ik ben geen Jodenhater. Ik heb Israël
lief. Maar ik kan hen, als volk, niet liefhebben om hun zedelijke
eigenschappen; ik heb evenals Paulus hen lief "om der
vaderen wil." En bovenal: ik heb hen lief om Christus’ wil.
Het
past niemand, en zeker een Christen niet, om zich boven zijn Joodse
medemensen
te verheffen of hen als minderwaardig aan de kant te schuiven. Een
Christen belijdt met de Apostel gaarne, dat ook hij eertijds evenzo
"hatelijk" was. Fil.
3:3
Wij
mogen hen echter ook niet gaan idealiseren, of voor hun ware zedelijke
toestand de ogen sluiten. Want hun grote zondeschuld is, dat zij, ofschoon
sinds vele eeuwen levend temidden der Christelijke Kerk, nochtans Christus
niet hebben aangenomen, maar Hem zijn blijven verwerpen en haten.
Dat
is geen schuld tegenover mensen, maar zonde voor God. Door deze verwerping
van Jezus Christus moesten hun harten, onder invloed van Satan, de
voedingsbodem worden voor allerlei duistere sentimenten, die hen bij
anderen gehaat konden maken.
Nu
zij wederrechtelijk d.w.z. tegen het recht Gods in het land
hunner vaderen weer in bezit genomen hebben, en zonder Christus hun
nationaal bestaan weer gaan opbouwen, moeten zij noodzakelijk geheel een
prooi van Satan worden, en zullen straks rijp zijn om de Antichrist
in zekere zin de incarnatie van Satan als hun leider en koning te
erkennen.
Ontvankelijkheid
voor het evangelie
Laten
wij bidden voor Israël zoals Paulus voor hen bad: niet een gebed voor de
vrede van Jeruzalem en het welslagen van de opbouw van de Joodse staat.
Maar: "een gebed om hun behoud!" Rom.
10:1 Laat
ons dan niet, op grond van verkeerd begrepen Bijbelplaatsen,
geestdriftig worden voor de Joodsnationale idealen. Niet op Palestina,
maar op Christus moeten wij de Jood wijzen; op Jezus Christus, die ook
hun Heiland wil zijn en hen tot burgers wil maken van het hemels Kanaän,
het hemels Jeruzalem!
Ons gebed.
Christenen
hebben zich verre te houden van de nationalistische verwachtingen van het
Joodse volk in onze dagen. Ook Joodse Christenen!
Kunnen
zij bidden voor het welslagen van de opbouw van de nieuwe Joodse staat?
Bidden voor de vrede van Jeruzalem?
In Ps.122 lezen wij:
 |
"Bidt
voor de vrede van Jeruzalem....."
Ps.122:5
|
Geldt
deze vermaning vandaag ook voor ons? Voor ChristenJoden misschien?
Kunnen
wij God om Zijn zegen vragen over een werk, wat zo kennelijk met Zijn wil
in strijd is en Zijn misnoegen en toorn opwekt? Zulk een gebed zou ijdel
zijn. Het kan niet verhoord worden.
Welk
Jeruzalem is het, waarvoor Ps.122 oproept tot gebed? Zie vers 5: het is de
stad, waar de stoelen des gerichts gezet zijn, de stoelen van het huis van
David. Het is het Jeruzalem uit de dagen der Davidische koningen.
Toen
echter, om al de zonden van het volk, het besluit van God vaststond om
Jeruzalem te verwoesten, moest het gebed voor de stad ophouden. Tot
Jeremia zegt de Heere:
 |
"Gij
dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op,
en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen."
Jer.
7:16
|
En
een ander maal:
 |
"Gij
dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op;
want Ik zal niet horen ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen
roepen."
Jer.
11:14
|
Ook
hun eigen gebed zou dus niet meer baten. En ten derde male lezen wij:
 |
"Wijders
zeide de Heere tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede. Ofschoon zij
vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en
spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het
zwaard en door de honger en door de pestilentie zal Ik hen verteren."
Jer.
14:11, 12
|
De
trouwe profeet, ofschoon zijn hart brandde van liefde voor zijn volk,
heeft zich aan dit verbod ook gehouden. De laatste koning, Zedekia, zond
hem een boodschap:
 |
"Vraag
toch de Heere voor ons, want Nebukadnezar, de koning van Babel, strijdt
tegen ons, misschien zal de Heere met ons doen naar al Zijn wonderen, dat
hij van ons optrekke."
Jer.
21:2
|
Later
gebeurde dit nog eens:
 |
"Bid
toch voor ons tot de Heere, onze God!"
Jer. 37:3
|
Maar
beide malen weigert de profeet, en geeft de koning een antwoord waardoor
hem alle uitzicht op Gods hulp wordt afgesneden. Moeten wij thans bidden
voor Israëls vrede in Jeruzalem en in Palestina?
Dit
lijkt mij een droevig misverstand. Waarom zouden wij bidden om iets waarin
God toch niet verhoren kan? Bovendien zouden wij door zulk een gebed ons
één maken met de in Bijbels licht gezien goddeloze pogingen van een
afvallig en opstandig volk.
Waarachtig
bidden veronderstelt gemeenschap met God en overeenstemming met Zijn
gedachten. Zulk bidden is Gode aangenaam en vindt verhoring. En anders
vergaat het ons zoals Jakobus zegt:
 |
"Gij
bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt."
Jac.
4:3
|
Treffend
is wat Jeremia schreef in een brief aan de ballingen in Babel:
 |
"Zoekt
de vrede der stad waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt
voor haar tot de Heere; want in haar vrede zult gij vrede hebben."
Jer.
29:7
|
Niet
bidden voor de vrede van Jeruzalem. Maar wel voor de vreemde verre stad
waarheen de Joodse ballingen waren weggevoerd! Zo schrijft ook Paulus, dat
wij bidden zullen
 |
"...voor
koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen
leiden in alle godsvrucht en eerzaamheid."
1Tim.
2:2
|
Geeft
het Nieuwe Testament ons enige aanwijzing, dat de gelovigen moesten
bidden, of gingen bidden, voor Israëls nationale toekomst en verlossing
van het Romeinse juk? Drongen de apostelen en evangelisten ooit op iets
anders aan bij het Joodse volk dan op bekering en geloof in de Heer Jezus
Christus?
Laten
wij bidden voor Israël zoals Paulus voor hen bad: niet een gebed voor de
vrede van Jeruzalem en het welslagen van de opbouw van de Joodse staat.
Maar:
 |
"een gebed om hun behoud." Rom.
10:1
|
Jezus
Christus wil de Heiland zijn ook van iedere Jood die Hem aanroept.
 |
"Want
er is geen onderscheid tussen Jood en Griek." Immers, een en dezelfde
is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen; Rom 10:12
|
want:
 |
"Al
wie de naam des Heeren aanroept, zal behouden worden."
Rom.
10: 13 |
|
|
N.B
* Wij (bijbels-panorama) denken dat het hier gaat om een
hersteld Grieks rijk.
De aangehaalde bijbelteksten komen uit de N.B.G. en uit de Statenvertaling. |
|