|
1.
Proloog
Groot
was mijn verbazing toen ik na mijn bekering tot Jezus Christus moest
vaststellen dat ogenschijnlijk ernstige mensen, geestelijk en
toegewijd, mensen die zich door de Geest van God tot het heil van
zielen inzetten, al hun stekels opzetten zodra men met hen sprak
over geestelijke gaven en in ‘t bijzonder over het spreken in
talen. Tot mijn droefenis hoorde ik hen soms met minachting spreken
over het werk dat God nochtans deed bij hen die zij met ironie “de
dwepers van de overkant” noemden. Uit de hoogte hakten zij hen
neer met zwaar klinkende slagzinnen, die ik al even verwaand als hol
achtte, zoals: “De gave van spreken in talen bestaat niet meer”
of: “Die gave was slechts nuttig voor de apostolische periode”.
Hun overtuiging maakte meer indruk op mij dan de gebruikte
argumenten, want eerlijk, ik hoorde hen hun standpunt niet
verdedigen aan de hand van Bijbelse gegevens. In hun gemeenten was
het onderwerp van tongen of talen even taboe als seks of genezing
van zieken; daar spréékt men eenvoudig niet over en daarmee uit!
Het scheelde niet veel of zij zouden je met een verwaand gezicht de
laan uitfluiten op de wijs van “Monsieur l’inspecteur, on
sait tout ça par coeur”.* Ik waagde het niet daarover met hen te
redetwisten; ik was nog jong, onervaren, daarenboven te weinig
voorzien van Bijbelse bagage.
*Frans wijsje dat zoveel betekent als: "Dat weten
wij al lang"
Maar hoe elementair mijn kennis van de Bijbel ook was, ik vroeg mij
steeds af welk rooster deze mensen toch hanteerden bij het lezen, om
de toch zo frequent voorkomende teksten over het spreken in talen
in het Nieuwe Testament te kunnen vermijden. Want wat mij betreft:
zelfs al had ik ze willen ontwijken (wat gelukkig niet het geval
was) ik zou het niet gekund hebben. Ik vroeg mij af hoe een
belangrijke groep van de evangelische gemeenschap er in slaagde
verstoppertje te spelen met deze teksten. Je kon ze dan misschien
nog wel links laten liggen bij de prediking, maar dat was toch
onmogelijk bij het persoonlijk lezen en bestuderen van de Schriften.
Het kwam mij voor of deze teksten alom aanwezig waren in het Nieuwe
Testament. Doen alsof ze niet bestonden, leek mij al even erg als
het wegcijferen van de apostel Petrus uit de evangeliën. Had de
Heer Jezus niet Zelf gezegd: ‘Zij nu die geloven zullen deze
tekenen volgen: in mijn naam zullen zij demonen uitdrijven, in
nieuwe talen zullen zij spreken, en met hun handen zullen zij
slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken zal het hun
geenszins schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij
zullen beter worden.’ (Markus 16 : 17, 18)
Zeker, allen die geloofd hebben zien hun geloof niet bevestigd door
het uitwerpen van duivelen, of door het drinken van giftige drank of
door het zich voeden met giftige paddestoelen zonder enig gevaar, of
door het preken in nieuwe talen of door het genezen van zieken. Maar
heeft men het recht een dergelijk stuk uit de wonderlijke puzzel van
het Bijbelse beeld weg te laten? Iemand heeft mij eens in alle ernst
gezegd dat deze dingen satanisch waren. Wacht even: ik heb vernomen
dat hij nadien zijn mening wat genuanceerd heeft. Hoe kan men
ontkennen dat zoveel christenen het spreken in talen ervaren hebben,
waarvan zij getuigen met zoveel zegen? Je kunt er toch niet
stilzwijgend aan voorbijgaan dat de Pinkstergemeenten in deze wereld
zich het snelst uitbreiden (de Islam en misschien de Jehovah’s
Getuigen uitgezonderd). Het werk onder de zigeuners komt voor hun
rekening en het is verbazend hoe het zich ontwikkelt. En heeft de
apostel Paulus, die men (ná “de Enige”) de grootste genoemd
heeft, niet verklaard: Ik spreek meer dan u allen in talen?
2. Een boodschap aan de mensen?
Op een
zekere dag kreeg ik een bepaald werkje in handen. Met grote
verbazing las ik daarin van de hand van een schrijver, die zichzelf
serieus nam, dat “de gave van talen geen reden van bestaan meer
had, omdat men talen nu op school kan leren.” En dat terwijl de
apostel Paulus (had hij dan soms geen schoolopleiding gehad?) aan
zoveel verschillende taalgroepen verkondigde dat deze wonderlijke
gave hem in groter mate dan aan de anderen ten deel gevallen was om
zijn boodschap aan diezelfde heidenen in hun eigen taal te kunnen
doorgeven. De zwakte van het argument sprong mij zo in het oog.
Ondertussen had ik mijn Bijbel wat meer onderzocht en daaruit wat
meer kennis opgedaan. Hoe kon Paulus zich van dit spreken in talen
bedienen bij zijn prediking, terwijl hij zelf onderwees: “Wie in
een taal spreekt, spreekt niet voor mensen?” (1
Korinthe 14 : 2) Als het woord in een vreemde taal zich
slechts tot God richt en niet tot mensen, zou Paulus in flagrante
tegenspraak geweest zijn met de Heilige Geest, die hem inspireerde
bij het schrijven van de genoemde tekst: “Want wie in een taal
spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God”. Het argument
scheen mij pover toe en tevens te kwader trouw gehanteerd ten
opzichte van zulke glasheldere waarheden. Dergelijke uitleg, die
niets verklaarde, wekte in mij argwaan op ten aanzien van
tegenstanders van het spreken in talen. Het valt immers onmiddellijk
op dat nergens in de Bijbel het spreken in talen voor wat anders
bestemd was dan om zich tot God te richten. Welnu, ik kan mij
slechts tot God richten in lofprijzing en gebed. Wij kunnen God niet
onderwijzen; wij kunnen God niet het evangelie prediken; wij kunnen
God niet vermanen; wij kunnen tot God niet profeteren. Er is geen
andere mogelijkheid.
Bij het spreken in talen is het nooit God die zich tot mensen richt,
maar mensen richten zich tot God; het is onmogelijk dat de Heilige
Geest zichzelf tegenspreekt. Bij nauwkeurig lezen stellen we vast
dat er op het Pinksterfeest in feite geen prediking in talen geweest
is maar wel “het spreken over de grote daden van God”. (Handelingen
2 : 11) Bij deze lofzang aan Jahweh, de God van Israël,
werden talen van heidenen gebruikt. En met hun Joodse oren,
vertrouwd met de talen van de landen waarin zij woonden, begrepen de
toehoorders dit. Dat moet voor deze Joden, afkomstig uit vijftien
verschillende landen, gekomen om de God van Israël in Jeruzalem te
aanbidden, een schok geweest zijn; zij die meenden dat hun Joodse
taal, de taal van het goede, uitverkoren Joodse volk, de enige was
die door God begrepen werd! Hun God was niet de God van iederéén!
Hem delen met de heidenen? Geen kwestie van! En kijk nu! Hún Jahweh
verstaat niet alleen Arabisch, Grieks en nog dertien andere talen
even goed als Hebreeuws - maar zijn Heilige Geest drukt Zichzelf
daarin uit bij monde van de discipelen. Beter gezegd, de lof die van
de hemel neerdaalt, keert er weer naar terug, na gedoopt te zijn
geworden in een bad van heidense talen. Zou dit mogelijk inhouden
dat de heidenen met hun barbaarse talen evengoed als zij door Jahweh
zouden worden aangenomen? Zou de gave van de talen daarvan het teken
zijn?
Het eerste spreken in talen.
Voor
we verder gaan moet ik u een klein voorval vertellen, waarbij mijn
kennis van de Schrift op de proef werd gesteld. Ik vertoefde in het
gezelschap van toegewijde en in het geloof gevorderde broeders. Zij
kenden hun Bijbel prima en onze gesprekken hadden steeds de Schrift
tot onderwerp. De oudste stelde de vraag: Wanneer werd er voor het
eerst in talen gesproken? De antwoorden lieten niet op zich wachten;
spontaan klonk er van alle kanten: “op het Pinksterfeest.”
Iedereen was er zo zeker van. Wel, toch niet! Het was bij de
torenbouw van Babel. Ik voelde mij een beetje gekrenkt. Dat ik daar
niet aan gedacht had! Dat bleef mij verder in het oor hangen. Nooit
zal ik meer de uitleg, die daarop volgde, vergeten. De
verscheidenheid in talen bij de toren van Babel was een oordeel.
Welnu, de Bijbel kent de “wet van de eerste vermelding”. Dat wil
zeggen dat een waarheid die voor de eerste maal vermeld wordt in de
Bijbel, haar oorspronkelijke betekenis houdt tot het einde toe. In
de loop der tijden kan zij van zin veranderen, zich ontwikkelen,
rijker aan inhoud worden, maar nooit zal zij haar aanvankelijke
betekenis verliezen.
Is het mogelijk dat het spreken in talen het denkbeeld van oordeel
in zich draagt? Dat wordt in ieder geval bevestigd door de tekst die
er betrekking op heeft. De centrale tekst over het spreken in andere
talen, geciteerd door Paulus in 1 Korinthe 14 : 21, vinden wij in
Jesaja 28 : 11. Paulus, gedreven door de Heilige Geest, haalt vrij
de profeet Jesaja aan die in hoofdstuk 28 : 11 zegt: “Voorwaar,
door mensen die een onverstaanbare taal spreken en in een vreemde
tongval zal Hij tot dit volk spreken.” De aanhaling van Jesaja
gaat verder met een verduidelijking, die de gedachte van oordeel,
vervat in het spreken in andere talen, bevestigt: “... opdat zij
bij hun gaan achterwaarts struikelen en te pletter vallen, verstrikt
en gevangen worden”. (vers 13) Het schoot
mij toen te binnen dat op het Pinksterfeest tongen als van vuur
neerdaalden op allen die aanwezig waren. Tongen van vuur... En vuur
is zonder twijfel in de Schrift een symbool van oordeel. Zelfs daar
waar het resultaat zuiverend is, blijft de betekenis van oordeel
steeds en overal aan vuur verbonden. Even klampte ik me vast aan de
gedachte dat het vuur toch niets te maken kon hebben met oordeel,
omdat wij zo vaak dat mooie lied zongen: “Doop mij met vuur opdat
ik mij niet meer schaam”, waarbij de woorden van Johannes de Doper
gebruikt werden.
Eerste toetsing.
Om
mijn geweten gerust te stellen ben ik al de teksten die daarop
betrekking hebben van dichterbij gaan bekijken. Ik viel van de ene
verbazing in de andere toen ik bemerkte dat onze liederenschat
niet altijd overeenstemde met goede Schriftuitleg. De Bijbel
openbaarde mij dat de vuurdoop staat tegenóver de doop met de
Heilige Geest en synoniem is met oordeel. Inderdaad, ik vond in de
vier Evangeliën de woorden van Johannes de Doper terug. Alle vier
spreken zij over de doop met de Heilige Geest, maar slechts twee
vermelden de doop met vuur. Aandachtig lezen deed mij ontdekken dat
alleen Matthéüs en Lukas over dopen met vuur schrijven, wegens de
aanwezigheid van de tegenstanders - de Farizeeën - die in de
context vermeld worden. Met het oog op hen wordt het vuur genoemd.
Waar dezelfde Farizeeën niet in de context voorkomen, in Markus en
Johannes, zijn de doop met vuur en het oordeel dan ook afwezig. De
voor de hand liggende uitleg volgt uit het vers daarna: “Hij zal
zijn tarwe in de schuur samenbrengen (dat is de doop met de Heilige
Geest), maar het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden” (dat is de
doop met vuur). Eén van de dopen (die met de Heilige Geest) is
verbonden met de hemelse voorraadschuur: de andere (die met vuur) is
vervuur...bonden met het onuitblusbaar vuur. Een aantal jaren later
zal de apostel Paulus, door de Heilige Geest dezelfde waarheden met
andere woorden neerschrijven, wanneer hij zegt dat het Evangelie
voor sommigen een levensgeur ten leven is en dat ditzelfde Evangelie
voor de anderen een doodsgeur ten dode is. (2
Korinthe 2 : 26)
Ik moet toegeven dat deze openbaring de kwestie nog ingewikkelder
maakte, want dit gaf aanleiding tot het stellen van een nieuwe
vraag: als het spreken in vreemde talen de gedachte van oordeel
inhoudt ... over wiens oordeel ging het dan?
3. Over wiens oordeel ging het dan?
Die
vraag, waarop ik geen enkel antwoord wist, heeft mij lange tijd
beziggehouden. Want voor zover ik al wel eens verklaringen over het
spreken in talen gehoord had, werden deze steeds in relatie gebracht
met opbouwing, lofzang, kracht, evangelisatie en vooral als teken
van de doop met de Heilige Geest. Maar dat het spreken in talen
tevens de gedachte van oordeel inhield, was ons zowaar volledig
ontgaan. Het probleem kreeg een begin van oplossing toen ik mij, na
eens en voorgoed in de Spreuken gelezen te hebben dat God alle
dingen gemaakt heeft met een doel, (Spreuken
16 : 4)
de vraag stelde: welk doel had God met de gave van het spreken in
een vreemde taal? Het was inderdaad een zeer opmerkelijk teken. Maar
waarom dit soort teken? Waarom bijvoorbeeld niet het vermogen om
zich onzichtbaar te maken? Of de gave van alomtegenwoordigheid of
het permanent dragen van een aureool? ... enzovoorts. Ik gaf mijzelf
antwoord en zei: dat zou geen zin hebben. Het spreken in een taal
moest een zin hebben, anders was het onzin. Ja, maar wélke zin? Het
moest iets te zeggen hebben, en wel tot iemand; maar wát had het te
zeggen en aan wie? Bovendien moest ik, bij goed nadenken, toegeven
dat het spreken in een vreemde taal niet de verhevenste menselijke
woordenschat inhield en evenmin een expressievorm van hoger rang
was. Er was me gezegd: kijk, wanneer je in een vreemde taal spreekt,
dan stijg je boven jezelf uit, van je eigen moedertaal ga je over
naar het hoogste, je sluit je aan bij de engelen in hun hemelse
spraak. Dat leek mij geweldig. Wanneer je eigen woordenschat
ontoereikend wordt om God te loven, dan komt de Heilige Geest je te
hulp om je één of meerdere draaien op te schroeven. Ik voelde me
niettemin toch bepaald onprettig bij de gedachte dat mijn eigen
spreken in talen wel eens precies eender zou kunnen zijn als wat ik
van de anderen om mij heen hoorde.
Onrust
Want
het was onbetwistbaar: afgezien van de extase, zag het spreken in
talen er voor een zo buitengewone gave helemaal niet buitengewoon
uit. Wat mij zo vaak een onbehaaglijk gevoel gaf hij het spreken in
talen, was het feit dat het steeds onbegrijpelijk was en dat het
helemaal niet op een gesproken taal leek. Na zelf enkele talen
geleerd te hebben vond ik dat de uitgebrachte geluiden eerder
ongewoon waren. Ik had het daar eens over met een predikant, die mij
vertelde dat het best een dialect van een of andere Indianenstam uit
Zuid-Amerika kon zijn, van de Matto Grosso of van Midden-Afrika. Hoe
kon hij dat te weten gekomen zijn? Het lijkt misschien oneerbiedig
van mij, maar ik heb mij afgevraagd naar welk halfrond de Heilige
Geest ons wou laten inschepen.Zulke dingen leken mij kolossale
nonsens. De Franse taal is een van de rijkste, meest verspreide en
volledigste talen van de aarde. Hoe kon nu een andere rudimentaire
taal, met een woordenschat die honderdmaal meer beperkt was, in
staat zijn uit te stijgen bóven het niveau van wat in het Frans
bereikt zou kunnen worden? Die evidente onzin scheen de persoon met
wie ik sprak niet in het minst te hinderen. Oh, dat goede eenvoudige
geloof! Maar ik houd nu eenmaal van orde, ook in de redeneringen. Is
dat misschien fout of zou ik dat van God hebben gekregen?
Niettegenstaande dit alles drong zich het bovennatuurlijk aspect van
het spreken in talen aan mij op, omdat ik hoorde vertellen van
mensen die geen snars afwisten van Pakistaans en zich toch in die
taal uitdrukten, of in Oudgrieks, en dat met een gemak en met een
dergelijke zuiverheid dat een hoogleraar er haast jaloers op zou
worden. Dat bovennatuurlijke toegegeven, begreep ik toch nog steeds
niet de betekenis of de draagwijdte ervan.
Eerste vraagtekens
Aan
een of twee retraites van niet-Pinkstergezinde groeperingen heb ik
deelgenomen in de hoop een antwoord te krijgen op mijn vraag naar de
bedoeling van het spreken in vreemde talen en tevens op de hoogte te
komen van de reden van het feit dat zij niet in talen spreken en van
hun negatieve houding ten aanzien van deze gave van de Heilige
Geest. Ook daar kwamen er op mijn vragen geen bevredigende
antwoorden. Ik stelde alleen een teleurstellende onwetendheid
omtrent dit onderwerp vast. Wanneer ik naar het doel van dit spreken
in talen vroeg, gaf men blijk van een onkunde aangaande de Bijbel
die even compleet was als bij de aanhangers van deze leer. De ene
groep sprak in talen zonder zelf goed te weten waarom en de anderen
wisten niet waarom zij niet in talen spraken. Niemand hielp mij
verder bij mijn onderzoek. Er lagen wel bij allebei de richtingen
klaargestoomde antwoorden gereed, maar alle van een zeldzaam schrale
aard. Men was beleefd en broederlijk ten opzichte van mij, maar mijn
vragen werkten op hun zenuwen zoals dondervliegjes bij drukkend
weer.
Versterkend middel
Eens
bestierf ik het bijna toen een groot predikant, zeer in aanzien in
charismatische kringen, mij zei dat bij zijn hoge ouderdom en de
vermoeidheid ingevolge zijn talrijke spreekbeurten, enkele minuten
spreken in talen zijn lichaamskrachten weer op peil brachten. Hij
voelde zich daardoor in zijn lichaam als vernieuwd. Hij
verkondigde dat zelfs vanaf de spreekstoel. Velen vielen bijna flauw
van ontroering toen zij dat hoorden. Zonder zich ook maar een
ogenblik af te vragen of de Bijbel zulke ervaringen wel duldde. Het
ergst van al was dat ik even goed, op het moment zelf, een flauwte
kreeg als de andere jabroers, bij het horen van dat verhaal dat
aangediend werd als Evangeliewoord. Ik kwam tamelijk vlug weer bij.
Zoals de raaf uit de fabel heb ik gezworen dat het me niet meer zou
gebeuren, maar dat was te laat. Daar heb je het, concludeerde ik na
enig nadenken, het spreken in talen wordt opgenomen in de reeks
versterkende middelen, dienstig bij de behandeling van
ouderdomsverschijnselen. Een zinsnede uit het Grote Boek schoot mij
te binnen: “… zij zullen zich tot de fabels wenden... verhalen
voor oude vrouwen”.
De kruistochten
Die
dag voelde ik pijn in mijn hart ter wille van het volk van God. Zo
toegewijd aan Hem, maar als een kudde zonder herder. Ik dacht aan de
kruistochten, aan die kruisvaarders, ziek, stervend, in de pan
gehakt, ontmoedigd, onderweg naar het Heilige Land, wier moreel men
opvijzelde met leugens. Een monnik uit de troep had zowaar - o, uit
de grond gestampt mirakel - de speerpunt, waarmee de zijde van de
Heiland eeuwen geleden doorstoken was, gevonden. Zo kwam de Hemel
zijn goedkeuring bewijzen! En meteen konden ze weer verder naar hun
utopie. Voor enkele dagen waren ze weer opgekikkerd. Armzalige,
armzalige kudde, zei ik bij mezelf, die de stem van een vreemde
aanziet voor die van de Goede Herder. Hoe
lief kreeg ik bij deze gelegenheid
het woord uit de Handelingen: “Dezen nu waren edeler dan die in
Thessaloniki: zij ontvingen het woord met alle bereidwilligheid,
terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo
waren”. (Handelingen 17 : 11 ) Indien zelfs
de prediking van de grote apostel Paulus de toetssteen van de
Heilige Schrift moest ondergaan, hoeveel te meer wordt van ons geëist
de geesten te onderzoeken, om te zien of wat zij brengen al dan niet
Schriftuurlijk is.
4. Engelentalen
Met
een belangrijk punt heb ik het bepaald moeilijk gehad. Het ging om
het geval dat het spreken in talen gevolgd werd door de uitleg
ervan. Want in de Gemeente van de eerste eeuw moest op elk spreken
in talen de uitleg volgen. De tekst onderstreept dit uitdrukkelijk:
“Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de
Gemeente.” (1
Korinthe 14 : 28)
Wat dat betreft was ik getuige van een flagrante en bijna
algemene ongehoorzaamheid ten aanzien van het bevel van Paulus, de
man die overvloediger in talen sprak dan alle anderen. Dit
voorschrift werd uiterst zeldzaam toegepast.
Weet u, ik had soms bijna liever dat men maar helemaal geen
verklaring gaf van wat er gezegd was. Ik schaamde mij er over.
Zolang er nog niets uitgelegd was kon men nog aannemen dat het
spreken in talen geïnspireerd was. Als het echter eenmaal vertaald
was, was het juist die vertaling die het vrij ongemakkelijk maakte.
In de meeste gevallen was die zo simplistisch dat de domste leerling
van de klas er het schaamrood van op de wangen zou krijgen. Het was
bijna altijd zeer alledaags, gewoon. Ik vroeg me af: Waarom heeft
hij dat niet onmiddellijk in het Frans gezegd? Inderdaad was het
veel meer opbouwend wanneer de voorganger of een andere broeder in
het Frans sprak dan wanneer hij in talen sprak. De uitleg was toch
ook een geestelijke gave? Waar bleef dan de beloofde verheffing, de
uitnemende gedachte, de verheven waarheid? Integendeel kreeg men
meestal gemeenplaatsen te horen, platgetreden paden, duizendmaal
herhaalde gedachten. Terwijl Paulus, toen hij tot de derde hemel
opgetrokken werd, er onuitsprekelijke woorden hoorde die het een
mens niet geoorloofd is uit te spreken. Ik snapte dat allemaal niet
goed. Bij mezelf dacht ik: het komt er eigenlijk op neer alsof men
alvorens water te drinken, door katalyse zuurstof en waterstof zou
scheiden om die daarna weer bij elkaar te voegen en dan dat water op
te drinken. Kan men dat dan niet onmiddellijk, vers uit de bron
komend, drinken? Ik zei soms tot mezelf: Ik moet wel bijzonder dom
zijn om mezelf zoveel vragen te stellen. Waar Paulus gezegd heeft:
“Ik wilde wel dat u allen in talen sprak,” (1
Korinthe 14 : 5)
moest dat ook voor mij toch voldoende zijn?
Talen
of celibaat?
Plotseling
schoot het mij te binnen dat dezelfde apostel die schreef: “Ik
wilde wel dat u allen in talen sprak”, in dezelfde brief zei:
“Ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ook ikzelf,” (1
Korinthe 7 : 7)
d.w.z. vrijgezel. In het Grieks zijn de gebruikte uitdrukkingen
identiek. Op dat ogenblik voelde ik mij in het nauw gedreven, want
hij die mij groen licht gaf ten aanzien van het spreken in talen,
gaf me dat eveneens voor wat betreft het celibaat. Welnu, ik had er
helemaal geen zin in door het leven te gaan als vrijgezel. In
mijzelf redeneerde ik: Ik verlang het één en verwerp het ander.
Dat is onlogisch. Een glimlach kon ik niet weerhouden. Nochtans zijn
aan die twee verlangens van Paulus heel wat leerstellige
gevolgtrekkingen verbonden: enerzijds aangaande de talen, anderzijds
aangaande het celibaat. Want in beide gevallen richt de apostel zich
tot dezelfde Korinthiërs. Ik realiseerde me hoe dikwijls onze keuze
willekeurig kan zijn en met welke lichtvaardigheid wij teksten die
ons niet bevallen opzij schuiven, om die welke in de lijn liggen van
onze eigen verlangens op de voorgrond te stellen. Wij halen
heksentoeren uit om te proberen het onverzoenlijke te verzoenen. Zo
komt men er toe, hoe paradoxaal ook, in één adem te beweren dat
allen in talen moeten kunnen spreken, maar tegelijk géén vrijgezel
hoeven te blijven. In naam van welke interpretatieregel van de
Schriften kan men tot zulke dwaasheden komen? Zou het niet oprechter
zijn toe te geven dat niet alle Korinthiërs geroepen waren tot de
staat van vrijgezel en dat tevens niet allen geroepen waren om in
talen te spreken? Paulus geeft dit toe. Enerzijds zegt hij dat niet
allen de gave van het celibaat hebben, en anderzijds dat niet allen
de gave van talen hebben: “Zijn allen soms apostelen? Zijn allen
soms profeten? Zijn allen soms leraars ...? Spreken allen soms in
talen.” (1
Korinthe 12 : 29, 30)
De vraag stellen is haar beantwoorden.
De
taal van de engelen
Ongeveer
rond die tijd ook zei een broeder, een voorganger, toen ik hem
attent maakte op het onbegrijpelijke van het spreken in talen, dat
het mogelijk de taal van de engelen was. Arme engelen, dacht ik bij
mezelf. Kunnen ze dan niet beter spreken? De taal van de engelen en
van de hemel zou niets anders dan zoiets zijn. Ik was ontgoocheld.
Ik had wat anders verwacht. Het was zelfs zo erg dat ik dacht dat
als de engelen niet beter spraken, ik het beter deed dan zij. Nee,
laten we eerlijk zijn, de uitleg van die predikant beviel me
helemaal niet. Het was eerder het beleefd ontwijken van een heel
ernstige vraag. Maar de Bijbel had het inderdaad wel over
engelentaal. In geloof moest ik dat toegeven en mij er om
verootmoedigen en vergeving vragen aan God, dat ik het aangedurfd
had te willen discussiëren over de manier waarop Hij zijn engelen
zich liet uitdrukken. Is de Heer niet gerechtigd daarin alleen Zelf
te beslissen? (Romeinen 11 : 24, 25)
Daar die voorganger verwezen had naar de Bijbel, ben ik dat boek
daarop weer gaan naslaan. Ik hoopte tenslotte dat hij het misschien
toch aan het rechte eind had. Helaas, een nieuwe ontgoocheling op de
koop toe. Eerst en vooral ontdekte ik dat wanneer engelen spraken,
zij dit nimmer deden in een hemelse taal, maar integendeel in een
menselijke taal die toen gebruikt werd en dus volledig begrijpelijk
was. Vervolgens vond ik precies één Schriftplaats waarin
geschreven staat: “Als ik in de talen van de mensen en van de
engelen sprak ...”. (1 Korinthe 13 : 1)
Innerlijk begon het me zeer tegen te staan. Ik had het gevoel om de
tuin te zijn geleid, bedrogen door al dat verdraaien van Gods Woord.
Want het is overduidelijk dat Paulus hier de stijlfiguur van
hyperbool (overdrijving) “Al ware het” gebruikt. Paulus heeft
nooit alle geheimenissen gekend; enkele regels verder bevestigt hij
dat hij die slechts ten dele kent. (vers 12)
Nooit heeft Paulus zijn lichaam overgegeven om verbrand te worden.
Nimmer deelde hij al zijn goederen uit tot voedsel voor de armen;
hij bezát niets. Evenmin heeft hij in alle talen van engelen en
mensen gesproken.
Paulus kon des te minder spreken in engelentalen waar hij met zoveel
woorden verklaart aangaande die hemelse taal dat het
“onuitsprekelijke woorden zijn die het een mens niet geoorloofd is
uit te spreken”. (2 Korinthe 12 : 4) Hij
gebruikt een voorwaardelijke manier van spreken. Een kind zou een
dergelijke taalvorm begrijpen. Hoe bestond het dat een man van
gevorderde leeftijd, een herder van de kudde, een dergelijke
gedachte of dergelijke dwaasheid kon ondersteunen? Ik was onthutst.
Toegegeven dat het ging om een op zichzelf staand geval, maar de
bewuste man was niet zómaar iemand en ik vrees daarom dat meerderen
het betreffende argument zullen hebben overgenomen. Het zou de beste
manier zijn om de zaak die zij verdedigen te ondermijnen.
5. Tweeërlei spreken in talen
Gelukkig
bestond er naast die kwalijke menselijke verklaringen, een goede;
een Schriftuurlijke. Het onbegrijpelijke, het onverstaanbare aspect
van het spreken in talen werd aanvaardbaar gemaakt door de volgende
bevestiging van Paulus: “Wie in een taal spreekt ... niemand
verstaat het”. (1
Korinthe 14 : 2)
Wat een opluchting! Dankzij de apostel Paulus worden wij er aan
herinnerd dat de geopenbaarde dingen voor ons en voor onze kinderen
zijn, maar dat de verborgen dingen voor de Here zijn. (Deuteronomium
29 : 29)
Die tekst deed mij bij mijn overwegingen in dat stadium goed en liet
mij even op adem komen. Daarmee waren de moeilijkheden natuurlijk
nog niet uit de weg geruimd. Wel had ik het gevoel in een kleine
oase beland te zijn in mijn geestelijke zwerftocht onder de hete
stralen van tegenstrijdige meningen, dankzij het geïnspireerde
woord van de man die meer in talen sprak dan de anderen
Het was me dus toegestaan er niets van te begrijpen zonder dat me
dat hoefde te verontrusten. Wat een geruststelling! Het gaf een
tevreden gevoel. En er was een geheimzinnige sfeer aan verbonden,
wat helemaal niet onaangenaam was. Nu moet ik wel toegeven dat de
tegenstanders van het spreken in talen mij de angst op het lijf
begonnen te jagen. Als ik dan al niet meer 100% aanhanger van de
geestesgaven was, ik bleef het nog voor 99% procent en ik rekende
erop spoedig dat ene procent, dat mij afgeknaagd was - meer door de
dwaasheden van hen die geloofden in het spreken in talen dan door de
tegenstanders ervan - terug te winnen. Dat vers stond mij toe samen
met mijn Pinksterbroeders vast te houden aan het inzicht dat er tweeërlei
spreken in talen bestond: het spreken dat door ieder begrepen werd
op de Pinksterdag (Handelingen
2 : 8)
en dat waarover Paulus het had in zijn brief aan de Korinthiërs wat
door niemand begrepen kon worden. (1
Korinthe 14 : 2)
Ik had ook met grote opluchting opgemerkt dat wat dat punt
betreft, voor en tegenstanders het tot op zekere hoogte met elkaar
eens waren. Het spreken in talen waarover Paulus het had was wat
anders dan dat van de Pinksterdag. Halleluja! Dergelijke woorden
lieten mij toe, niettegenstaande het wazige in het begrip van deze
dingen, toch rustig te blijven geloven in de zekerheid van mijn
standpunten.
Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen.
De
uitspraak van de Bijbel: “Niemand verstaat het” was een echte
meevaller; er kwam dus wel degelijk spreken in talen van tweeërlei
aard voor. Maar ik had in het verleden al zo dikwijls mijn neus
gestoten, dat ik deze verklaring niet als pasklare munt aanvaardde.
Ik hield me daarom aan mijn gebruikelijke werkwijze. Omdat de Bijbel
onze maatstaf is op het gebied van gedrag en geloof, verkoos ik mij
te buigen over wat de Heilige Geest had laten schrijven. Ik wilde
onderzoeken of er inderdaad twee manieren zijn om in talen te
spreken. Stel je voor dat er tussen de twee teksten slechts een
ogenschijnlijke tegenspraak bestond en geen werkelijke! Lang heb ik
geaarzeld alvorens er toe te besluiten. Het deed mij rillen. Er
komen in de Bijbel zoveel plaatsen met schijnbare tegenspraak voor,
die per slot van rekening best bestand blijken tegen een ernstig en
grondig onderzoek.
Ziehier hoe ik te werk ben gegaan. Door middel van een concordantie
heb ik alle teksten in verband met spreken in talen op een rijtje
gezet, zonder er ook maar één over te slaan. Ik heb er bijna
dertig gevonden. Daarna heb ik de Griekse tekst nagekeken. Ik
ontdekte het volgende:
1. Dat onze vertalingen van de Griekse tekst zo zuiver zijn, dat het
overbodig is er naar te verwijzen;
2. Dat er slechts één en dezelfde uitdrukking in alle teksten
gebruikt werd.
Welnu, het is toch vanzelfsprekend dat indien het spreken in talen
uit de brieven een glossolalie (het spreken van onbegrijpelijke
talen tijdens een trancetoestand, red.) zou zijn en zou verschillen
van het spreken op de Pinksterdag, dat duidelijk merkbaar zou moeten
zijn door de gebruikte terminologie. Dat was echter niet het geval.
Lukas, die de Handelingen der Apostelen schreef, gebruikte in
hoofdstuk 2 dezelfde woorden als Paulus in de hoofdstukken 12, 13 en
14 van de eerste brief aan de Korinthiërs. Indien er twee soorten
van spreken in talen voorkwamen, zoals ik oorspronkelijk dacht, zou
Lukas dat op z’n minst aangeduid hebben door het gebruik van
andere termen. En dat temeer omdat het boek der Handelingen later
geschreven is dan de brief aan de Korinthiërs. Deze laatste werd
algemeen gelezen in de toen bestaande gemeenten en Lukas was van dit
Schriftgedeelte zonder twijfel op de hoogte. Daarenboven was hij een
reisgenoot van Paulus. Om alle misverstand te vermijden: áls er dan
al een andersoortig spreken in talen bestond dan dat waarover Paulus
sprak, zou Lukas daar zeker melding van gemaakt hebben. Wel, hij
zwijgt daar ten enenmale volledig over. Hij heeft het over datgene
waarover Paulus het heeft en hij gebruikt er ook dezelfde termen
voor. Ze hebben het beide over glossa, de één zowel als de ander.
De Griekse tekst is daarin duidelijk. Nu was deze conclusie op dat
moment niet zo bijster verhelderend voor mij. Er stonden mij
dienaangaande slechts twee mogelijkheden ter beschikking om daarmee
in het reine te komen:
1. De
Bijbel is met zichzelf in tegenspraak. Nu is dat een hypothese die
door elk overtuigd christen vanwege de Goddelijke ingeving van de
Schriften verworpen wordt.
2.
Er is één enkele vorm van spreken in talen. Bleef dan nog te
verklaren hoe het kwam dat Paulus in tegenspraak scheen te zijn met
Lukas.
Paulus had het over even bekende talen als die waarom het bij Lukas
ging, want hij zegt: “Er zijn wie weet hoeveel soorten van
geluiden in de wereld.” (1
Korinthe 14 : 10)
Paulus bedoelt hiermee talen die ook inderdaad door mensen gesproken
werden. Als het dan om werkelijk bestaande talen van deze wereld
ging, hoe kwam het dan dat de Korinthiërs deze niet meer
verstonden, terwijl ze enkele jaren tevoren in Jeruzalem wel
begrepen werden? Is God dan niet eeuwig dezelfde? Het ging om een
ernstig probleem van grote omvang. De knoop werd doorgehakt dankzij
gebed en ernstig overdenken van de Schrift onder leiding van de
Heilige Geest. Alles werd zo eenvoudig, zo vanzelfsprekend, dat ik
een ogenblik twijfelde of ik het wel echt begrepen had. Ik sprak er
verder met niemand over. Enige maanden later gaf een Amerikaanse
broeder, die van mijn geestelijk probleem helemaal niets afwist,
precies dezelfde verklaring, precies in overeenstemming met wat mij
duidelijk geworden was. Waaruit blijkt dat de Heilige Geest heden
nog steeds werkzaam is in de harten van hen, die zich niet laten
leiden door wat zij van anderen horen zeggen, maar die “Gods wet
overpeinzen bij dag en bij nacht”. (Psalm
1 : 2)
Pinksteren.
Wat is
er in Jeruzalem toch gebeurd, dat alle destijds aanwezige
buitenlanders konden verstaan wat gepredikt werd door mannen
onbekend met de taal waarin zij zich uitdrukten? Bij de komst van de
Heilige Geest “vertoonden zich aan de discipelen tongen als van
vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen”. (Handelingen
2 : 3) Elk van hen sprak afzonderlijk en duidelijk
verstaanbaar in de moedertaal van elk van de aanwezigen. Vijftien
landen en volkeren en bijgevolg vijftien talen worden daarbij
vermeld. (vers 9-11) Allen die afkomstig waren
uit die landen verstonden hun eigen spraak. Helemaal geen
heksentoer, dacht ik, vijftien verschillende naties met vijftien
verschillende oren om te luisteren en te verstaan. De uitzending was
bovennatuurlijk, de ontvangst was natuurlijk.
Laten we even veronderstellen dat er op de Pinksterdag vijftien
Korinthiërs met een bandrecorder vijftien verschillende opnamen
maakten van de verschillende toespraken die door de omstanders goed
begrepen werden. Laten we een stap verder gaan. Veronderstellen wij
dat zij bij hun thuiskomst die vijftien verschillende opnamen in de
gemeente van Korinthe lieten horen, waarvan hooguit twee talen daar
bekend waren. Zonder twijfel zou de conclusie van Paulus geweest
zijn: niemand verstaat dat. Natuurlijk, omdat in de gemeente van
Korinthe het merendeel van die vijftien talen noch bekend waren,
noch gesproken werden. Zetten we onze vergelijking nog even voort.
Stel dat diezelfde opnamen, na de eeuwen getrotseerd te hebben, nu
zouden beluisterd worden in een gemeente van Lausanne, Parijs of
Madrid, dan zou het resultaat nog steeds hetzelfde zijn. Die
vijftien talen die destijds in Jeruzalem begrepen werden, zouden
door ons nu niet verstaan worden, evenmin als door de Korinthiërs
toen. Verbeelden we ons daarentegen eens dat de voltallige gemeente
van Korinthe op de Pinksterdag in Jeruzalem was. Van alles wat daar
op die dag in vreemde talen en op wonderlijke wijze verkondigd werd
zouden zij alleen de prediking in hun eigen taal (het Grieks)
verstaan hebben. Maar van de andere veertien toespraken zouden zij
niets gesnapt hebben. En als het Grieks niet op het programma van de
Heilige Geest gestaan zou hebben op die heuglijke dag, dan hadden
zij helemaal niets begrepen. Wel, precies dat deed zich voor in de
samenkomsten van de gemeente van Korinthe. Er werd daar ook door de
Geest in andere talen dan het Grieks gesproken. Niemand verstond
daar wat van, niet omdat het extatische spraak was, maar
eenvoudigweg omdat het geen Grieks was. Wat daar gezegd werd was
even onbegrijpelijk voor hen als telefoneren in het Japans voor
iemand die enkel en alleen Frans kent.
Het is hier op z’n plaats te benadrukken dat het niet ging om een
taal als gevolg van een zielsverrukking, zoals sommigen me
gesuggereerd hebben. Die gedachte is totaal vreemd zowel aan de
Griekse tekst als aan onze gebruikelijke vertalingen. Wat wordt
daardoor bewezen? Wel, dat de talen waarin de Korinthiërs spraken
geen in extase voortgebrachte onverstaanbare woordkramerij was, noch
ontoegankelijke engelentaal, maar onderscheiden nationale talen
zoals die op de Pinksterdag te Jeruzalem. En wanneer men de zin
ervan niet snapte, zoals Paulus zei, kwam dat doordat men (evenmin
als Paulus en de Korinthiërs) niet die vijftien talen kende. Wij
kunnen alleen maar de talen verstaan die wij kennen en niet meer.
Het is zo eenvoudig als één en één is twee. Daardoor kwam ik tot
het begrip van drie dingen:
1. Het
betrof zeer duidelijk gesproken levende talen van volkeren uit die
tijd.
2. De
uitspraak “Niemand verstaat het” wordt allicht een scherm
waarachter men zich gemakkelijk kan verschuilen om te beweren dat
wat heden voorkomt in onze bijeenkomsten overeenkomt met wat
gebruikelijk was in de apostolische kerk, omdat in ieder geval noch
zij noch wij het gesprokene verstaan. Deze vorm van zich uitdrukken
leidt regelrecht tot allerlei misbruiken die des te meer
oncontroleerbaar zijn, omdat het “Niemand verstaat het”,
onrechtmatig gebruikt, ons elk middel tot toetsing met de waarheid
uit handen neemt. Wanneer Bileams ezelin op bovennatuurlijke wijze
begint te spreken doet ze dat niet in extase en in onbegrijpelijke
taal. Neen, ze laat zich goed aan haar meester verstaan door in zijn
taal te spreken. (Numeri 22 : 28) De
“dwaasheid van God” bracht een stomme ezelin er toe te spreken
met een menselijke stem, waardoor de dwaasheid van de profeet werd
teniet gedaan. (2 Petrus 2 : 15, 16) Steeds
heeft God gesproken op een begrijpelijke wijze, hetzij door zijn
Woord, of door middel van engelen, van profeten of zelfs van een
stom dier. Kon ik blijven toegeven dat de God, die een dier beter of
even goed als een mens deed spreken, wezens, geschapen naar zijn
beeld en gelijkenis, minder goed zou doen spreken dan een ezel?
3. Niettegenstaande de realiteit van de betreffende gave in die
periode liet Paulus niet toe dat deze uitgeoefend werd zonder dat
daarop de uitleg volgde; (1 Korinthe 14 : 27)
de samenkomst was niet de gepaste plaats om deze gave uit te
oefenen; (vers 22) het was beter te zwijgen en
tot zichzelf te spreken dan onbegrepen zich te uiten. (vers
28) Paulus regelt de toepassingswijzen en veroordeelt het
misbruiken volgens de autoriteit die de Heilige Geest hem schonk, en
dit nog wel in een periode van de geschiedenis van de Kerk waarin
deze genadegave alle bestaansrecht had, zodanig zelfs dat hij
schrijft: “Ik dank God dat ik meer dan u allen in talen spreek”.
Dat was best te begrijpen. Zijn apostelschap ten dienste van de
volkeren werd betwist door de Joden, die zijn tegenstanders waren.
Hij bewees hun dat aan de God van Israël evengoed lof kon worden
toegezongen in vreemde talen als in hun Hebreeuws. En deze
ex-farizeeër, vrijgemaakt van het Judaïsme, ging nu met Joodse
lippen aan de Joden zelf de wondere daden Gods verkondigen in de
taal van de heidenen, juist om dat te bewijzen. Wonderen voor de ene
groep (bekeerde Joden en heidenen), oordeelsvuur voor de anderen
(ongelovige Joden), waardoor hun jaloersheid oplaaide en wat hen
deed knarsetanden.
6. Teken en doel
Ik
moet nu teruggrijpen, om de oorspronkelijke vraag waarmee ik nog
steeds worstelde en waarop nog steeds geen antwoord was gevonden,
voor het voetlicht te plaatsen. Dit is zeker: het spreken in talen
was een teken. Maar voor wie was dat teken bestemd? Alvorens te
ontdekken voor wie het wél bestemd was, werd mij duidelijk voor wie
het niet was bestemd. Bij nauwkeurig herlezen van de brief aan de
Korinthiërs werd mij het woord van Paulus heel duidelijk, het was: Géén
teken voor gelovigen.
Even mijn ogen uitwrijven. Had ik goed gelezen? Inderdaad, zo stond
het er! Dit teken was níet bestemd voor de gelovigen. Jarenlang had
ik dit Schriftgedeelte gelezen zonder echt te zien wat er geschreven
stond. Nu sprong het mij zo in het oog. Niemand had mij ooit gewezen
op dit deel van het onderricht van de Heilige Geest. Wat men in de
samenkomsten onderwees was precies het tegenovergestelde. Er was
mij steeds voorgehouden dat het juist een teken was voor de
gelovigen. Een teken dat de gelovigen moesten trachten te verkrijgen
voor zichzelf en wel bovenal omdat het het bewijs was van de doop
met de Heilige Geest. Eerst benieuwd, daarna verontrust, ben ik aan
verschillende broeders om uitleg gaan vragen. Verlegen stilzwijgen
en verwarde antwoorden bevestigden mij in de overtuiging dat zijzelf
ook steeds over die tekst hadden heengekeken en mij het antwoord
schuldig moesten blijven. De ernst van de aangelegenheid kwam
daardoor des te meer op de voorgrond. Het vertrouwen was aangetast.
De stoot met de stormram die een bres in mijn vesting sloeg, kwam
niet van de kant van de tegenstanders van het spreken in talen, maar
van de apostel Paulus, voor wie ik zoveel bewondering had. Op die
manier kwam er als het ware een kettingreactie op gang. Andere
Bijbelteksten werden op hun beurt duidelijk. Inderdaad, indien het
een teken voor de gelovigen geweest was, zou Paulus immers de
gelovigen aangemoedigd hebben, maar integendeel: hij ontmoedigde hen
daarin. (1
Korinthe 14 : 19)
Buiten de Gemeente sprak hij meer in talen dan de anderen, maar in
de Gemeente verkoos hij liever slechts vijf zinvolle woorden te
zeggen boven tienduizend in een andere taal. Daaruit kunnen wij
afleiden dat hij vele, vele malen liever had dat men niet in
talen sprak, dan wél. Nooit had iemand daar met een woord over
gerept. En met reden. Soms werd ik woedend op hen, die mij deze
dingen verborgen gehouden hadden, en op mijzelf, omdat ik een
muggenzifter geweest was die de kameel wist door te slikken. Zou het
dan toch waar zijn wat de anderen beweerden? Ik was vastbesloten
geen duimbreed meer te wijken. Ik voelde mij aan het wankelen
gebracht in mijn diepste overtuiging. Ik besloot daarom het
onderwerp krachtig aan te grijpen. Ik had er genoeg van door anderen
te worden voorgelicht. (Johannes
4 : 42)
Ik was nu vastbesloten in volle ernst er een grondige studie van te
maken. Ik moest tevens ervaren hoe gevaarlijk het is een
leerstelling slechts bij stukken en brokken te vernemen, het te
moeten hebben van “horen zeggen” of te steunen op zogenaamde
“ervaringen”. Nogmaals heb ik moeten ondervinden dat zelfs zwart
op wit gedrukte teksten ons blijkbaar sedert bijna tweeduizend jaar
totaal waren ontgaan.
Een teken ‑ maar voor wie?
Wat
mij in de juiste richting dreef was niet zozeer de zinsnede: “de
tongen zijn niet een teken voor hen die geloven”, maar wel wat
volgt: “maar voor de ongelovigen”. (1
Korinthe 14 : 22)
Ik ging spijkers op laag water zoeken. Het antwoord kwam toch
duidelijk voor in het voorgaande vers, waarin Paulus ons vermaande
volwassenen te zijn die zich een gezond oordeel kunnen vormen,
waarbij hij de profeet Jesaja aanhaalt: “Ik zal in andere talen en
door andere lippen tot dit volk spreken.” (vers
21)
Van welk volk is daar sprake? Van de Joden! Er was dus kennelijk
sprake van een teken voor de Joden, de ongelovige Joden. Een teken
voor de Joden, die niet geloven wilden dat heidenen (talen) ook
deelgenoten van het heil zouden zijn. Die zich met alle kracht
daartegen verzetten. Die “ons verhinderen tot de heidenen te
spreken tot hun behoud”. (1
Thessalonicensen 2 : 16)
Wat dat punt betrof werd alles mij in een ogenblik glashelder. Dat
was dus het doel! Het teken bij uitstek! De hele Bijbel ging
plotseling voor mij borrelen van levenssap en waarheid. De woedende
tegenkanting van de Joden tegen alles wat niet tot het eigen volk
behoorde, speelde zich als een film voor mijn geest af.
Jona
Jona
kwam mij voor de geest. Jona, die de vreemde talen (de Ninevieten)
dermate haatte, dat hij openlijk tegen God in opstand kwam. (Jona
1 : 3)
Hij ontvluchtte liever naar Tarsis dan hun Gods Woord te prediken.
Hij ging redetwisten met God. Liever zag hij de wereldstad in het
oordeel vergaan dan hen te sparen. Wat hem betrof was God enkel en
alleen de God van Israël. In ieder geval kon hij niet de God van
die versmade talen zijn. In zijn ontgoocheling brengt hij het
tenslotte zover, zijn eigen dood te verlangen. Als Ninevé leeft,
gaat Jona liever dood! Hij gaat aan God verwijten wat juist Gods
heerlijkheid uitmaakt: de Heiland te zijn van elk geslacht, en taal
en volk en natie. Die geest van tegenstand en ongelovigheid gaat
door de eeuwen heen toenemen. Zij behoren Jahweh toe en Jahweh hen;
daar kan geen speld tussen. De overigen zijn verdoemd. Elke poging
tot verbroedering of zelfs maar van verdraagzaamheid jegens mensen
van een andere spraak verwekt bij hen buitengewone haat. De dood aan
andere talen en volkeren. Weg ermee!
Durven veronderstellen dat lieden van een andere taalgemeenschap ook
zouden kunnen genieten van Gods barmhartigheid betekende het
doodvonnis over zich halen. (Lukas
4 : 29)
Zelfs de Heer Jezus wilden zij van de steile helling naar beneden
storten toen Hij tot hen zei: “Er waren vele weduwen in de dagen
van Elia in Israël, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten
was, zodat er grote hongersnood was over het hele land, en tot
niemand van hen werd Elia gezonden, maar wel naar Sarepta bij Sidon.”
En Jezus voegde daar tot hun grote woede aan toe: “En er waren
vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, en niemand
van hen werd gereinigd, maar wel Naäman de Syriër.” (Lukas
4 : 25, 27)
Zo iets te beweren was in hun ogen voldoende om de dood te
verdienen. Zelfs Samaritanen, hoewel nabije bloedverwanten,
ontkwamen niet aan hun haat. Wanneer Jezus in één van hun dorpen
geen goed onthaal ontving, vroegen zijn discipelen Hem in navolging
van de profeet Elia: “Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de
hemel moet neerdalen en hen verteren?” (Lukas
9 : 54)
Waarop Jezus hen antwoordde: “U weet niet van welke geest u
bent.” Men kon een Jood geen groter scheldwoord toeslingeren dan
hem Samaritaan te noemen. Wanneer zij dat gezegd hadden was het
laatste woord gesproken, waarbij zij op de grond spuugden. Later
zullen diezelfde discipelen, na de Heilige Geest ontvangen te hebben
naar diezelfde Samaritanen terugkeren om de hemel voor hen te
bidden, niet om hen met vuur te verteren, maar opdat de gave van een
volledig heil hun deel zou worden.
Zelfs de apostelen
Deze
aangeboren eigenschap was zo in hen verankerd dat zelfs
christen-Joden afwijzend bleven staan tegenover het mee deel hebben
van de heidenen in de verlossing. Petrus was door de Heilige Geest
naar het huis van Cornelius gezonden, en nadat allen zich daar
bekeerd hadden, deed hij daarvan mededeling, maar enkele apostelen
wilden daar helemaal niet van horen. Petrus in eigen persoon werd op
de vingers getikt, omdat hij het evangelie aan heidenen was gaan
verkondigen. Hij werd er toe verplicht zich te verantwoorden,
waarbij hij bevestigde dat hij - Petrus - hen had horen spreken in
vreemde talen, zoals zijzelf in het begin. (Handelingen
11 : 15)
Dat deed hen iets, want dat teken was precies voor hen bestemd. En
zij die meenden dat hun goede God alleen maar behagen schepte in het
Hebreeuws, stelden nu vast dat de Heilige Geest in Persoon zijn
lofzang liet zingen door tongen van mensen die door hen (Joden)
veracht werden! Nog totaal ontsteld door een der gelijke openbaring
zeiden zij in verslagenheid: “Dus ook aan de volken heeft God de
bekering tot het leven gegeven.” (vers
18)
Daar konden zij met hun verstand niet bij. De God van Israël ook de
God van de heidenen! Zij hadden het teken van de talen nodig om dit
langzamerhand toe te geven. Zij waren daar echter zo in verhard dat
ze toch weer in dezelfde fout vielen. Het kleefde hen aan als een
tweede natuur, zelfs zo dat die verkeerde geestelijke instelling
enkele jaren later bij de grote apostel Petrus opnieuw de overhand
krijgt. Dat voorval staat beschreven in Galaten 2 : 11-14. Slechts
een uitermate begaafd iemand, een man van het formaat van Paulus,
kon onmiddellijk deze waarheid vatten en de tegenstanders het hoofd
bieden. (Galaten
2 : 5)
Petrus ook al
Petrus
werd daarbij door Paulus als een pruimenboom geschud. Zijn
geveinsdheid was des te schuldiger, daar hij, veel meer dan wie ook,
ingeleid was in de kennis van de wereldomvattende betekenis van het
evangelie. Wanneer men dus bij de pas bekeerde Joden nog een
dergelijke maat van onbegrip aantrof, wat betreft het heil dat zich
tot ver buiten Israël uitstrekte, wat kon men dan al niet
verwachten van fanatieke onbekeerde Joden. Dat laatste wordt
duidelijk geïllustreerd door de gebeurtenissen in Antiochië. Toen
de Joden daar zagen hoe een menigte van heidenen het Woord van God
hoorde en aannam, werden zij vervuld met jaloersheid en weerstonden
zij Paulus, waarbij zij hem beledigden en uitscholden. (Handelingen
13 : 45)
De overtuiging die Jona kenmerkte had zich al een weg gebaand. Maar
toen zij Paulus en Barnabas hoorden zeggen: “Ik heb u gesteld tot
een licht van de volken, opdat u tot behoudenis bent tot aan het
einde van de aarde”, (vers
47)
barstte er een vervolging tegen hen los en werden zij uit de stad
geworpen. Na Antiochië kwamen zij in Iconium waar de tegenkanting
des te heviger was. (Handelingen
14 : 5, 6)
Paulus en Barnabas, go home!
Mozes had het voorspeld
Dit
alles was de letterlijke vervulling van een 1500 jaar eerder
geschreven profetie: “Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door
wat geen natie is, door een dwaas volk zal Ik hen krenken”. (Deuteronomium
32 : 21 )
Zij bezaten die hardnekkige antipathie jegens de heidenen al lang.
Inderdaad waren zij, Joden, een uitverkoren volk, maar zij hadden
wel de betekenis die God er aan gegeven had verwrongen. Hun hele geschiedenis
was die van een apart gezet volk, afgescheiden van andere volkeren,
stammen, naties en talen. Maar het afgezonderd zijn van het kwade,
van de afgodendienst, van de walgelijke gewoonten van deze
volkeren, moest geen aanleiding geven tot het koesteren van haat,
minachting, hoogmoed en superioriteitsgevoel ten aanzien van die
volkeren. Zij waren katholieker geworden dan de paus, exclusiever
dan wie ook, terwijl zij hun Jahweh om zo te zeggen gevangen hielden
in hun kluisters in plaats van Hem te openbaren aan de rest van de
wereld. Wanneer dan God zelf Zich kenbaar maakt aan de heidenen en
zo zijn Woord vervult, knarsetanden zij van jaloersheid. Dat deed
zich voor in Thessaloniki, waar de Joden er toe overgingen kwaad
gespuis voor hun zaak te winnen om opstootjes te veroorzaken en de
hele stad op te hitsen tegen de predikers. (Handelingen
17 : 5)
Hoe kwamen ze daar eigenlijk toe? Omdat niet-Joden, mensen van een
andere taalgroep, overgingen tot het geloof in hun God, zij het dan
langs een andere toegang. Dat streek hun tegen de haren in.
Op de trappen van de burcht
Nog
erger gaat het er aan toe wanneer Paulus terug in Jeruzalem komt.
Hoe aangrijpend is dat hoofdstuk 22 uit het boek der Handelingen!
Paulus, nu gevangene, staande op de trappen die naar de burcht
leiden, wenkt met de hand om het woord te krijgen. Daar hij in het
Hebreeuws spreekt valt er een grote stilte. Allen houden de adem in
om het beter te kunnen verstaan. Paulus verhaalt hen hoe hij op weg
naar Damascus Christus ontmoette en zich bekeerde; zij hangen aan
zijn lippen. Hij wordt niet onderbroken. Zonder hem te interrumperen
luisteren zij, als hij tot hen spreekt over zijn verleden, zijn
opleiding, zijn werkzaamheden, zijn ijver voor de Joodse zaak. Hij
spreekt hen over de verschijning van Jezus en zij onderbreken hem
niet. Hij preekt over zijn doop en zij blijven luisteren. Tot hij
voortgaat met de zin: “Ga, want Ik zal je ver weg naar de volken
zenden.” (Handelingen 22 : 21) Deze zin kan
niet afgemaakt worden! Zij luisteren tot zij het woord “volken”
horen. Dan barsten zij los in luid geschreeuw, slingeren hun kleren
in het rond en gooien stof in de lucht terwijl zij roepen: “Weg
van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te blijven
leven.” (vers 22) Wat is de oorzaak van een
dergelijke woedeuitbarsting? De veronderstelling dat de God van Israël
zich ook openstelde voor iedere andere taalgroep. Het spreken in
talen is het teken van deze grote waarheid, terwijl “dit volk” -
de Joden - langs deze weg toegang kregen tot deze waarheid. Het is
duidelijk en eenvoudig te verstaan in het licht van de Schrift.
Gemotiveerd door hun ongeloof betreffende deze openbaring “maakten
de Joden een complot en vervloekten zichzelf, terwijl zij
zeiden dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij Paulus
hadden gedood”. (Handelingen 23 : 12)
Nogmaals Jona
Jona
deed precies hetzelfde. Hij kwam in opstand tegen de Heer en ging
zitten ten oosten van de stad om vandaar haar vernietiging te kunnen
aanschouwen. En daar, gezeten onder de wonderboom, klaagde hij
erover dat het oordeel uitbleef, want hij hoopte op de komende
verschrikking. Hij wenste de dood van een volk dat God wilde redden.
Deze Jona, die God verwijten deed om zijn barmhartigheid over Ninevé,
is de geestelijke vader van de apostelen. Ja, u leest het goed: van
de nog ongelovige apostelen, die het Petrus kwalijk namen dat hij
het evangelie aan heidenen verkondigd had. (Handelingen
11 : 1-3) Ongelooflijk! In geestelijk opzicht waren zij een
beetje hardhorig. Petrus zelf ook, hoewel hij het geweldig gebeuren
van Pinksteren meegemaakt had. Al had hijzelf in een andere taal de
aanwezigen toegesproken op die dag, toch moest hij, alvorens tot
mensen te gaan die een andere taal spraken, een linnen doek vol met
naar zijn begrip onreine dieren uit de hemel zien neerdalen. Tot
driemaal toe moest de Heer hem zeggen: “Wat God gereinigd heeft,
zul je niet voor onheilig houden.” (Handelingen 10
: 9-16) Driemaal moest de Heer dat beklemtonen, eer hij
bereid was te gaan. Pas toen erkende hij: “In waarheid bemerk ik,
dat er bij God geen aanzien des persoons is, maar dat in ieder volk
degene wie Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam is.”
(vers 34, 35)
Iedereen?
Eerst
na dit gezegd te hebben gaat hij het befaamde “een ieder” in een
sleutelzin van een der machtigste ogenblikken van de geschiedenis
gebruiken: “Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in
Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam.” (vers
43)
Dat “een ieder” geeft me de gelegenheid een twintigjarige
onwetendheid te bekennen. In Johannes 3 : 16 was me zo lang een zeer
belangrijk facet ontgaan. Dit vers, dat miljoenen christenen uit het
hoofd kennen, bevatte een waarheid die mij volledig ontgaan was.
Jezus had tot Nicodémus gezegd: ‘Want zo lief heeft God de wereld
gehad ...” Wie? DE WERELD. Nooit zou een Jood zoiets gezegd
hebben, noch Jona, noch Petrus, noch wie dan ook. Zij zouden allen
verklaard hebben: want zo lief heeft God Israël gehad. Heel in het
begin van het Evangelie kondigt de Heer de uitgestrektheid van zijn
liefde aan: de hele wereld, samengesteld uit naties, volkeren,
stammen en talen. Op het kruis stond in drie talen de reden van
Christus’ veroordeling: in het Latijn (de gerechtelijke taal), in
het Grieks (de handelstaal) en in het Hebreeuws (de religieuze
taal). (Johannes
19 : 20)
Zonder zich ervan bewust te zijn verkondigden de auteurs van dit
opschrift het van toen af universele karakter van het Evangelie. Dit
opschrift behelst in de kiem het grote gebod, dat enkele dagen later
weerklinken zal: Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn
discipelen ... (Matthéüs
28 : 19)
uit alle talen.
7. Het
onderricht uit de brieven
Toen
Johannes zijn brief schreef kwam daarbij een zo natuurlijke zin in
zijn tekst voor, dat die mij eigenlijk overbodig leek, namelijk:
“Hij is het zoenoffer voor onze zonden en niet voor onze zonden
alleen, maar ook voor de hele wereld”. (1
Johannes 2 : 2).
Vanzelfsprekend! Voor de Joden was het dat echter ten enenmale niet.
Welnu, Johannes was de apostel van de Joden: hij oefende zijn
apostolaat bij voorkeur onder hen uit. Hij zag zich verplicht
voortdurend te onderstrepen dat de vergeving, verkregen door het
sterven van Christus op het kruis, niet alleen voor hen van kracht
was, maar voor alle talen van de hele wereld. Tot in de Openbaring
toe, zestig jaar na Pinksteren, blijft hij dat beklemtonen. Meerdere
malen spreekt hij over een nieuw lied in tegenstelling tot het lied
van Mozes. Wat is het grote thema van Mozes’ lied? De verbintenis
tussen de Here en zijn uitverkoren en vrijgekochte volk. Het gaat
dit kader helemaal niet te buiten, het is het lied van het Oude
Verbond. Wat wordt in het nieuwe lied van het Nieuwe Verbond
bezongen? “U hebt voor God gekocht met uw bloed, uit elk geslacht,
en taal en volk en natie”. (Openbaring
5 : 9)
Israëls lied reikte zover niet. Die wereldomvattende afmeting
ontsnapte hen. Om dat te begrijpen hadden zij de innerlijke
verlichting van de Heilige Geest nodig en een uiterlijk teken, het
spreken in talen.
Een verborgenheid
Ik heb
mijn oor te luisteren gelegd bij Paulus, de apostel die ons de leer
aangaande de Gemeente geeft. Hij legt in zijn brief aan de Éfeziërs
uit hoe de heidenen en de Joden samen één lichaam vormen en
deelachtig zijn aan eenzelfde belofte. (Efeze 3 : 6)
Voor ons, christenen van de twintigste eeuw, heeft dit niets
geheimzinnigs, maar Paulus gaat het toch een verborgenheid noemen.
Want voor Joden was het samen met de heidenen deelhebben aan
dezelfde beloften een totaal nieuwe en onverwachte waarheid, die zij
zómaar niet konden aanvaarden, zonder het grote teken van het in
talen spreken. Immers: de Joden vragen om tekenen. (1
Korinthe 1 : 22) De Joden aanvaardden wel dat mensen gered
worden, naar het voorbeeld van Jona, maar niet allemaal en toch
zeker geen heidenen, terwijl God wil dat “alle mensen behouden
worden”. (1 Timótheüs 2 : 1)
Paulus gaat deze waarheid anders omschrijven in de brief aan Titus.
Hij herinnert hem er aan dat de genade van God verschenen is,
heilbrengend voor alle mensen. (Titus 2 : 11)
Dat was helemaal niet zo vanzelfsprekend voor de nieuwe Jona’s van
het Nieuwe Testament. Om hen te overtuigen zal Paulus meer dan één
schot moeten lossen. Tussen hen en de heidenen was er een soort muur
opgericht. Paulus haalt deze muur neer, door eerst door de Heilige
Geest te spreken in de talen van “die van de overkant”, maar ook
hen te onderwijzen dat Christus de vrede is voor hen die aan
weerskanten van de muur wonen. Hij leert hen dat Hij, Christus, van
de twee één gemaakt heeft, en dat Hij de scheidsmuur, de
vijandigheid, uit de weg geruimd heeft; dat Hij in zichzelf die twee
tot een nieuwe mens geschapen heeft in één Lichaam, door beide te
verzoenen met God, door zijn kruis terwijl Hij de vijandschap teniet
deed; dat Hij vrede is komen verkondigen aan hen die veraf waren (de
heidenen) en vrede aan hen die nabij waren (de Joden); want in Hem
worden beide tot de Vader gebracht in éénzelfde Geest. (Efeze
2 : 11-17) Halleluja!
In verrukking roept Paulus uit: “Mij, de allergeringste van alle
heiligen, is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van
Christus onder de volken te verkondigen.” (Efeze 3
: 8) Helaas, niet allen deelden de overtuiging van Paulus,
deze man die met alle anderen, Joden en Grieken, door de Heilige
Geest tot één lichaam was gedoopt. Hun onverbiddelijke tegenstand
zou hen blootstellen aan de verschrikkelijk doop met vuur ... hen,
vijanden van alle mensen, die “ons verhinderen tot de volken te
spreken opdat zij behouden worden; zodat zij altijd (de maat van)
hun zonden vol maken. Maar de toorn is over hen gekomen tot het
einde toe”. (1 Thessalonicensen 2 : 16) Ja,
deze vreemde talen, waarin een zo geweldig evangelie verkondigd
werd, teken van een nieuw en wereldomvattend verbond, zouden voor
hen vuurdrager van het oordeel worden. De toorn van God zou hen
aansteken, zoals stro dat in het vuur verbrand wordt.
Het doel
Om
dit hoofdstuk te beëindigen nog dit: het doel van het spreken in
talen stond daar klaar en duidelijk gedrukt in een tekst die ik
gelezen en vijftigmaal herlezen had: het verhaal van Pinksteren
zelf! Alles lag daarin besloten. Op de belangrijke vraag van de
verwonderde toehoorders, die zich afvroegen wat dat spreken in
verschillende talen te betekenen had, antwoordde Petrus heel
eenvoudig door de Schrift. Hij haalt de profeet Joël aan: “Ik zal
mijn Geest uitstorten over alle vlees (vers
17)
en ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, zal behouden
worden”. (vers
21)
Ieder die ... alle vlees …; daar staat het antwoord! Het doel? Aan
die halsstarrige Joden uit de diaspora duidelijk maken dat het
Evangelie voor de mensen van alle windstreken is. Zodoende, besloot
Paulus, is het spreken in talen bestemd voor ongelovigen, niet voor
de gelovigen. Paulus identificeert, met een onweerlegbare zekerheid,
daarbij geleid door de Heilige Geest, deze ongelovigen en noemt ze:
de Joden. “Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit
volk spreken”. (1
Korinthe 14 : 21)
Overal waar in het Nieuwe Testament in talen gesproken werd,
gebeurde dit steeds in het bijzijn van Joden, voor wie dit teken
uiteraard bestemd was. En zelfs wanneer heidenen in vreemde talen
spraken bleef het nu een signaal voor dit volk - de Joden - en voor
hen alleen. Op deze regel komen geen uitzonderingen voor. Maar,
heeft iemand opgemerkt, waarom hebben de heidenen in het huis van
Cornelius en Cornelius zelf dan in vreemde talen gesproken? Het
antwoord ligt voor de hand: het staat in het Schriftgedeelte dat
volgt: opdat Petrus aan zijn Joodse broeders, die het recht op
verlossing voor de heidenen nog niet erkenden, zou kunnen mededelen:
“Toen ik nu begon te spreken viel de Heilige Geest op hen, evenals
ook op ons in het begin”; “Toen zij nu dit hoorden, hielden zij
zich stil”. (Handelingen
11 : 15, 18)
Het laatste geeft duidelijk aan in welke staat van opwinding zij
gekomen waren, wegens het aanbod van genade aan de volkeren. Het was
voor “dit volk” het onbetwistbaar teken dat hun God de vreemde
talen op dezelfde basis aannam als de ware kinderen van Israël. Zij
moesten tenslotte toegeven. Dat deden ze dan onder de aanvankelijk
verbaasde, daarna verrukte uitroep: “Dus ook aan de volken heeft
God de bekering tot het leven gegeven”. (vers
18)
Cornelius was de dráger van het teken - maar met het oog op “dit
volk”.
Ik heb - naar het schijnt - in de FarWest een beroemde naamgenoot,
een cowboy, die zichzelf steeds recht verschafte, wiens rol gespeeld
werd door Steve McQueen. Deze Jos Rendal, tot dan toe verdachte,
werd onverwacht, ten behoeve van de goede zaak, tot sheriff
aangesteld. Maar hoe zou men deze aanstelling bij het gewone volk
geloofwaardig kunnen maken? En wel in het bijzonder bij de zware
jongens, die niet voetstoots geloven zouden in de authenticiteit van
Jos Rendals gezag? Wel, men speelde hem de bekende ster op, symbool
van zijn nieuwe functie en de waarachtigheid ervan. Evenzo werd
Cornelius, nadat hij een onweersprekelijk Goddelijk teken
“opgespeld” kreeg bij zijn spreken in een andere taal, geloofwaardig
verklaard ten overstaan van een Israël dat nog zo moeilijk kon
aanvaarden dat de heiden die hij was, ook de hemelse roeping
deelachtig was. Hij werd met evenveel recht als de bekeerde Joden
een kind van God, volgens wat er geschreven staat: “Hij kwam tot
het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar allen die
hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht kinderen van God te
worden.” (Ook
Cornelius; 1 Johannes 1 : 11, 12)
In Éfeze (Handelingen
19 : 1-7) spraken
twaalf discipelen plotseling in talen. Dat was geen uitzondering.
Die mannen bleken aanvankelijk geen discipelen van Christus te zijn.
Het waren Joden die de doop van Johannes de Doper, bestemd voor het
Joodse volk, ondergaan hadden. Nadat zij in Christus geloofd hadden
en opnieuw gedoopt waren met onderdompeling in water, in de Naam van
de Here Jezus Christus, werden zij samen met de bekeerde heidenen in
de Geest tot één lichaam gedoopt. (1
Korinthe 12 : 13)
“Toen gingen zij op wonderlijke wijze de talen van deze heidenen
beheersen en daarin spreken tot lof van de God van Israël, die zij
op die wijze als de God van de volkeren leerden kennen. Zij hadden
het teken van de vreemde talen nodig om zelf vertrouwd te geraken
met het universeel karakter van het heil van hun Jahweh.
8. De Heer Jezus en het spreken in talen
Wat
mij uitermate bevreemdde was dat onze geliefde Here Jezus Christus,
ons Goddelijk voorbeeld, nooit in talen heeft gesproken. Hij, die de
Heilige Geest in alle volheid bezat, die alle gaven had, scheen die
bepaalde gave te missen. Hij scheen daar helemaal niet om te
treuren. Hij sprak daar niet over en streefde er blijkbaar ook niet
naar om deze te verkrijgen. Toch zou Hij deze gave zeer goed hebben
kunnen gebruiken. Tenminste als het spreken in talen dat was, wat
men mij altijd had voorgehouden. Hij, die zo intens kon bidden tot
tranen toe. Die zo vaak vastte. Die aan de massa het heil
verkondigde zonder rust te nemen en zichzelf uitputte bij het
genezen van zieken. Als het spreken in talen inderdaad een krachtig
opwekkend middel bij vermoeidheid was, dan moet Hij er wel op een
uitgesproken manier behoefte aan gehad hebben. Waarom, stelde ik
mezelf de vraag, heeft Hij Zichzelf niet gesticht in een taal? Als
het zo nuttig is zich thuis, apart of in vriendenkring te oefenen in
zo’n taal, waarom heeft Hij dat dan nooit toegepast? Waarom
gebruikte Hij die gave niet bij het uitdrijven van boze geesten, als
deze praktijk de uitnemendste was? Waarom zong Hij niet in een
vreemde taal, toen Hij de Olijfberg beklom? (Markus
14 : 26) Waarom verhief hij zich nooit tot de engelen in hun
spraak; Hij zag ze toch opstijgen en op Hem neerdalen? (Johannes
1 : 52) Waarom, vroeg ik me af, heeft Hij die genadegave
nimmer ontvangen? Waarom heeft Hij niet getracht dit teken te
verkrijgen ten gunste van zijn dienst? Waarom probeerde Hij niet dit
teken te voegen bij de andere tekenen die Hij deed?
Bij het lezen van 1 Korinthe 12 heb ik de negen Geestesgaven
genoteerd:
-
wijsheid
-
kennis
-
geloof
-
genezingen
-
krachten
-
profetieën
-
onderscheidingen van geesten
-
allerlei talen
-
uitlegging van talen.
Onze
geliefde Heiland bezat ze allemaal en bracht ze in praktijk, behalve
één; het spreken in talen en het verklarend aanhangsel, de
uitlegging van talen. Had God Hem deze kostbare gave onthouden?
Had God Hem die gave ontnomen? Was Hem deze gave ontgaan? Had Hij er
niet genoeg naar gestreefd? Was Hij niet genoeg geestelijk gezind om
in het bezit ervan te komen? Al deze veronderstellingen zijn
ondenkbaar en op de rand van ketterij. Want Hij bezat de Geest niet
met mate. (Johannes 3 : 34) Hij had Hem in al
zijn volheid! En als Hij dan deze gave had, waarom benutte Hij die
dan niet? Omdat er geen reden toe was. Maar waarom niet? Was dit
teken niet noodzakelijk voor het volk tot wie Hij sprak? En hadden
zij zijn overige tekenen wél nodig? Kon de Heer Jezus de volheid
des Geestes hebben, zonder deze gave? Op dat punt kwamen mijn vragen
over als een zenuwprikkelend gedoe. Ik werd beschouwd als een
duiveltje-uit-een-doosje-met-moeilijke-vragen. Welnu, mijn vragen
waren van dien aard, dat men daar liever het antwoord op schuldig
bleef. Eens te meer bleef mij niets anders over dan mij tot God te
wenden en mij te verlaten op de Heilige Geest. Het antwoord kwam
duidelijk naar voren uit het geheel van de Heilige Schrift. Het was
in overeenstemming met het karakter van de vier Evangeliën.
Dat is de reden
Jezus
ging de grenzen van Palestina niet te buiten. Zijn evangelie was
enkel bestemd voor de verloren schapen van het huis van Israël. (Matthéüs
10 : 6)
Zijn dienst was bestemd voor de Joden alleen en zonder de
tegenwoordigheid van vreemdelingen. Hij had zijn discipelen de
opdracht gegeven: “Gaat niet heen op een weg van de volken en gaat
geen stad van Samaritanen binnen.” (Matthéüs
10 : 5)
Het wereldomvattend aspect van zijn leer was nog verborgen. Er was
geen sprake van “volkeren, geslachten, naties en talen”. Niets
of bijna niets in zijn woorden liet doorschemeren dat zijn werk
internationale dimensies zou krijgen. Het teken van de talen had dus
nog geen reden van bestaan of van openbaarheid. Tot dusver was er
geen aanleiding voor de Joden tot ergernis of jaloersheid om de
gunsten bewezen aan heidenen. Op dat ogenblik was daar nog geen
sprake van.
De Here Jezus noemt slechts éénmaal het spreken in talen. In
Markus 16 : 17, aan het einde van zijn zending, zal Hij zeggen:
“In nieuwe talen zullen zij spreken.” Bijzonder betekenisvol is
de context waarin Hij dit doet, namelijk in de loop van de zin die
voorafgaat ... “Gaat heen in de hele wereld”, Wat aanleiding
geeft tot het spreken in talen is het bekende “... aan de hele
schepping”. De nauwe grenzen, waarbinnen het kortzichtige Joodse
nationalisme gevangen zat, gaan openspringen. Maar de Heer weet dat
“dit volk” alles in het werk zal stellen, opdat de goede tijding
niet zou verkondigd worden in andere talen. Hij gaat daarom het
aangewezen teken, dat Hij Zelf in zijn wijsheid niet gewild heeft,
en ook niet de gelegenheid had het te gebruiken, aan “dit volk”
schenken door middel van zijn discipelen. Omgekeerd, maar in
volkomen harmonie met wat hierboven gezegd werd, zal het spreken in
vreemde talen niet van toepassing zijn en niet gebeuren bij de
geboren heidenen van Athene en Malta, waar geen hardnekkig
tegenstrevende Jood van “dit volk” tegenwoordig was. Waren de
Joden afwezig, dan miste dit teken ook zijn reden van bestaan. Er
bestaat daartoe heden evenmin reden, daar “dit volk” - het
Joodse - zich niet meer als tegenstander van het heil voor de wereld
opstelt.
Het is nochtans zo eenvoudig
De
verklaring vanuit de Schrift, als zou het teken van spreken in talen
enkel en alleen voor de Joden geweest zijn, beviel enkele van mijn
beste vrienden niet. Waarom, zo zei men, had dit teken ook geen
waarde voor de ongelovige heidenen? Het antwoord is niettemin zeer
eenvoudig. In het Nieuwe Testament komen twee gebeurtenissen voor
die op dezelfde lijn liggen, één: het visioen dat Petrus kreeg in
Handelingen 10, waarbij hij gemachtigd werd tot de heiden Cornelius
te gaan, en twee: het spreken in talen. Welke betekenis had het
visioen, waarin een laken vol met, volgens de wet van Mozes (Leviticus
11),
onreine dieren uit de hemel neerdaalde? Wie werden door deze onreine
dieren, waar Petrus de hand zeker niet naar zou uitstrekken,
voorgesteld? Dat weet iedereen. Zij waren een beeld van de
niet-Joden, dat wil zeggen de volkeren die een andere taal spraken.
Niemand zal zich ook maar een ogenblik inbeelden dat dit visioen aan
iemand anders dan een Jood zou gegeven zijn. Het waren inderdaad de
Jóden die ertoe gebracht dienden te worden niet onrein te blijven
achten wat God rein verklaarde. Petrus begreep de Goddelijke les en
was daardoor in staat deze waarheid door te geven. Het spreken in
talen wilde precies hetzelfde uitdrukken.
Als Jood had Petrus wegens zijn aangeboren ongeloof in de verlossing
van heidenen, behoefte aan dit hemelse gezicht. Om dezelfde reden
hadden de Joden, als natuurlijke tegenstanders van Gods heil voor de
heidenen, behoefte aan het spreken in talen. Dit teken, evenals het
visioen van Petrus, onderwees hen in de waarheid dat hun Jahweh
voortaan ieder verloste: “alle geslachten, alle talen”. (Handelingen
2 : 17, 21)
De hardnekkige gedachte als zou dit spreken in talen eveneens zinvol
geweest zijn voor de heidenen, werd weerlegd doordat ik enkele van
mijn goede vrienden de volgende illustratie gaf. Zij aanvaardden dit
dan ook. Ik zei hen: Veronderstel even dat ik, die Franssprekend
ben, plotseling in jullie midden op wonderbaarlijke manier in het
Engels ging spreken. Zou dit nu een noodzaak zijn, opdat jullie te
weten zouden komen dat het evangelie aan de andere kant van het
Kanaal ook gepredikt wordt? Natuurlijk niet! Omdat iedereen dat al
lang weet, heeft een dergelijk teken voor jullie geen zin. Het zou
totaal ongerijmd zijn!! Neen, de Heilige Geest gaat niet te werk
alsof Hij in de lucht slaat. (1
Korinthe 9 : 26)
Hij trapt geen open deuren in. Daarom werd het visioen van Petrus
niet meer herhaald. Driemaal achter elkaar werd het beeld getoond,
daarna (ik haal letterlijk aan) “werd het voorwerp terstond
opgenomen in de hemel”. Zo gebeurde het ook met het spreken in
talen.
Zoals de kerkvader Augustinus zich uitdrukte: “... dit had plaats
om iets aan te kondigen (dat het Evangelie verkondigd moest worden
aan alle geslachten van de aarde), dat daarna zou verdwijnen.” Is
het vandaag nodig door de Geest te spreken in de taal van de
Eskimo’s, om eindelijk te weten dat zij niet onrein zijn in de
ogen van God? Hudson Taylor en zijn medezendelingen hebben het niet
onmisbaar geacht in talen te spreken om met apostolische
verwondering kennis te krijgen van het feit dat God ook de Chinezen
liefheeft en ze aanneemt, hen en hun taal. Geen enkel christen in de
wereld heeft vandaag het visioen van Petrus of het spreken in talen
of welke gelijksoortige verklaring nodig om deze onomstreden
waarheid te kennen. Met de apostel Paulus, en gefundeerd op de
onwankelbare Rots der Heilige Schrift, houd ik staande dat het
spreken in talen evenals het gezicht van Petrus bestemd was voor dit
Joodse volk, (1
Korinthe 14 : 21)
dat niet alleen de volkeren minachtte en uitsloot van Gods
heilsplan, maar daarbij de maat van zijn zonde vol maakte, door te
verhinderen dat de genade aan de heidenen gebracht werd.
Een lastige tekstverklaring
In 1
Korinthe 14 : 22 zegt de apostel Paulus, daarbij gedreven door de
Heilige Geest, dat het spreken in talen niet bestemd was voor
gelovigen, maar wel voor ongelovigen. Paradoxaal, in schijn althans,
doet de Heilige Geest hem, naar het lijkt, precies het tegengestelde
schrijven. Die schijnbaar flagrante tegenspraak komt voor in
de uitspraak: “Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt
en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen
binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt?” (1
Korinthe 14 : 23) Niemand heeft mij ooit deze paradox
uitgelegd. Inderdaad, indien onder “ongelovigen” in de verzen
22, 23 en 24, zowel Israëlieten als heidenen worden verstaan, is er
een probleem. Dit krijgt echter een oplossing bij de
veronderstelling dat Paulus tweeërlei ongelovigen op het oog heeft:
De ongelovigen uit vers 22 worden geïdentificeerd in vers 21:
“... Ik zal ... tot dit volk spreken ... en zij zullen Mij niet
horen”, dat zijn kennelijk de Joden en voor hen werd het teken
gegeven. De andere ongelovigen, de eenvoudige luisteraars van vers
23 waren die ongeletterde, eenvoudige volksmensen (niet behorend tot
dit volk), gewone inwoners van Korinthe. Voor hen had dat spreken in
talen geen betekenis. Dat is het wat de Heilige Geest hiermee leert.
Deze Bijbeluitleg neemt de tegenstelling weg en bevestigt dat het
spreken in talen, vanzelfsprekend onverstaanbaar voor deze
eenvoudige heidenen, zich niet tot hen richtte, maar een specifieke
betekenis had voor de ongelovigen uit “dit volk”, de Joden, om
hen te brengen tot het aanvaarden van het feit dat mensen van een
andere spraak dan de hunne, ook toegevoegd zouden worden tot de
Gemeente; ingelijfd in het Lichaam van Christus.
Ik beëindig deze paragraaf met het aanstippen van de verzen 24 en
25. De profetie was weliswaar in de eerste plaats bestemd voor de
gelovigen, maar was voor de ongelovigen ook vatbaar, in die zin dat
zij in hun eigen taal gebracht werd. Dergelijke prediking had tot
gevolg dat mensen oprecht tot bekering kwamen. Dat gewetens geraakt
werden, zodanig dat gewone volksmensen op hun aangezicht vielen en
erkenden dat God in hun midden was.
9. Ervaringen
In
heel deze leerstelling was het de apostel Paulus die mij, wat dat
betrof, het leven zuur maakte door zijn onbuigbare logica, ingegeven
door de Heilige Geest. Nochtans beschikte ik, naar mijn gevoel, nog
over twee verzetshaarden: een stevige bunker en een kleine vesting.
Mijn bunker was een regel uit de Heilige Schrift, die mij nog deed
hopen op het afzwakken van het absolute van de uitspraken van Paulus.
Ik dacht daarbij aan het citaat uit het Oude Testament: “Ik zal
tot dit volk spreken”. (1 Korinthe 14 : 21)
Ik redeneerde bij mijzelf: omdat het God behaagd heeft tot de
ongelovigen te spreken door middel van vreemde talen, houdt dit
mogelijk een boodschap voor hen in. Nu bleek mijn hoop van korte
duur, want mijn bunker was ondermijnd en vloog zonder verdere aanval
vanzelf in de lucht. Het was buiten twijfel dat God tot de Joden
sprak door dit teken. Maar terwijl het teken op zichzelf voor hén
betekenis had, waren de wóórden die daarbij gebruikt werden, voor
God en voor Hem alleen bestemd.
Ik werd eens door een generaal persoonlijk uitgenodigd om op zijn
kantoor met hem over geloofszaken te spreken. Toen ik daar aankwam,
zaten meerdere personen te wachten om eveneens door hem ontvangen te
worden. Ik ging echter als eerste binnen. Bij mijn onderhoud met de
generaal was niemand aanwezig. Mijn ontvangst door hem, onmiddellijk
bij mijn aankomst, was voor de anderen echter een teken van de eer
die mij te beurt viel. Met het spreken in talen was het precies
eender. De heidense volkeren, die voorrang kregen, worden op privé-audiëntie
ontvangen door de Koning der koningen. Zij spreken daarbij alleen
tot God, terwijl dit feit op zich een duidelijke taal sprak voor de
anderen.
Voor mensen of voor God?
Toen
mijn Schriftkennis nog in haar kinderschoenen stond, stelde ik mij
tevreden met onnauwkeurige meningen, die ik bij stukjes en beetjes
van anderen aannam zonder mij de inspanning te getroosten na te
kijken of alles wel in overeenstemming was met het onderwijs van de
Heilige Schrift. Steunend op het Pinksterverhaal nam ik zonder
verder nadenken aan dat het spreken in talen vanzelfsprekend een
vorm van prediking was, meer in ‘t bijzonder aan de aanwezige
vreemdelingen. De verscheidenheid van talen die zij spraken,
maakte dat taalkundig wonder noodzakelijk. Op deze manier konden ze
allen tegelijk horen wat God hen te zeggen had. Eén eigen taal zou
immers onvoldoende geweest zijn. Wat een verbazing, toen ik bij
nauwkeurige Schriftlezing tot de vaststelling kwam dat die
zogenaamde vreemdelingen geen heidenen waren, maar integendeel
rasechte Joden (Handelingen
2 : 5, 14, 23)
en misschien enkele bekeerlingen die als Joden geïdentificeerd
werden, uit de omringende landen die allemaal Aramees kenden! (De
talen van de landen waar zij woonden niet te na gesproken.)
Er was dus geen reden toe, indien het inderdaad om een boodschap aan
die mensen te doen was, een vijftiental talen te hanteren, waar één
enkele voldoende was voor allen. Dat blijkt uit het vervolg van het
verhaal; wanneer het inderdaad om een boodschap áán hen gaat,
vinden we die in de toespraak van Petrus en niet in de diverse
talen. Want de toehoorders van Petrus begrepen goed alles wat hij
hen verkondigde, niet in “talen”, maar in slechts één enkele
taal. Omdat allen die ene taal verstonden, was het overbodig en
nutteloos er een groot aantal andere bij te gebruiken. Welnu dan,
waartoe toch die vijftien andere talen? Het antwoord en de
verduidelijking zijn te vinden in wat Paulus als door de Geest geïnspireerde
schrijver zegt: “... wie in een taal spreekt, spreekt niet voor
mensen, maar voor God.” (1
Korinthe 14 : 2)
In Handelingen 2 spraken mannen in een vijftiental verschillende
talen tot God als aanwijzing en teken voor de Joden, in eerste
instantie die uit de vijftien genoemde landen. Dat betekende voor
hen dat de toegang tot God geen exclusief voorrecht der Joden meer
was; dat Gods oor Zich ook neigde tot vreemde spraken; dat het
Hebreeuws geen voorrang meer had op de andere talen. Het onderwees
de Joden in de wegen Gods, wat betreft het rein-verklaren door God
van wat eerder onrein was.
Tweede verdedigingslijn
Toen
heb ik geprobeerd in mijn minivesting nog wat weerstand te bieden.
Ik noem die vesting zo klein, omdat ze lag buiten het terrein van de
Bijbel. Het ging om de vesting van de persoonlijke ervaringen,
waarover men het, als het puntje bij het paaltje komt, vaak meer had
dan over Gods eigen Woord. Welnu, niets is zo onzeker en
onbetrouwbaar als ervaringen. Daarom heb ik me voorgenomen mij, in
het kader van dit boek, daar niet in te begeven. Het is drijfzand.
Op mijn werktafel liggen twee soorten boeken. Enerzijds boeken die
sterk anekdotisch gekenmerkt zijn, getuigenissen van allerlei slag,
ervaren, bewezen en pleitend voor de leer dat spreken in talen zich
wel degelijk tot mensen richt. Anderzijds die met
contragetuigenissen, die de zaak volledig willen ontmaskeren. Op het
terrein van ervaring of contra-ervaring zijn beide tegenstanders
even sterk. Ik houd mij echter aan het principe “Sola Scriptura”
(alleen het Woord van God, red.).
Persoonlijk ben ik het voorwerp geweest van profetieën,
uitgesproken door middel van spreken in talen. Anderen zijn dat
eveneens geweest en enkelen kunnen zelfs bevestigen dat wat hen
aangaat, de profetieën uitkwamen. Welnu, dergelijke ervaringen
kunnen niet geloochend worden. Hoor eens, zei mij een vriend in
opwinding, ik heb een profetie in talen gehoord. Het betrof mij
persoonlijk en alles kwam nog uit ook! Was hij ernstig of wou hij
gekscheren? Wel, laat het dan zo zijn, u zowel als ik hebben
dergelijke “waarheden” vernomen. Er gebeurde wat voorspeld was,
dus de hemel heeft gesproken. Kunnen we daar wel zo zeker van zijn?
Want de hemel laat zich ook horen in de Bijbel en daar staat het
omgekeerde. De ervaring zou een bewijs zijn van het feit dat vanuit
de hemel tot mensen gesproken wordt, terwijl de Bijbel verklaart dat
het gaat om mensen die tot de hemel spreken. (1
Korinthe 14 : 2)
Wie geef ik dan gelijk? Moet ik aanvaarden wat God zegt of moet ik
steunen op mijn eigen ervaring? De ervaring! In het leven komt zij
overal voor, maar zij bewijst niet veel.
Zelfs waarzeggerij!
Zelfs
horoscopen komen soms uit! Miljoenen personen zouden dat willen
getuigen: dat is ook ervaring. De wanden van de
Notre-Dame-de-la-Garde-Kapel in Marseille hangen vol met
dankbordjes, getuigen van wonderbaarlijke verhoringen: ook dat zijn
ervaringen. Madame Soleil voorspelt vaak buitengewone
gebeurtenissen. Twee Amerikaanse helderzienden voorspelden onder
andere de moord op J. F. Kennedy en later de aanslag op president
Reagan. Wat ze voorspeld hadden, gebeurde. Wordt de waarheid van de
Mariaverering en -leer bewezen door de vele krukken en
kunstledematen, die in de grot van Lourdes zijn opgehangen? Want ook
daar hebben wij te maken met ervaringen. Wanneer een pendelaar
zijn slingertje boven een Michelinkaart laat draaien om een kwijt
geraakt voorwerp, honderden kilometers ergens vandaan, terug te
vinden, en hij daarin slaagt, is ook dat een ervaring. Wanneer
diezelfde man u de ziekte, waaraan u lijdt, kan noemen zelfs zonder
u te onderzoeken, bewijst dat misschien ook de waarde van de
ervaring? Duizenden geloven in al die dingen en nemen hun toevlucht
tot dergelijke praktijken. Het resultaat van al deze ervaringen
verdoezelt voor hen de occulte aspecten en de waarzeggerij die eraan
ten grondslag ligt.
Sola Scriptura
Gedurende
een lange periode maakte ik de tegenwerping dat het ons te doen is
om geestelijke ervaringen op het terrein van de Bijbel. Dáár
zochten we naar de waarheid. “Uw Woord is de Waarheid” (Johannes
17 : 17) schoot mij steeds weer als antwoord te binnen. En
wanneer wij dat Woord te buiten gaan, weet de duivel ons een massa
ervaringen op te dissen; hij kan zich heel goed als “engel des
lichts” (2 Korinthe 11 : 14) vermommen en
ons zekere waarheden voorhouden. Wanneer wij beweren, dat daar
waar zelfs maar een greintje waarheid voorkomt, wij te maken
hebben met activiteit van de Heilige Geest, onder welke categorie
dienen wij dan Handelingen 16 onder te brengen? Het jonge meisje,
bezeten met een buitengewone geest van profetie, dat in het Europese
stadje Filippi twee mannen die ze in geen enkel opzicht kent weet te
identificeren als dienstknechten van God die het Woord van
behoudenis verkondigen; ook dat behoort tot de ervaringen (Handelingen
16 : 17). Maar het was een boze geest die door haar sprak en
Paulus heeft hem uitgedreven. Let wel: zolang dat jonge meisje haar
waarheden kon zeggen was zij in de boze; pas toen zij helemaal niets
meer te zeggen had was zij in de waarheid.
Farao ook
Wat
een ervaringen! De Farao had er zoveel hij maar wilde. Zijn
tovenaars veranderden het water in bloed, deden kikvorsen in het
land krioelen en veranderden stokken in slangen. (Éxodus
7)
Allemaal echt, alles authentiek. Even echt waren de ervaring en het
getuigenis van die vrouwen uit Jeremia 44 : 16 en 17: “... toen
wij offers ontstaken voor de koningin des hemels en haar plengoffers
brachten, toen hadden wij goed ons brood en waren gelukkig en zagen
geen rampspoed. Maar sedert wij zijn opgehouden voor de koningin des
hemels offers te ontsteken en haar plengoffers te brengen, hebben
wij aan alles gebrek gehad en zijn wij door het zwaard en de honger
omgekomen...” Wie kan zich sterker uitdrukken!? Wat is de
toetssteen om de echtheid of het bedrog te bepalen? De ervaring die
voor waarheid doorgaat of het Woord van God? Als God zegt dat wie in
een andere taal spreekt zich niet tot mensen richt, wát moeten wij
dan verwerpen, het Woord dat dit zegt, of de menselijke bewering die
dit Woord tegenspreekt? Er valt te kiezen tussen “ervaringen” en
de Bijbel. Voor mij persoonlijk heb ik de keus bepaald. Ik heb mij
geschaard aan de zijde van de Schrift en contra de
pseudo-getuigenissen. Het staat de lezers vrij hun eigen keuze te
doen.
Niet voor mensen, maar voor God [1Kor.
14:2]
Wat
die stelling aanging was het voor mij betrekkelijk eenvoudig de
proef op de som te nemen. Door naar mijn gewoonte alles te ziften
door middel van de Schrift, deed een goede gelegenheid zich vlug
voor. Mijn proefkonijn werd één van mijn goede vrienden, een
opwekkingsprediker in een gemeente waar ik enkele avonden het woord
zou voeren. Tijdens een privé-gesprek vertelde hij mij dat een
zuster van zijn gemeente bij een onderhoud met hem in talen had
gesproken. In wat zij daarbij uitsprak, beweerde hij, onderscheidde
hij een boodschap omtrent hemzelf. De gelegenheid was te
verlokkelijk om ze te laten ontsnappen. Ik stelde hem dus meteen de
vraag: Hoe kun jij dat wat je daarnet zei in overeenstemming brengen
met de woorden van de Bijbel: Wie in een taal spreekt, spreekt niet
tot mensen, maar tot God”. Jij bent toch God niet? Hij was als
door de bliksem getroffen. Hij wist niets te antwoorden. Ik had hem
door die vraag tot de ontdekking gebracht van een tekst die hij
klaarblijkelijk nog nooit gezien had of waarbij hij nooit was stil
blijven staan. Ik was er zelf eigenlijk mee verlegen. Ik had
medelijden met hem. Ik heb hem maar niet gezegd dat zulk spreken in
een taal een zwavelgeurtje heeft. Ik heb hem ook niet gezegd dat het
voor-de-gek-houderij was en dat het bedrog was. Ik liet aan hem zelf
maar de conclusie over dat hij te doen had met grove namaak. Welnu,
niemand is onwetend omtrent de wettelijke strafbaarheid van namaak
in menselijke zaken. Zou een dergelijke praktijk in de dingen van
God minder ernstig genomen worden? Wat valt er te denken over al dat
spreken in talen, waarbij profetieën, vermaningen, openbaringen,
dus boodschappen aan mensen gebracht worden? Het is in onmiskenbare
tegenspraak met het onderwijs van de Heilige Geest. Kan het wat
anders zijn dan nabootsing?
Een andere vriend, voorganger van een Pinkstergemeente, getroffen
door deze waarheid, eiste dat het Schriftuurlijk onderwijs in dezen
voortaan van toepassing moest zijn in zijn gemeente. Hij en zijn
gemeente werden uitgesloten door de religieuze beweging waartoe
zij behoorden. Toen ik dit doorvertelde aan een andere vriend van
mij, eveneens voorganger, stelde ik vast dat hij niet verrast
opkeek, maar integendeel, van de zaak reeds op de hoogte was. Hij
antwoordde erop: “Toen die uitlating van Paulus in onze kring voor
het voetlicht kwam, was het of er een bom insloeg. Men bleef er
echter niet bij stilstaan en aanvaardde dit onderwijs niet. Dat zou
immers tot gevolg hebben gehad dat we zouden moeten toegeven dat wat
tot dan toe als geldende regel was voorgehouden VALS was.” Wat
tevens betekent dat men de schijn van waarheid aan de leugen bleef
toekennen. Dus bleven de dingen wat ze altijd geweest waren.
Hoe een tekst mishandeld wordt
Het
martelen is helaas tot in onze zogenaamde beschaafde gemeenschappen
een schandelijke praktijk gebleven. Zelfs Bijbelteksten worden
mishandeld. Om hen het omgekeerde van hun inhoud en het
tegengestelde van wat zij verklaren te doen “toegeven” vermaalt,
beschadigt en kwelt men ze. Ik acht het nuttig hier als voorbeeld
even een uitweiding in te lassen. Er komt in Paulus’ geschriften
misschien geen klaarder en onweerlegbaarder onderricht voor dan waar
hij zegt: “Want er is één God en één middelaar tussen God en
mensen, de mens Christus Jezus.” (1 Timótheüs 2 :
5) Daarmee bedoelt hij: omdat er slechts één God is, kan er
ook slechts één middelaar zijn. Hij verstaat onder die middelaar
de Heer Jezus. Hij alleen en niemand anders. De Roomse kerk wijzigt
deze waarheid volledig door er een bijzonder karakter aan te geven
in het licht van de bruiloft te Kana. (Johannes 2 :
1-10) Het wonder dat daar door Jezus gedaan werd, enige tijd
nadat Maria Hem er attent op gemaakt had dat er geen wijn meer was,
wordt aan háár toegeschreven in die zin dat zij middelares van
alle genade wordt genoemd. Zodoende wordt de leer van de grootste
Leraar van de christelijke kerk verkracht. Als Bijbelteksten
dergelijke mishandelingen ondergaan, kan men ze álles laten zeggen
en kunnen middelaars bij de vleet ontdekt worden.
Ik ben teleurgesteld dat ik dergelijke praktijken ook aantref bij
hen van wie men een eerlijker benadering van de Schrift zou kunnen
verwachten. Tot eer van mijn broeders uit de pinksterbeweging moet
gezegd dat geen enkele van degenen aan wie ik het verhaal uit
Handelingen 2 voorlegde, weerlegde dat het spreken in talen op die
dag enkel tot God gericht was en niet tot mensen. En ziedaar,
vandaag de dag gaan stemmen op om het omgekeerde te bewijzen. De
verklaring van Paulus, hoe glashelder ook: “Wie in een taal
spreekt, spreekt niet tot de mens, maar tot God.” (1
Korinthe 14 : 2) wordt aangevallen op grond van een
verwrongen Bijbelverklaring. Zoals Rome het middelaarschap van Jezus
Christus in een bepaald daglicht stelt, vernietigt of aantast vanuit
het verhaal van de bruiloft van Kana, zo bedient men zich van
Handelingen 2 om de leer van Paulus uit te leggen, waar precies het
omgekeerde dient te gebeuren. Of gaat het er hen misschien om mij te
doen aanvaarden dat Paulus aan woordblindheid leed, toen hij (hoewel
geïnspireerd door de Heilige Geest) schreef: “Wie in een taal
spreekt, spreekt niet tot de mens, maar tot God!” Of schreef hij
Gods gedachten averechts?
Een vertraagde film
Ik zou
een drievoudige manipulatie van het pinksterverhaal gaarne in
vertraagd tempo weergeven.
Eerste manipulatie: indien het spreken in talen slechts tot
God gericht was, zou dit gebeuren zich binnen de opperkamer alleen
hebben afgespeeld.
Eerste antwoord: bij alle grote openbare manifestaties, of
het nu het eerste pinksterfeest was of allerlei andere uit onze tijd
(conferenties, zendingssamenkomsten, campagnes) worden de gebeden
tot God in het openbaar gedaan, evengoed als lofzangen,
dankuitingen. Zij worden even zichtbaar en hoorbaar als de toespraak
tot de aanwezigen gebracht.
Tweede manipulatie: omdat er begrepen werd wat er gepredikt
werd, is er dus sprake van een toespraak tot mensen.
Tweede antwoord: in massavergaderingen van vroeger of van
heden verstaat ieder wat er gebeden wordt, terwijl nochtans de
gebeden tot God gericht worden.
Derde manipulatie: er werd met luide stem verkondigd; er was
geen sprake van fluisteren.
Derde antwoord: dat is toch de gewoonte bij alle publieke
gebeden, of dit in een zaal, langs radio of televisie of in de
openlucht gebeurt. Zij dragen even ver als onze predikingen. Wij
schrikken er niet voor terug al de capaciteit van onze
geluidsversterkers erbij te benutten, alhoewel wij ons alleen tot
God richten. Al die gebruikte decibels zijn bestemd opdat degenen
voor wie het gezegde niet bestemd is, het toch zouden begrijpen.
Een noodzakelijke precisering
In
strijd met wat door sommigen beweerd wordt, heeft de
pinksterprediking niemand tot bekering gebracht. Evenals onze
huidige dankzeggingen was dit spreken in talen een verkondigen van
de grote daden van God (Handelingen 2 : 11) en
het spreken van geheimenissen. (1 Korinthe 14 : 2)
Zeker, de aandacht van het volk werd daardoor getrokken op wat er
ging volgen. Maar het is juist dat wat volgde, dat hen tot berouw en
geloof heeft gebracht, namelijk de prediking van Petrus; een
prediking die niet in een vreemde taal geschiedde. Indien het
spreken in talen een verkondiging voor de toehoorders betekende,
waarom zou Petrus daarop dan nog het woord genomen hebben? Om
opnieuw te prediken en uit te leggen wat hun door de Heilige Geest
zojuist was gezegd en verklaard?
Het spreken in talen had hen helemaal niets verklaard, want zij die
toehoorden riepen uit: “Wat wil dit toch zeggen?” (vers
12) Het spreken in talen had de waarde van een teken waarvan
de zin hen vooralsnog ontging. De boodschap die er op volgde gaf hun
de sleutel tot het begrip ervan: “Ik zal van mijn Geest uitstorten
op alle vlees”, op alle talen, alle geslachten, alle volkeren. Het
spreken in talen deed vragen in hen opkomen, terwijl het antwoord
hun gegeven werd door Petrus’ prediking. Precies deze laatste
verkondiging deed hen tot zichzelf inkeren: “Toen zij dit hoorden
werden zij diep in het hart getroffen...” (vers 27)
en zij bekeerden zich, zoals het vervolg ons leert. Die duizenden
bekeerde Joden, bekeerd op Petrus’ prediking, konden naar hun
respectievelijke landen waar zij woonachtig waren terugkeren en er
getuigen van het heil in Jezus Christus. Terzelfdertijd konden zij
de andere Joden in die verschillende landen daardoor bewijzen dat
volkeren met andere talen gered konden worden, ook toegang hadden
tot hun Jahweh en daardoor tegelijk hun broeders werden. Weliswaar
hadden zij nog geen inzicht in alle aspecten van dit grote
geheimenis, maar het spreken in talen, waarvan zij getuige waren
geweest, leidde hen daarin in. Tevens bewerkte dit teken hun hart om
zich niet als tegenstanders op te stellen, zoals de overige Joden
dat deden telkens als het evangelie gepredikt werd aan volkeren die
een andere taal spraken dan de hunne.
Wat deze eerste bekeerden hadden meegemaakt, zouden ze niet licht
vergeten, alhoewel zij van nature steeds weigerachtig stonden ten
aanzien van het behoud van barbaren of vreemdelingen. Immers God de
Heilige Geest, de eerste van allen, had zich van de talen van deze
verachte vreemdelingen bediend. Het teken was zo helder en klaar.
God aanvaardde degenen, van wie Hij zelfs hun taal hanteerde.
Voortaan zouden de meest weerbarstigen zich daarbij moeten
neerleggen. Of hun dat nu beviel of niet. God had bij Zichzelf
besloten dat Joden en heidenen door de doop in de Heilige Geest
samengevoegd zouden worden tot één Lichaam. (Éfeze
3 : 6; 1 Korinthe 12 : 13) Traditie heeft dikwijls de
overhand op het Woord van God. De geschiedenis van de Kerk in de
loop der eeuwen is daar een pijnlijke en verootmoedigende
bevestiging van.
Een keuze
Ik
bewaar een treurige herinnering aan een debat over het onderwerp dat
ons bezig houdt, waarop ik uitgenodigd was door mijn meest nabije
buurman, een ervaren voorganger van de Pinkstergemeente. Zijn
tegenstander was een “broeder in het Werk des Heren” uit de
groep die wel als “vergadering van gelovigen” wordt aangeduid.
Beiden hadden hun Bijbel open voor zich liggen. Mijn vriend de
voorganger, waarvan ik verwachtte dat hij zijn eigen leer grondig
onder de knie had, maakte een povere indruk. Wat kreeg hij er van
langs! Het leek wel of een orkaan al zijn argumenten van tafel
blies. Die fulltime werkende dienaar des Heren bleek zijn Bijbel op
buitengewone manier te kennen. Het was alsof hij er één ingeslikt
had, zo eigen was hij met het Woord. Ik had de indruk te maken te
hebben met Stéfanus van wie gezegd werd: “... en zij waren niet
bij machte de wijsheid en de geest waarmee hij sprak te
weerstaan.” (Handelingen 6 : 10) Ik herinner
mij niet precies meer alle leerstellige punten die mijn vriend
ontwapenden en versloegen, ik was nog te oningewijd om ze allemaal
te onthouden. Maar wat mij aan de grond nagelde - en dat ik nooit
meer zal vergeten - waren zijn woorden: “Schriftuurlijk heeft u
gelijk, maar ik kan mijn eigen ervaringen niet verloochenen.”
Daarbij sloot hij zijn Bijbel en schoof die opzij.
Dit schouwspel is mij bijgebleven en heeft mij lang achtervolgd.
Daar kwam alles aan het daglicht, in dat gebaar en in die woorden.
De Bijbel opzij gelegd, de ervaring als leidraad. Verslagen op zijn
geliefd terrein en verplicht dit toe te geven, moest hij, wilde hij
niet voor schut gezet worden, kiezen tussen Bijbel of ervaring, het
éne verloochenen en het andere bewaren. Wel, de Bijbel werd
opgeofferd op het altaar van de ervaringen. Dit soort van
subjectivisme wint veld in alle lagen van de christenheid. Een
subjectivisme dat alles uit de weg ruimt wat het hindert, al is het
het Woord van God. Dat daarenboven zeer handig het etiket
“Schriftuurlijk” probeert te plakken op deze ervaringen.
Pasbekeerden en mensen die weinig in de Schrift thuis zijn, zijn
blind voor dergelijke praktijken.
Tijdens de terugrit in de auto had ik medelijden met hem: ik zou hem
zowaar hebben kunnen troosten. Hij daarentegen voelde zich
schijnbaar opperbest. Hij scheen vrolijk en ontspannen. Hij had zijn
persoonlijke ervaringen. Daarmee was hij tevreden. Dat was voor hem
genoeg. Hij deed me denken aan die Roomse priester die me eens zei:
“Dat de Bijbel niet over het vagevuur spreekt hindert mij helemaal
niet. De leer van de Kerk verklaart dat het er is. Dat is voor mij
voldoende.” Zijn “ervaringen” waren hem ook genoeg.
Nog meer ervaringen
Op
het gebied van ervaringen hoorde ik vertellen hoe meerdere personen
tot het geloof kwamen door de uitlegging van een spreken in talen
die voor hen bestemd was. Hoe kan dat, dacht ik, de dwaling kan
mensen toch niet tot de waarheid brengen? En als ze inderdaad tot
God geleid werden, kon dat slechts uit God zijn. Maar een
dergelijke redenering was slechts in schijn logisch. Ze voldeed mij
niet lang. Ik stelde vast dat de inwoners van Filippi in Griekenland
zich best hadden kunnen bekeren bij het aanhoren van de jonge slavin
die ontegenzeggelijk door de duivel bezeten was, die Paulus en Silas
toeriep: “Deze mensen zijn slaven van God de Allerhoogste, die u
de weg van behoudenis verkondigen.” (Handelingen
16 : 17)
Deze jonge vrouw, tegelijkertijd slachtoffer én slavin van satan,
bracht op dat ogenblik een zuiver evangelische boodschap. Niettemin
heeft de geestelijk gezinde Paulus de verwarring die door haar
geschapen werd met kracht ontsluierd. Kan een dergelijke waarheid,
die haar oorsprong vindt in de hel, aan het occultisme enige waarde
verlenen? Ik heb christenen ontmoet die beweren door Jehovah’s
Getuigen de weg van het heil te hebben gevonden doordat dezen hen
een Bijbel gaven. In geen geval kan de tussenkomst van de Jehovah’s
Getuigen bij hun bekering de dwaalleer van deze sekte geloofwaardig
maken.
De apostel Paulus spreekt in zijn brieven over mensen die het
evangelie predikten uit naijver, met het doel hem persoonlijk de
gevangenschap zwaarder te maken. Die evangelisatie droeg vrucht in
die zin dat Paulus kon schrijven: “…Christus wordt verkondigd en
daarin verblijd ik mij.” (Filippenzen 1 : 18) Rechtvaardigt het
resultaat de slechte 7 0 gevoelens? Kan men terwille van de
resultaten prediking uit nijd en twist een grond van bestaansrecht
schenken?
Zelfs de opera
Ik
heb een dienstknecht van de Heer gekend die zich bekeerde in een
schouwburg. Hij hoorde er een aanhaling uit de Bijbel en op
hetzelfde ogenblik werd hij gegrepen door de Geest van God en gaf
zich over aan de Heer. Niet alleen ging hij nadien nooit meer naar
de schouwburg, maar hij bewoog ook niemand anders ertoe. Of heiligt
het doel de middelen? Ik vrees dat bij heel wat christenen deze
wereldse geest de overhand heeft. John Bost, stichter van de
“Asiles de la Force” in Bergerac in Frankrijk, was zoon van een
dominee. Toen hij nog onbekeerd was, had hij sterk de wereld lief.
Op een dag ging hij naar de opera om er “Le Domino Noir” te
zien. Daar werd hij door de Geest van God aangegrepen. In allerijl
verliet hij de zaal om in zijn kamer voor God de knieën te buigen
en zich aan Hem te geven. Als de opera zulke heerlijke vruchten kan
voortbrengen, waarom zou de weg tot God dan niet leiden door een
opera? HEILIGSCHENNIS!
Maar was ik niet bezig het principe te verdedigen dat spreken in
talen, om het soms voorkomend goede resultaat, te rechtvaardigen
was? Toen een vriend, een kolonel van het Leger des Heils, bij zijn
terugkeer uit Afrika aanwezig was in onze eredienst, loofde hij de
Heer in het Lingola, een taal van West-Afrika. Er volgde een
uitlegging die in de verste verte niets te maken had met wat hij in
zijn dankzegging had uitgesproken. Welnu, die huichelarij was
Bijbels in die zin dat de pseudo-uitlegging precies zo evangelisch
was als de woorden van de bezeten slavin uit Handelingen 16. Een van
de toehoorders had die bij gelegenheid op zichzelf kunnen
toepassen. Maar op basis daarvan de namaak rechtvaardigen, terwijl
het niets anders was dan bedrog, houdt een grensoverschrijding in
die alleen zij zullen aandurven die door een andere geest bezield
zijn dan de Heilige Geest.
Buitengewone dingen
Toen
ik op het gebied van het onderwerp van dit boek slechts weinig licht
bezat, merkte ik geleidelijk op in welke mate het spreken in talen
bij sommigen niet onder controle bleef. Zo gebeurde het dat een
broeder, die in de mening verkeerde de gave van genezingen te
bezitten (die althans die gave ten koste van alles wilde bezitten)
mij vertelde dat hij tijdens zijn handopleggingen bij zieken ook in
talen sprak. Vreemd. Ik heb me dikwijls afgevraagd waar hij ergens
in de Bijbel een aanwijzing daartoe had gevonden. Een ander paste
het spreken in talen speciaal toe wanneer hij bad voor mensen die
van boze geesten bezeten waren. Naar hij beweerde, werd
geestuitdrijving daartoe des te doeltreffender. Nog vreemder.
Anderen, waarvan wij betwijfelen of zij echt bekeerd waren, dit zij
gezegd niet in een geest van oordeel, werden slechts overtuigd van
de vergeving van hun zonden en van hun heil nadat zij in talen
hadden gesproken. Het geloof werd vervangen door het spreken in
talen. Ik heb vastgesteld dat er een grote variëteit van ideeën
voorhanden was, die inderdaad niet tot verveling leidden, maar het
allen niet nauw namen met het onderwijs van het Grote Boek van God.
Hoe zou de apostel Paulus zijn verontwaardiging hebben uitgeroepen
bij het vaststellen van zulke afwijkingen. Hij die buiten de
voorziene context (ongelovige Joden en uitlegging) het gebruik ervan
in de samenkomsten van de gelovigen had weerlegd. (1
Korinthe 14 : 19)
Hoe zou hij herhaald hebben wat hij de Korinthiërs voorhield:
“... weest geen kinderen in uw overleggingen ... De talen zijn dus
tot een teken, niet voor de gelovigen ... maar voor de
ongelovigen.” (1
Korinthe 14 : 20-22)
10. De hoofdvraag: wanneer?
Laat
ik nog even terugkomen op het punt wat we reeds onderstreepten,
namelijk dat het spreken in talen, naar de woorden van de apostel
Paulus, een teken was voor het ongelovig jodendom en niet voor de
heidenen, omdat de heilige Geest zegt: “... Ik zal tot dit volk
spreken ... “ (1 Korinthe 14 : 21) Van dit
punt overtuigd, wilde ik meer omtrent deze zaak weten. Geleidelijk
aan kwam ik daardoor tot een besluit dat mij onrustig maakte. Ik
kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ik hoe langer hoe meer in mijn
eigen overtuigingen verstrikt raakte. Ik oordeelde zo: nu de
Gemeente bestaat uit mensen uit de volkeren levert haar universeel
karakter geen problemen meer op. Waartoe kan het teken dan nog
dienen en voor wie? Sinds talrijke eeuwen heeft het geen zin meer
wie dan ook ervan te overtuigen dat het heil voor iedereen van welke
spraak ook is, of het nu Zwitsers, Fransen, Chinezen of Zoeloes
zijn. Niemand betwist dit meer sinds eeuwen. Welnu dan?!?!
Dergelijke fikse logica deed me daar belanden waar ik eigenlijk niet
wilde. Net als een konijn, gevangen in een strop, worstelde ik wild;
wat me nog meer in ademnood bracht.
Iedereen is wel op de hoogte van het feit dat wanneer de Heilige
Geest iemand aangrijpt, Hij niet loslaat, tenzij de betrokkene voor
Hem capituleert. Jeremia heeft dat ondervonden. Hij spartelde tegen,
maar gaf tenslotte toe met de woorden: “Gij hebt mij overreed Here
en ik heb mij laten overreden.” (Jeremia 20 : 7)
De apostel Paulus, de meester in Bijbelse logica, die zelf
overvloediger in talen sprak dan anderen, die daarvan de leer had
uitgelegd en tevens de grenzen ervan, gaf er ook het einde van te
kennen, wat uiteraard het lot is van alle dingen hier beneden, zelfs
van de beste. Dat is even redelijk als wanneer de overheid tweederangsspoorlijnen
afschaft omdat ze niet meer renderen. Paulus zegt, door de Heilige
Geest gedreven: “... talen, zij zullen ophouden...” (1
Korinthe 13 : 8).
Nuchter beschouwd is een teken dat niets meer te betekenen heeft
gelijk te stellen met het handhaven van een verkeersbord voor
wegomleiding waar de werken reeds lang volledig zijn uitgevoerd.
Dat zou helemaal geen zin meer hebben. Bovendien heb ik een
afdalende lijn gevonden in het Nieuwe Testament; even betekenisvol
als ontstellend:
1. In
Handelingen 2 : allen spreken in talen.
2. In
1 Korinthe 12 : allen spreken niet meer in talen.
3. In
1 Korinthe 13 : de talen hebben afgedaan.
Ja, de
talen verstommen, maar wanneer? Tot hiertoe had ik een veldslag
verloren, zelfs twee of beter drie. Met mijn Bijbel in de hand had
ik voorgoed toegegeven:
1. Dat
het spreken in talen zich in geen geval richtte tot mensen en dat
waar het toch in de praktijk voorkwam er sprake was van nabootsing.
2. Dat
het een kenteken was voor ongelovige Israëlieten ten bewijze van de
universaliteit van het heil en dat dit teken enkel voor hen was.
3. Dat
er slechts één soort spreken in talen voorkwam en niet twee, zoals
mij vroeger onderwezen was op grond van een oppervlakkige
Schriftbeschouwing.
Nu moet ik wel bekennen dat die drie verloren veldslagen nu als
veroveringen overkwamen, en dan zeker niet in de vorm van een in de
vesting heimelijk binnengeloodst paard van Troje, noch als een
vijfde colonne. De waarheid bindt niet, maar bevrijdt. Mijn
ontdekkingen kostten me intussen wel aardig wat vriendschap. Er
bleven echter nog zoveel gemeenschappelijke belangen en zoveel
banden met mijn broeders dat - zo er al van een paard van Troje
sprake zou zijn - ik me zou haasten het terug te sturen waar het
vandaan kwam. Ik was vast besloten stand te houden tot de laatste
kogel verschoten was.
Augustinus
Onderwijl
had ik zelfs een beroep gedaan op de geschiedenis, alhoewel ik me
hoed voor de manier waarop ze dikwijls geschreven is. Nu hebben de
kerkvaders niet naar mijn kraam gepraat. Johannes Chrysostomos en
Augustinus (354-430) zeggen in hun Schriftbeschouwingen dat deze
gave reeds opgehouden had te bestaan in hun tijd. Ziehier hoe
Augustinus zich uitdrukt in zijn “Leerredenen bij de eerste brief
van Johannes”: “Het waren tekenen eigen aan die periode. Zij
waren bestemd om de komst van de Heilige Geest bij mensen van alle
spraak aan te kondigen en om aan te tonen dat het Evangelie van God
aan alle taalgroepen van de aarde moest verkondigd worden. Het kwam
voor om iets bepaalds aan te kondigen en verdween daarna.” Waar ik
met zoveel moeite kennis van had gekregen werd door Augustinus
ongeveer zeventien eeuwen geleden al geschreven. Wat hij onderwees
en wat ik op mijn beurt ontdekt had, was zo voor de hand liggend. De
vroege kerk en zelfs al de apostolische kerk verloor meer en meer
het Joods karakter en bestond meer en meer uit mensen die andere
talen spraken, zodat zij steeds sterker doordrongen werd van de
universaliteit van Gods genade. Van het ogenblik dat dit volledig
erkend werd, werd in haar midden het overtuigen van de
wereldomvattende liefde van God overbodig, evenals de leer dat de
Heer meer was dan alleen maar de God van Israël, maar ook de God
van de volkeren.
Waar deze heilswaarheid definitief aanvaard werd in de Gemeente, en
zelfs in de wereld, had de genadegave die er het zichtbaar teken van
was, evenals het uitoefenen van deze gave, geen reden van bestaan
meer. God heeft ze weggenomen. Dat deed Hij eveneens met de
inspiratie van de schrijvers van zijn Woord. Na Johannes en zijn
Openbaring heeft niemand meer de pen gegrepen om in de kracht van
die genadegave nog gedeelten toe te voegen aan de Bijbel. God nam
deze gave weg. Behalve voor enkele stijfhoofdige lieden zoals Joseph
Smith, de - naar men beweert - geïnspireerde vertaler van het boek
van de Mormonen! Welnu, het schrijven van het Nieuwe Testament
gebeurde dank zij een gave van de Geest. Die gave is niet gebleven.
Niemand betwist dit (uitgezonderd enkele “verlichte geesten”).
De broeders van de pinksterbeweging evenmin als de anderen.
De doop met de Heilige Geest
Meteen
ging ook de leerstelling omtrent de doop met de Heilige Geest,
waarvan het spreken in talen het onweersprekelijk en evident teken
was, aan het wankelen. Het enige wat door het spreken in talen
bevestigd werd, was dat de doop met de Heilige Geest het ingelijfd
worden van Joden en niet-Joden in het lichaam van Christus was. Dat
wordt door Paulus uitgedrukt in de woorden: “Immers, wij allen
zijn door één Geest gedoopt tot …” Tot wat dacht ik? Wat is
het doel van de doop met de Geest? Het antwoord stond daar duidelijk
geschreven: “tot één lichaam”. (1
Korinthe 12 : 13)
Het spreken in talen bevestigde voor de oren van hen die daar niet
van wilden horen en er tegenstanders van waren dat Grieken aan de
Gemeente werden toegevoegd. Toen ik inzag dat de doop met de Geest
heel wat anders was dan wat ik tot dan toe gedacht had was ik ook
weer overstuur. Men had mij steeds onderwezen, gezegd en opnieuw
gezegd dat die doop de toegang was tot de Geestesgaven, en zie nu,
het enige vers in de Bijbel dat verklaarde wat de doop met de
Heilige Geest was, verklaarde integendeel dat het vormen van één
lichaam, waarin Joden en volkeren met andere talen bijeengevoegd
waren, zijn doel was.
Had ik goed gelezen?
Eer
ik volledig overtuigd was moest ik meerdere malen dat vers herlezen.
Daar stond de bedoeling inderdaad: het vormen van één lichaam,
hetzij Joden, hetzij Grieken, en niet wat men mij jarenlang
ingehamerd had. Eindelijk heb ik begrepen dat door die doop de
Heilige Geest de vijandschap tussen de volkeren wegneemt, de
scheidsmuren, waardoor de één zich tegen de ander opstelt,
neerhaalt. Hij smeedt ze samen tot een nieuw volk, een nieuw
lichaam: de Gemeente. Zoals druiven van verschillende oorsprong en
van verschillende wijnstokken samen in één beker der dankzegging
bij het Avondmaal worden geperst, zo worden in de wijnpers van de
Heilige Geest door een enkele doop mensen van verschillende talen
samengevoegd tot één enkele hoop. (Éfeze
4 : 4-6)
Oh, hoe heerlijk waren die internationale samenkomsten waaraan ik
deel mocht nemen, samen met mensen van allerlei ras, cultuur en
huidskleur, om uit één hart de lofzang tot de Heer aan te heffen.
Ziedaar het resultaat van de Geestesdoop, zoals Paulus het schreef:
“... gedoopt in één Geest tot één lichaam, hetzij Joden,
hetzij Grieken”. Ik zou er aan kunnen toevoegen, hetzij Fransen,
hetzij Engelsen, hetzij Spanjaarden, hetzij Afrikanen. Halleluja!
Wij zelf waren het Teken, het bewijs van de toegang van de talen tot
de “Internationale” van God.
Een tweegevecht dat slecht afloopt
Maar
kijk, ik ben van nature een vechtersbaas. Ik heb het temperament van
een aanvaller. Ik houd van scoren. Door me aan Paulus te wagen had
ik al enkele opstoppers gekregen. Ik moest proberen de eer te redden
door mijn verdediging te verstevigen en tegelijkertijd op z’n
minst één goal te schieten. Daar Paulus en de “anti’s” in
mijn terrein waren binnengedrongen moest ik tegenaanvallen opzetten
met gebruikmaking van de verrassingstactiek: als je gewaar wordt dat
het tweegevecht een slechte keer neemt, haal je je geheime wapens
voor de dag. Ik had meer dan één wapen op zak en meer dan één
snaar op mijn viool. Er stond wel geschreven dat de talen een einde
zouden hebben, maar wanneer? Dezelfde tekst (1
Korinthe 13 : 8)
die dit zegt betreffende de talen, zegt dit ook met betrekking tot
kennis en profetie. Nou dan! Indien de twee eersten nog gebleven
zijn, waarom zou de derde verdwenen moeten zijn? Daar! Geeft het
geen blijk van partijdigheid één uit te schakelen waar de twee
andere gehandhaafd worden? Daar en dáár! Op dit punt had ik me
verweerd tegenover een vertegenwoordiger van die anti-talen
beweging. Ik was er zeker van dat hij het onderspit zou delven.
Ongelukkigerwijze bleek ik terechtgekomen te zijn bij een echte d’
Artagnan. Daar waar ik mijn slag moest slaan, werd ik zelf geveld.
Ik werd door hem figuurlijk op een heet rooster gelegd.
Kennis en profetie
Ik
begreep al heel vlug dat toen het Nieuwe Testament nog niet
geschreven was, toen de profetie en de kennis niet verzegeld waren
in het geschreven Woord, er tijdens de samenkomsten van de eerste
Gemeente, door de Geest spontaan een woord van kennis en een
profetie tot stichting ingegeven werd. Met betrekking daarop zegt
Paulus trouwens: “Daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht
opmerken in de verborgenheid van Christus.” (Éfeze
3 : 3-4) Maar toen deze kennis en deze profetieën in het
Nieuwe Testament waren opgenomen, verdwenen ook deze twee genadegaven.
Blijven nog slechts over een tweederangs kennis en profetie,
namelijk de beschouwing van die eerste. Die beschouwingen zijn er
verdere uitleggingen van of overdenkingen erbij, maar wat er
geschreven staat completeren ze niet. De waarde ervan is nimmer
gelijk te stellen met de Schrift zelf. Anders moesten ze aan deze
laatste worden toegevoegd. Dat doen weliswaar wel de Mormonen met
hun tafels van de Nieuwe Wereld van Joseph Smith. En deze bestaan
nota bene zelfs uit goud! Zij zijn bijzonder “gewichtig, maar
alleen maar in hún ogen.
Weer anderen bezitten ook geïnspireerde profeten op een onfeilbare
leerstoel. Het is het wezenskenmerk van de sekten. De nieuwe
geschriften worden naast de Bijbel gesteld en het komt zover dat de
autoriteit en het onderwijs van Gods Woord er door in de schaduw
gezet wordt. Er komt wel zoiets voor als een profetie van de aard
van die van Agabus, die een hongersnood aankondigde. (Handelingen
11 : 28) Maar die heeft niets gemeen met die waarvan Paulus
schrijft: “opgebouwd op het fundament van de apostelen en
profeten, terwijl Jezus Christus Zelf Hoeksteen is”. (Éfeze
2 : 20) Er is wel degelijk sprake van de kennis en de
profetie van het fundament, waar niemand nog iets mag bijdoen.
Betreffende deze kennis en deze profetie van het fundament kan
Paulus, en mét hem iedere christen, zeggen dat zij zullen
ophouden. En ... zij hebben afgedaan met de laatste regels van de
hand van de schrijver van de Openbaring. Daarop duiden de woorden:
“... Maar wanneer het volmaakte gekomen is ...” (1
Korinthe 13 : 10) En het Woord Gods is af, is volledig, is
het eindpunt van dat Volmaakte. Er staat geschreven: “Aan alles,
hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar uw gebod is
onbegrensd”. (Psalm 119 : 96)
In het kielzog van de anderen
Wat
betreft het verdwijnen van het spreken in talen was ik, zoals zovele
anderen, doordrenkt van de gedachte dat er een relatie was met de
woorden: “... als het volmaakte komt”. Zo dikwijls was dit
herhaald, dat ik het aannam zonder controle. Omdat het geschreven
staat, moet het zo zijn. Het leek me zo evident. Toch besloot ik
zelf aandachtig na te lezen wat de Heilige Geest gezegd had. Er kwam
een gevoel van onzekerheid in mij op. En wat een schok! De
genadeslag kwam weer eens van Paulus zelf. Met verontwaardiging
stelde ik vast dat men mij weer bij de neus genomen had. Inderdaad
staat er nergens in de Schrift dat de talen afgedaan zullen hebben
als het volkomene gekomen is. Het was voldoende rustig te lezen wat
de Schrift zegt om de dwaling te ontdekken. Het stond er zeer
duidelijk in drie verzen die in een verkeerde orde (en hoe dikwijls
met onzuivere bedoelingen?) aangehaald worden. Bij het herlezen van
de verzen 8, 9 en 10 van 1 Korinthe 13 vond ik ..., maar laten we
liever samen lezen. Eerst vers 8: “... profetieën, zij zullen
teniet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij
kennis, zij zal teniet gedaan worden”. Dat is helder.
De twee volgende verzen zullen ons duidelijk maken wat precies gaat
verdwijnen als het volmaakte (het volkomene) gekomen is. Laten wij
aandachtig vers 9 lezen: “Want wij kennen (kennis) ten dele en wij
profeteren (profetie) ten dele...” Maar waar is het spreken in
talen gebleven??? Wij schuiven het gewoonlijk er tussen om te doen
geloven dat het tenminste zal blijven tot het volmaakte gekomen
is. Maar ... dat staat er niet! Dat houdt in dat het spreken in
talen niet in verband staat met het gekomen zijn van het volkomene,
zoals de twee andere. Dat zegt Paulus helemaal niet. Natuurlijk
niet. Wij hebben het gezegd en opnieuw gezegd, vastgesteld en
herhaald. Het einde van de genadegave van de talen staat in relatie
met wat anders; namelijk met het doel waartoe God het beschikt had.
Dat doel werd volledig bereikt toen erkend werd dat mensen uit de
volkeren op dezelfde grond als “dit volk” van de zegeningen van
Jahweh’s heil kunnen genieten. Van het ogenblik dat dit feit werd
geloofd, aanvaard en niet meer in twijfel werd getrokken, had de
gave afgedaan. En nu is het juist de man die in de periode waarin
deze gave zijn volle bestaansrecht had en die deze bezat in grotere
mate dan wie ook, door Gods Geest geleid, verklaart: “De talen
zullen ophouden.”
Deze “tongen van vuur” zijn gedoofd, niet tengevolge van de
komst van het volmaakte, maar bij gebrek aan hun natuurlijke
brandstof: de tegenwoordigheid van “dit volk” en in het
bijzonder haar ongeloof ten aanzien van de aanneming der heidenen.
Men ziet sterren alleen ‘s nachts en dan zijn ze nuttig, zoals
iedereen weet. Bij daglicht worden ze niet meer gezien. Zo ook was
het spreken in talen slechts nuttig in de duisternis van Israëls
ongeloof en tegenstand tegen het heil der heidenen. De gave verdween
op heel natuurlijke wijze toen de roeping van de heidenen in het
volle daglicht kwam te staan. En ziehier wat tenslotte mijn
weerstand helemaal lam legde. Ik probeerde, zoals vele anderen, vers
10 “wanneer het volmaakte is gekomen” op een plausibele manier
te veranderen in: “wanneer DE VOLMAAKTE zal gekomen zijn”. En in
mijn ogen werd met “de volmaakte” de Heer bedoeld.
Veronderstellen we even dat dit standpunt juist is. Vers 8 zou dan
inhouden dat profetieën, kennis en spreken in talen slechts zullen
ophouden als de Here Jezus wederkomt. Maar om welke reden zegt vers
13 dat het geloof, de hoop en de liefde BLIJVEN, en dit dan in
tegenstelling met de drie andere die zullen ophouden? Wanneer
blijven ze? Het is immers overduidelijk dat het geloof en de hoop
verdwijnen bij de komst van de Heer Jezus Christus. (Alleen de
liefde blijft bestaan, daar ze eeuwig is). Als dus profetieën,
kennis en spreken in talen verdwijnen bij de wederkomst van
Christus, zouden geloof en hoop met hen en tegelijkertijd moeten
verdwijnen. Maar dát spreekt de Heilige Geest tegen; die zegt dat
het geloof en de hoop blijven, waar de eerste drie zullen hebben
afgedaan. Die drie zullen dus vroeger ophouden, vóórdat het geloof
en de hoop verdwijnen, voor de wederkomst van Jezus Christus.
Wanneer dan wel? In deze volgorde:
1. De
kennis en de profetieën houden op bij de komst van het volmaakte,
d.w.z. wanneer het Woord van God volledig is. Het spreken in talen
houdt op wanneer het doel bereikt is, d.w.z. wanneer de roeping van
de heidenen in het volle daglicht gesteld is en wanneer het oordeel,
waarvan het spreken drager was, over het ongelovige Israël gekomen
is.
2. De
hoop en het geloof houden niet op, maar blijven tot de wederkomst
van de Heer Jezus.
3.
De liefde, de grootste van alle, blijft ook na de wederkomst van
Jezus Christus, want de liefde blijft altijd, zij vergaat nooit.
Het schip zinkt
Nu had
ik heel goed door hoe oneerlijk het kon zijn als ik maar bleef
rillen om kleinigheden, net alsof ik de voorvechter van een leer
was. Want mijn eigen leer was als een boot die aan alle kanten lek
was. Tot dan toe dreef mijn vaartuig op de zee, maar nu zat de zee
in mijn schuit. Ik had geprobeerd gaten te stoppen waar een hele
flank weggeslagen was. Het schip zo spoedig mogelijk verlaten
was de enige oplossing. Maar ik zat zo vast aan die ouwe schuit. Het
menselijk hart is nu eenmaal zo. Het weerstaat God en de bewijzen.
Het verkiest breken boven buigen. Maar ... het was toch niet zo
erg als ik de nederlaag leed, wanneer de waarheid van God
triomfeerde. Diep in mijn hart zou ik er gelukkig om geweest zijn
als ergens in hoofdstuk dertien maar een greintje hoop kon blijven
bestaan op een werkelijk voortduren van het spreken in talen. Maar
nu had ik er genoeg van. Ik had geen trek meer in haarkloverij
omtrent glasheldere verklaringen van de Heilige Geest. Het waren
niet de verklaringen van de woorden: “wat ten dele is” of “nu
ik een man ben geworden”, en “straks zien wij van aangezicht tot
aangezicht” die mijn schip weer zeewaardig zouden maken. Intussen
had ik me de Schrift en haar analogie meer eigen weten te maken.
Zonder moeite kon ik vatten: “.. straks zien wij van aangezicht
tot aangezicht” in relatie tot: “... dan zal ik kennen, zoals
ook ik gekend ben”, waar Paulus van een huidige positie, een
onvolkomen heden, plots overgaat tot de heerlijke, maar nog in een
ver verschiet liggende eindconclusie.
Dat dit in één en dezelfde volzin gevat wordt behoeft ons niet te
verwonderen. Een lezer die vertrouwd is met de Bijbel kent dit. Toen
de Here Jezus in Nazareth in de synagoge aanwezig was, las Hij de
bekende tekst uit Jesaja: “De Geest van de Heer is op Mij, doordat
Hij Mij heeft gezalfd..., Hij heeft Mij gezonden ... om te prediken
het aangename jaar van de Heer.” (Lukas 4 : 18-19)
Midden in de zin hield Hij op met lezen. Dat gebeurde met opzet.
Want tussen het laatste woord dat Hij las en het volgende woord in
de zin ligt een periode van tweeduizend jaar. Het gedeelte dat
door Hem aangehaald werd had betrekking op zijn eerste komst,
terwijl de rest zijn tweede komst in heerlijkheid aankondigde. Zal
men nu de eerste komst van Christus plaatsen in de twintigste eeuw
om het feit dat beide gebeurtenissen in dezelfde zin meegedeeld
worden? Maar zoiets wordt wel gedaan door hen die beweren dat het
spreken in talen duurt tot het einde, wanneer wij van aangezicht tot
aangezicht zullen zien. Alleen maar omdat alles staat in het
hoofdstuk waarin de zin voorkomt: “dan zal ik kennen, zoals ik
gekend ben!!!” Daar hoef ik niets van te hebben! Neen, zo’n
knepen-bijbel-uitlegging, typisch voor Jehovah’s Getuigen, is aan
mij niet besteed. Dat laat ik over aan liefhebbers van koorddansen.
Bokkesprongen
Hier
volgt er een typisch voorbeeld van. Een goede vriend, die tot de
charismatische beweging was toegetreden en die koste wat het kost
bleef beweren dat het spreken in talen nog steeds gangbaar was,
hield er de volgende redenering op na: “Uitgaande van de
veronderstelling dat het spreken in talen heden ten dage bedrog is,
dan moet datzelfde spreken ook in de eerste eeuw bedrog geweest
zijn; want God,” voegde hij er aan toe, “blijft Dezelfde,
gisteren, vandaag en tot in alle eeuwigheid. Wij hebben hierbij te
maken met je reinste drogredenering. Dat komt neer op: Als er heden
ten dage geen apostelen - bekwaam tot het schrijven van de Bijbel -
meer voorkomen, dan zijn ze er nooit geweest! Hoe is het op die
manier dan te verklaren dat de God die trouw blijft aan Zichzelf,
die onveranderlijk blijft, gisteren, heden en altijd, vanaf de
apostolische tijden reeds bepaalde tekenen en manifestaties heeft
weggenomen? Inderdaad, op de eerste Pinksterdag ging de komst van de
Heilige Geest vergezeld van drie tekenen:
1. Een
hevig geluid als van een wervelwind.
2.
Tongen als van vuur die op de discipelen waren.
3. Het
spreken in talen.
Iedereen
is het er over eens dat de twee eerste tekenen niet meer bestaan,
alhoewel God nooit over hun ophouden heeft gesproken. Zou het
oprecht zijn te beweren in naam van het onveranderlijk karakter
van God dat, omdat de twee eerste tekenen nu niet meer gezien
worden, ze nooit bestaan hebben? En zie nu op welke verwarrende
manier aan Bijbeluitleg gedaan kan worden: men weigert het
verdwijnen van het derde teken te erkennen, terwijl het precies het
enige is waarvan God de verdwijning heeft voorzegd.
Het manna, brood uit de hemel
Lang
zette ik de gedachte van mij af dat God een gave aan zijn Gemeente
zou hebben ontnomen. Ik kwam echter tot de overtuiging dat alleen
God blijft en niet Zijn gaven. Jona’s wonderboom-zonnescherm
verschrompelde juist toen hij meende dat hij deze nodig zou hebben.
Jona raakte wel zijn boom kwijt, maar gelukkig niet zijn God. Zijn
gaven kan Hij terugnemen, Hijzelf blijft echter. Bij wijze van
vergelijking, en niet als bewijs, wijs ik op een les die ikzelf
ontving uit de geschiedenis van Israël in de woestijn. Gedurende
zes opeenvolgende dagen, uitgezonderd de sabbatdag, ontving het volk
het manna als gave uit de hemel. In Egypte hadden ze dit voedsel
niet gekend, alhoewel God met hen was. In de woestijn was dit manna
een heenwijzing naar de komende rijke oogsten in Kanaän. Het was er
een teken en bewijs van. Veertig jaar duurde dit. Tot zij in Kanaän
kwamen. Toen schonk God die gave niet meer. Om welke reden? Omdat er
overvloedige oogsten in het beloofde land voorhanden waren. (Jozua
5 : 12) De gave, teken en schaduw van de komende dingen, had
plaats gemaakt voor de volledige werkelijkheid. De gave werd
weggenomen. Samenvattend bevat deze vergelijking drie belangrijke
onderwijzingen:
1. In
Egypte was er geen manna, evenmin als er door de Here Jezus tijdens
zijn omwandeling op aarde in talen gesproken werd.
2. Het
manna, gedurende veertig jaar aan Israël gegeven, wees heen naar de
komende oogsten in Kanaän, evenals het spreken in talen de Joden
wees op de integratie van de heidenen in Gods heilsplan.
3. Er
viel geen manna meer in Kanaän. Zo ook houdt het spreken in talen
op, volgens Paulus, wanneer de waarheid van de oogst der heidenen
niet meer wordt geloochend of tegengestaan.
Het slot
Laten
wij het terrein van de vergelijking, wat steeds aanvechtbaar is,
verlaten en een dubbele waarheid die mij sterk heeft bezig gehouden,
onderstrepen, want zij draagt een leerstellig en algemeen
karakter:
1. Het
oordeel dat door het spreken in talen aangekondigd werd (Jesaja
28 : 11-13) is op een dramatische wijze over het ongelovige
Israël heengegaan in het jaar 70 bij de val van Jeruzalem en de
verstrooiing van de Joden over de gehele wereld.
2. Het
massale toetreden van de heidenen (talen) tot de Gemeente,
aangekondigd mede door het spreken in talen, liep parallel met het
tijdelijk verstoten worden en het oordeel van Israël. Het teken
was, om zo te zeggen, volbracht. Evenals het grote “Het is
volbracht” van het kruis, waardoor elke vorm van herhaling of
hernieuwing wordt uitgesloten. Evenzomin bestendigt zich het spreken
in talen, naar de profetie door de Heilige Geest: “... talen, zij
zullen ophouden”.
11. Hij bouwt zichzelf op
Ik
voel mij genoodzaakt nogmaals terug te komen op de duizendmaal herhaalde
zinsnede: “Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op”. (1
Korinthe 14 : 4) Deze uitspraak maakt in genen dele het
ophouden van het spreken in talen opnieuw twijfelachtig. Als wij het
er opnieuw over hebben is dat meer om het in zijn historische
context te belichten.
Het gaat ongeveer zo als men het heeft over de inspiratie van de
Bijbel: verklaren dat de schrift geïnspireerd werd door God houdt
niet in dat er heden ten dage nog steeds nieuwe bladzijden aan de
reeds geschreven bladzijden zouden moeten worden toegevoegd. Wij
legden er reeds zo stellig de nadruk op dat het doel van het spreken
in talen was een kenteken te geven aan de ongelovige Joden die zich
verzetten tegen de uitverkiezing van de heidenen. Toen die waarheid
mij slechts ten dele duidelijk was vroeg ik mij af of dat wel de
enige reden was. Als dat zo was dan was er geen sprake meer van
spreken in talen. Rond die tijd echter was ik er vast van overtuigd,
samen met duizenden anderen, dat dergelijk spreken vooral tot doel
had zichzelf op te bouwen. Men had me die les zó vaak gespeld, dat
ik het verhaal van buiten kende. In dat stadium, toen ik wat de
kennis aangaat nog in mijn kinderschoenen stond, moest deze tekst,
naar mijn mening, ieder die het spreken in talen loochende tot
zwijgen brengen. Het was een gave van de Geest om zichzelf op te
bouwen.
Het was aangenaam met een dergelijk vers te kunnen dwepen. Het was
voor mij al even onaantastbaar als de tekst: “Jij bent Petrus en
op deze rots zal Ik mijn Gemeente bouwen”, (Mattheüs
16 : 18) voor een conservatief katholiek is. Van huis uit was
ik Rooms-katholieke en niettemin ben ik ten zeerste teleurgesteld in
dit “Jij bent Petrus ...” Ik meende vroeger dit woord als een onoverwinnelijk
wapen te kunnen hanteren, maar het bleek op een teleurstelling uit
te lopen. Rome liet immers deze tekst zeggen wat de tekst zelf niet
zei. Ik had al aan meer van zulke dingen de neus gestoten en besloot
daarom zelf de tekst in zijn context te onderzoeken, zodat ik de
hoofdstukken 12, 13 en 14 van de eerste brief van Paulus aan de
Korinthiërs opnieuw doornam. Met de grootste aandacht herlas ik
deze Schriftgedeelten. Het gevolg voor mij was ontstellend. Het was
of een bom ontplofte, niet in het gezicht van de anderen, maar in
mijn eigen handen.
De hoofdgedachte
Wat
was de hoofdgedachte, de draad waaraan alles opgehangen was, in die
drie hoofdstukken? De anderen, het algemeen nut. Overal en op elk
moment wordt het belang van de ander, de stichting van de ander op
de voorgrond geplaatst. Het komt telkens terug als een rode draad:
de ander, de ander, de ander met verschillende termen.
1. 12
: 7 “... aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot
wat nuttig is”.
2. 12
: 25 “... maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen”.
3. 14
: 3 “... wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing,
vermaning en vertroosting”.
4. 14
: 4 “... wie profeteert, bouwt de gemeente op”.
14 : 5
“... opdat de gemeente opbouwing ontvangt”.
6. 14
: 6 “... welk nut zal ik u doen?”
7. 14
: 7 “... hoe zal men weten ...?”
8. 14
: 8 “... wie zal zich gereedmaken?”
9. 14
: 9 “... hoe zal men weten ...?”
10. 14
: 12 “... tot de opbouwing van de gemeente”.
11. 14
: 16 “... hoe zal hij ... de onkundige ... amen zeggen?”
12. 14
: 16 “Hij weet immers niet wat u zegt?”
13. 14
: 17 “... de ander wordt niet opgebouwd”.
14. 14
: 19 “... om ook anderen te onderwijzen”.
15. 14
: 26 “... laat alles gebeuren tot opbouwing (van de anderen)”.
16. 14
: 31 “... opdat allen leren”.
17. 14
: 31 “... en allen vertroost worden”.
18.
Hoofdstuk 13 in zijn geheel heeft het over de liefde, die op
uitzonderlijke wijze een vrucht is voor anderen. Een boom draagt
immers geen vruchten voor zichzelf. Wel zie, te midden van dit
algemene altruïsme, waartoe de gaven van de Geest leiden, duikt het
meest typisch voorbeeld van op-zichzelf-ingesteld-zijn op: “Wie in
een taal spreekt, bouwt zichzelf op”!! Hoe kleingeestig, hoe
bijzonder kleingeestig! Alleen naar zichzelf toehalen wat God als
een liefdegave ten teken voor de anderen gaf! Verwerpelijk egoïsme!
Inderdaad bedoelt de apostel Paulus het als berisping wanneer hij
aan de kaak stelt: “... bouwt zichzelf op ...”. Welaan nu, zij
die de gaven van de Geest alleen voor zichzelf gebruiken! Schande
over de Simsons, die meer lawaai maken dan waartoe de Geest hen
beweegt; die er gebruik van maken als kleine kinderen zonder maat en
inzicht, die alleen aan zichzelf denken.
Een berisping
Let
op de profeten, zegt Paulus. Daar heb je een voorbeeld aan.
Natuurlijk worden ook zijzelf door hun gave opgebouwd, maar zij
bouwen tenminste de anderen op. Zij profeteren met het oog op de
anderen en niet met het oog op zichzelf. Wanneer het oog iets ziet
is het ten gunste van het hele lichaam en niet voor zichzelf alleen.
Het vangt het licht op en laat het hele lichaam er van genieten. De
voet loopt niet alleen, heel het lichaam volgt zijn weg. Welnu, toen
het spreken in talen zijn volle betekenis had, werd het gebruik
ervan op plaatsen waar het ongelovig jodendom het niet vernemen kon
veroordeeld door de apostel die de gave meer dan anderen bezat. Hij
berispte hen die er op ongepaste wijze of met persoonlijke
bedoelingen gebruik van maakten.
De herder bouwt ook zichzelf op, maar eveneens de anderen. Wanneer
de leraar zijn onderwijs geeft, bouwt hij vanzelfsprekend zichzelf
op, maar tegelijkertijd ook de anderen. De evangelist wordt persoonlijk
opgebouwd en gesterkt door zijn gave, maar het zijn de onbekeerden
die er deelgenoten van worden. En nu is het juist de profetie die
door Paulus in eenzelfde zinsnede tegenover het spreken in talen
wordt gesteld. (1
Korinthe 14 : 4)
De één bouwde de Gemeente op, terwijl de ander alleen zichzelf
stichtte en daarenboven voor eenvoudige toehoorders (1
Korinthe 14 : 11)
slechts wartaal voortbracht. Wie profeteerde, bereikte zijn doel;
wie in talen sprak, miste het. De zinsnede “bouwt zichzelf op”
duidt op een verkeerd gebruik, wat door Paulus gelaakt wordt. Het
verwijt van de meester in het talen spreken moet de babbelzieke
Korinthiërs, die door hem zelfs “onmondigen” genoemd worden,
flink hebben geschokt.
Ik voelde mij soms zo alleen in wat ik ontdekte. Hoe groot echter
was mijn blijdschap toen ik verrast kennis nam van het boek: “Du
baptème à la Plénitude” (Van Doop tot Volheid) van John Stott.
Zijn woorden stemden overeen met mijn gedachten. Nadat hij gezegd
heeft dat het opbouwen van zichzelf niets te maken heeft met het
begrip daarvan in het Nieuwe Testament, gaat hij verder: “...
dienen wij daarbij niet te spreken van misbruik van een gave? Wat
zouden wij niet moeten denken over een gelovige, in het bezit van de
gave van onderwijzen, die alleen aan zichzelf particuliere lessen
gaf? Of van iemand die de gave van genezing heeft en alleen zichzelf
genas? Het is moeilijk het voor eigen doeleinden gebruiken van gaven
die juist voor de dienst aan anderen zijn toevertrouwd, te
verantwoorden.”
12. Waar moest men het spreken in talen toepassen?
Door
deze vraag had ik mijn standpunt daaromtrent moeten herzien. Immers
in bepaalde kringen wordt met klem verdedigd dat men dat in het
bijzonder “thuis” moest doen. Dat werd immers aan Paulus
toegeschreven. Ik ging dus maar eens kijken of dit zo was. Ik zocht,
maar vond geen nauwkeurige aanwijzing daaromtrent. Hoe heb ik het
nu, dacht ik, houden ze me voor het lapje? Wil men ons bezighouden
met hersenschimmen? Neen, ik geloof helemaal niet in de onzichtbare
man van de televisie. Zou die tekst nu werkelijk uit alle
Bijbelvertalingen die ik er op nasloeg weggemoffeld zijn? Een tekst
die ze mij wilden voorschotelen als het zuivere apostolische
onderwijs. Alles wat ik in verband ermee vond, was: “Maar als er
geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente en laat hij tot
zichzelf spreken en tot God”. (1
Korinthe 14 : 28)
Dat is eenvoudigweg de meest elegante en meest christelijke manier
om te zeggen: “Houd je mond!” Maar daarin wordt niets vermeld
over spreken thuis, in je eigen binnenkamer. Waar was het spreken in
talen dan wel op zijn plaats? Als teken voor “dit volk”, het
ongelovige jodendom, hoorde dit thuis in hún bijzijn, ten
aanhoren van hén diende het gebruikt te worden. Daar waar
ongelovige Joden aanwezig waren, waar er kans op was dat het teken
begrepen zou worden en niet daar waar niemand er wat van snapte.
Handelingen 2 is daar een sprekend bewijs van. Het teken werd
zichtbaar in tegenwoordigheid van Joden afkomstig uit vijftien
verschillende landen om hen duidelijk te maken dat God geen
onderscheid maakte tussen land en ras. Daar was het teken zinvol en
niet thuis of in de Gemeente. Want in de Gemeente verkoos Paulus
liever vijf woorden die begrepen werden te zeggen dan tienduizend in
een taal waarvan niemand wat verstond. Door zijn roeping als apostel
der heidenen kwam Paulus bijzonder veel in contact en in conflict
met de Joden en vooral met de ongelovigen onder hen, wat betreft
deze leerstelling. Waar Paulus schrijft: “Ik dank God dat ik meer
in talen spreek dan u allen”. (1
Korinthe 14 : 18)
bedoelt hij geenszins het aantal woorden. Hij gaat geen wedstrijd
aan met de Korinthiërs. Dat is helemaal niet zijn bedoeling. Want
wat de woordenstroom en de soepelheid van tong betreft zou hij ten
overstaan van de Korinthische welbespraaktheid een verpletterende
nederlaag geleden hebben. Maar hij sprak “met volle verstand” (1
Korinthe 14 : 20)
meer in talen dan zij; niet voor zichzelf, noch voor ongelovigen,
maar in bijzijn van en voor de ongelovigen van “dit volk” voor
wie dit een teken was. (1
Korinthe 14 : 22)
Verkeerslichten horen langs de weg te staan ten dienste van de
weggebruikers. Welke gemeentefunctionaris zou het in zijn hoofd
halen ze op het stadhuis te plaatsen om ze privé te gebruiken?
Buiten de kruispunten worden deze signalen nutteloos en absurd.
Evenzo vragen wij ons af waartoe het licht op groen gezet zou zijn
om thuis tussen vier muren, dat wil zeggen buiten het bereik van
“dit volk” voor wie het alleen een betekenis had, in talen te
spreken. Want zo kunnen we ons inderdaad wel uitdrukken: door dit
teken ging het groene licht branden dat doorgang verleende aan alle
talen van de wereld, opdat zij zich zouden scharen in de rij van de
verlosten van Jezus Christus.
Een twijfelachtig bewijs
Misschien
antwoordt iemand: op het ogenblik dat Paulus, de Jood, de Heilige
Geest ontving, heeft hij toch niet in talen gesproken. Dat zou voor
hem en ook voor die andere Jood, die hem de handen oplegde,
Ananias, toch nuttig zijn geweest? Nee, dat teken was juist in hun
geval nutteloos, want beiden waren door de Heer Jezus Zelf
daaromtrent ingelicht dat de naam van Jahweh en zijn Woord ook
toegankelijk werden voor de heidenen met de woorden: “... deze is
Mij een Uitverkoren werktuig om mijn naam te dragen zowel voor
volken als koningen en zonen van Israël.” (Handelingen
9 : 15)
En: “De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te
kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te
horen, want u zult voor Hem bij alle mensen een getuige zijn van wat
u hebt gezien en gehoord”. (Handelingen
22 : 14-15)
Paulus heeft er weet van. Ananias eveneens. Het teken wordt niet
gezien, zoals het nu niet meer voorkomt voor hen die op de hoogte
zijn van het feit dat het evangelie bestemd is voor alle volkeren,
alle naties, alle geslachten en talen. Paulus noch Ananias noch wij
betwisten deze waarheid meer. Het teken zou overbodig zijn.
‘Verhindert het spreken in talen niet’
Een
broeder voor wie ik deze dingen uiteenzette, stelde mij de volgende
vraag. Waarom zegt Paulus dan: “Verhindert het spreken in talen
niet?” (1 Korinthe 14 : 39) Omdat het een
gave van de Geest was die wegens de overdrijving van de Korinthiërs
en hun onbezonnen en onaangepast gebruik ervan door Paulus moest
ingetoomd worden, zonder dat hij er echter toe overging deze uit te
doven. Zolang deze gave op zijn plaats was, mocht Paulus de
uitoefening ervan niet verbieden, behalve daar waar er een verkéérd
gebruik van werd gemaakt. De genadegaven en de roeping Gods zijn
onberouwelijk. Dat zien we duidelijk in het geval van Simson. Zijn
herculeskracht was ook een gave van God. Maar in zijn geestelijke
onvolwassenheid gebruikte en misbruikte hij die zoals de Korinthiërs
het spreken in talen. De kracht van de een en het charisma van de
anderen moest in betere banen geleid worden met betere bestemmingen
totdat de Heilige Geest er het gebruik van zou doen ophouden. Paulus
heeft Lukas niet ontmoedigd zijn evangelie en de Handelingen der
apostelen te schrijven. Hijzelf schreef gedreven door de Geest meer
Bijbelboeken dan de anderen. Zo had hij ook kunnen zeggen over het
schrijven van de boeken van het Nieuwe Testament: “Verhindert ze
niet te schrijven”, net zo goed als hij schreef betreffende het
spreken in talen “verhindert ze niet”. Maar voortgaan met
schrijven of doorgaan met spreken in talen, waar God afgekondigd had
dat deze gaven zouden ophouden, is iets wat de meest gevaarlijke
ketterij openbaart.
Een menigte
Wat
sommigen zekerheid schenkt en anderen in de war brengt, is het grote
aantal mensen dat in onze dagen in talen spreekt. Eertijds stelde
mij dat gerust; met een zekere voldoening oordeelde ik: het zijn
toch niet allemaal kwakzalvers. Weer werd ik het slachtoffer van
mijn vervelende gewoonte die ik overgenomen had van Descartes
(intussen heb ik geleerd dat ook dat van God komt, omdat wij
geroepen zijn Hem óók lief te hebben met ons hele verstand). Mijn
overdenkingen overschaduwden meer dan eens mijn gemoedsrust met
betrekking tot de waarde van mijn argumenten. In mijzelf dacht ik:
een aantal is geen bewijs van waarachtigheid. Het was immers de
meerderheid, de massa die riep: “Weg met Hem, laat ons Barabbas
los!” Omdat 700 miljoen Islamieten geloven wat Mohammed onderwees,
sprak hij nog niet de waarheid. Er zijn meer mensen die geloven in
de wonderen van Lourdes en de leer die er uit voortvloeit, dan
mensen die in talen spreken. Kan het aantal aanhangers aangevoerd
worden om de Maria-leer te funderen? De Here Jezus stond helemáál
alleen. Jeremia en Paulus ook. En toch hadden zij gelijk.
Daarenboven was er het argument der argumenten: enkele groten uit de
evangelische gezindte die zelf ook overgegaan waren tot het
spreken in talen en naar welker bekendheid en naam steeds
gerefereerd werd. Die namen werden me als bananenschillen voor de
voeten gegooid om me te doen verstaan: je bent nog maar een
groentje, een echt groentje. Maar terwijl anderen zich aan
dergelijke grootheden vastklampen, betekenen zij voor mij geen
referentiepunten meer, temeer daar men tegenover deze nog veel
groter namen van imposanter dienstknechten van God, die wereldbekend
zijn en radicaal tegen het spreken in talen zijn, zou kunnen noemen.
Het vergrootglas
Nu
reeds enkele jaren geleden had ik de eer in het gezelschap te
vertoeven van een van de meest bekende figuren die mij nu
wordt aangewezen als het model van het ontdekken van het spreken in
talen. Persoonlijk had hij mij op de hoogte gebracht van enkele
andere ontdekkingen, die echter buiten het kader van dit betoog
vallen. Twee van genoemde ontdekkingen waren leerstellige dwalingen
die zelfs een gezakte eerstejaarsstudent in de theologie zouden
hebben doen verbleken. Zijn aureool was een mythe. Vanaf die dag
luisterde ik steeds met genoegen naar hem, maar op een andere manier
dan onder de indruk van zijn bekendheid en de ruime blik die men hem
toeschreef. Zonder vergrootglas was hij van een eerbiedwaardig
geestelijk formaat, zonder twijfel, maar als het puntje bij het
paaltje kwam, normaal, zonder meer. Zijn standpunten waren evenmin
onfeilbaar als die van de Heilige Vader van Rome, die vóór de
aflaten en tegen het huwelijk van de priesters is. Maar goed,
dat is een andere zaak, de hunne; dat gaat mij niet aan. Mijn zaak
is mij te buigen voor de Schrift. Want men moet zich neigen, ofwel
naar de ene ofwel naar de andere kant. Enerzijds is daar de
soevereine Schrift, bovennatuurlijk. Anderzijds zijn er de
“vanzelfsprekende dingen”, de “ervaringen”, de
“ontdekkingen” en nog andere imponerende meningen waarover wij
het net hadden. Ik zal het, zonder dat ik het eigenlijk zelf wil,
toch over die “ervaringen” moeten hebben, van welke op zijn
minst gezegd kan worden dat zij verdacht aandoen, daargelaten de
ernst van het feit dat zij zich voordoen buiten de tijd door God
bepaald.
13. Tegenspraak
Onlangs
beluisterde ik een lied in talen waarvan de uitleg twintigmaal
langer duurde dan de zeldzame en langzaam uitgebrachte woorden van
het lied. Niemand keek er verwonderd bij op. Allen slikten de kameel
door, alhoewel van deze gemeente bekend was dat ze aan
muggenzifterij deed. En wat moet er gedacht worden over het laatste
spreken in talen dat ik pas enkele weken geleden hoorde? Daarin werd
de uitdrukking “spiriti santi” (Italiaans: “Heilige Geesten”
in het meervoud !!) minstens driemaal gearticuleerd zonder dat het
equivalent in de uitlegging voorkwam. De kringen waar deze
buitensporigheden bedreven worden zijn nochtans sober en gematigd.
Dergelijke feiten schenen de bezadigdheid van de hoorders helemaal
niet te verstoren. Toen ik om uitleg verzocht, kreeg ik aanvankelijk
ontwijkende reacties. Naar meerderen bekend hebben, blijkt hun
spreken in talen noch begrepen te worden door de spreker zelf, noch
door hen die het horen, noch door hem die het uitlegt. Het zou
volgens hen gaan om een extatische uitleg, of liever een begrijpen
met het hart ...
- Het ging om een extatische uitlegging, volgens sommigen, waarbij
het hart meer aan bod kwam dan dat er van een werkelijke vertaling
sprake kon zijn. In dat geval kon je er dus van alles van maken!
- Anderen meenden dat er best meerdere en zelfs verschillende
uitleggingen van een enkel spreken in talen konden voorkomen.
Net alsof - zo dacht ik - er op het zaaien van tarwe een maïsoogst
zou volgen, of een oogst van haver, rogge of gerst, de tarwe
daargelaten. En zou de boer zich daarbij geen vragen stellen? Willen
ze mij nu echt wijs maken dat bij de kat het wijfje tegelijkertijd
jonge katten, honden, vossen en kippen zal werpen zonder dat ik mij
daaraan erger? En dan zou niemand geërgerd moeten worden als men
ons geloof wil doen hechten aan de stelling als zou één spreken in
talen aanleiding kunnen geven tot meerdere en onderling afwijkende
vormen van uitlegging? Hebben we misschien te maken met een
evolutieleer, een soort evangelisch darwinisme? Zouden we zoiets
moeten slikken zonder van bedrog te spreken?
Nog een ander heeft me schriftelijk van antwoord gediend. Hij vond
er helemaal geen aanstoot in dat een uitlegging twee of zelfs
twintig keer langer was dan het oorspronkelijk spreken. Volgens zijn
zeggen zou de uitlegging geen vertaling zijn van wat door een mens
gezegd was, maar het antwoord van God op dat spreken!!! Ik was als
met stomheid geslagen. Al zou er in de hele wereld geen stem opgaan
om daartegen te protesteren, dan deed ik het nog! Neen, nogmaals
neen. Zo mag de Schrift niet gemanipuleerd worden! Trouwens, zij
laat zich niet zo maar manipuleren. Zij eist met klem een vertaling
door te zeggen tot hem die in de Gemeente van Korinthe in talen
sprak: “Hoe zal hij die de plaats van de onkundige inneemt, amen
zeggen op uw dankzegging? Hij weet immers niet wat u zegt?” (1
Korinthe 14 : 16) Er werd dus de eis gesteld dat men
verstaanbaar moest maken wat in talen gesproken was, opdat de
anderen er hun “Amen” op konden zeggen. En hoe kon men te weten
komen wat er gezegd was, zo niet door de uitlegging? (vers
18) En deze was niets anders dan de vertaling van wat er in
een taal tot God gezegd was in de Geest. Alleen zij die, tot hun
eigen oordeel, de zin van de Schrift verdraaien zullen het
omgekeerde durven beweren. (2 Petrus 3 : 16)
Daar ga ik niet toe over
Ik zou
vele soortgelijke ongelukkige “ervaringen” waarop het etiket van
de Heilige Geest geplakt werd naar voren kunnen brengen. In feite
dragen zij alle het kenmerk van verbeelding, opportunisme,
eigenliefde waarbij sommige zelfs danig naar zwavel ruiken. Ik zou
op deze manier nog heel wat kunnen vertellen. Maar ik ga er niet toe
over deze onvermakelijke, droevige, maar helaas authentieke verhalen
te berde te brengen. Er zouden er wel ergens kunnen zijn die juist
daarop belust zijn en zich er aan te goed zouden doen. Schande over
de apostelen van Christus te laten komen om het verraad van Judas en
de verloochening van Petrus ligt me niet. Men komt niet tot een
recht oordeel over een zaak door alleen te luisteren naar hen die
haar verdedigen.
Ik werd er opmerkzaam op gemaakt dat de pinksterkringen een trieste
immoraliteit kennen, bijna even erg als in het katholicisme, maar
dan om andere redenen. Dat spruit veelal voort uit hun hypergevoelsmatige
benadering van het geestelijk leven, door de wil ondergeschikt te
maken aan onbekende psychische krachten; met als oorzaak hun
buitengewoon belust zijn op succes. Men vertelt mij niets nieuws
door te zeggen dat zij dikwijls tegenover andere evangelische
kringen trouweloos handelen. Dat zij gaarne in troebel water vissen
en dat zij het niet nauw nemen met de zuivere waarheid in woord en
geschrift. Het is mij er evenwel niet om te doen om al hun gebreken
aan de kaak te stellen, te meer daar de andere evangelische kringen
ook niet steeds te loven zijn wat dat betreft. Maar laten we er een
les uit trekken. Het oranje licht gaat branden voor hen die de
Bijbel opzij schuiven terwijl ze erbij zweren.
Drieledig gevaar
We
kunnen drieërlei gevaar bij het huidige spreken in talen
onderscheiden. Daarbij moeten wij, om alles nauwkeurig te overdenken
en om de ernst ervan te vatten, goed voor ogen houden dat de Heilige
Geest deze genadegave weggenomen heeft om de redenen waarover wij nu
zo lang hebben uitgeweid.
Eerste gevaar: Het verstand is er niet bij werkzaam zegt
Paulus ons. (1 Korinthe 14 : 14) Het is buiten
werking gesteld. De Heilige Geest wordt geacht alles te leiden. De
Psalmist zei: “Ik draag mijn gedicht een koning voor...” Waar de
Heilige Geest de dichter opvolgt, dicht men niet meer. Men laat het
over zich komen. Men gooit alles los en komt terecht op een terrein
van laissez-faire, een heel geriefelijk oorkussen van luiheid.
Tweede gevaar: Het diploma van een zekere superioriteit
waarmee men alle kanten op kan. Voor heel wat christenen betekent
het in talen spreken het verwerven van de bevestiging in opperste
rang, zoiets als het verkrijgen van de maarschalksstaf. De rest
zijn maar tweedeklassers of heel gewone korporaals. Het komt zelfs
voor dat wie het spreken in talen niet heeft verwerkelijkt, niet als
christen wordt beschouwd.
Derde gevaar: Het zichzelf oordelen en het zelfonderzoek in
het licht van Gods Woord wordt door het spreken in talen vervangen.
Wanneer de zonde weer een plaats krijgt in het leven van een
christen moet hij zichzelf onderzoeken. (1 Korinthe
11 : 28, 31) Welnu, met het spreken in talen als criterium is
de zaak vlug bekeken. Iedereen kan het spreken in talen telkens
opnieuw proberen en als het lukt - en dat zal vast het geval zijn
omdat de Heilige Geest, zelfs als Hij bedroefd is, zich daar niet
mee bemoeit - kan hij gerust zijn en besluiten: omdat de Geest
verder aanzet tot spreken en zich van mij op bovennatuurlijke wijze
blijft bedienen drukt Hij daarmee zijn goedkeuring uit, of beter
geformuleerd, Hij keurt mij niet af. In ieder geval niet in die
mate dat Hij mij zijn woorden niet meer in de mond legt. Dwaze
conclusie die als grond ter beoordeling niet meer aanneemt wat door
Gods Woord veroordeeld wordt, maar wat door het spreken in talen
aanzien verkrijgt. “Gelukkig hij die zichzelf niet oordeelt in wat
hij voor goed houdt”. (Romeinen 14 : 22) Aan
dit gevaar blootgesteld hebben vele van onze broeders uit de
charismatische beweging niet kunnen standhouden. Op basis daarvan
wordt het hen onmogelijk een roomse priester en zijn dwaalleer die
hij belijdt, vanaf het ogenblik dat hij in talen spreekt, af te
keuren. Want wanneer deze geestelijke, of hij nu jezuiet,
Maria-aanbidder, klerikaal is, of wat ook zij, in talen spreekt,
houdt dit in dat Gods Geest hem evengoed als ieder evangelisch
gelovige aanneemt. Wreed dilemma en armzalige gevolgtrekking die
regelrecht tot het prijsgeven van alle leerstellige vastheden leidt.
14. De koperen slang
Op
Gods bevel had Mozes een koperen slang gemaakt. Dit middel had
duizenden personen het leven gered. (Numeri 21 : 9)
De slang was een gave van God, een kracht van God tot heil van allen
die zijn Woord aannamen. De Here Jezus riep de herinnering daaraan
op in zijn onderhoud met Nicodémus. Hij maakte hem daarbij
opmerkzaam op een treffende parallel tussen zijn eigen persoon, en
werk en de slang: “En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft
verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.” (Johannes
3 : 14) Eeuwenlang hebben de Israëlieten deze koperen slang
godvruchtig bewaard. En kijk, wat lezen we nu in 2 Koningen 18 : 4?
Wat doet de vrome koning Hizkia er mee? “Hij verwijderde de
offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen en hieuw de gewijde
palen om; ook sloeg hij de koperen slang stuk die Mozes gemaakt had,
omdat tot op die tijd de Israëlieten daaraan plachten te
offeren”. De slang was voor hen een aanleiding tot vallen
geworden, ofschoon het de authentieke slang was. Geen kopie, geen
namaakslang, neen, de echte. Het oorspronkelijke gebruik, te weten
het kijken naar het koperen ding, was in de loop der tijden zelfs
rijk versierd geworden. Er werd reukwerk aan geofferd dat alleen de
Here toekwam. Onder het mom van gehechtheid aan de Here werd er
afgodendienst mee bedreven en werd de ware God niet meer gediend.
Men kan er zeker van zijn dat wie dat verouderd en schuldig gebruik
van de slang heeft aangeklaagd niet met algemene instemming werd
begroet. De voorstanders van de koperen slang konden steunen op
historische gegevens, Bijbelse aanwijzingen en zonder twijfel ook
experimentele bewijzen. Zij konden er op wijzen dat de God die
opdracht gaf tot het maken van de slang niet veranderd was. Dat Hij
gisteren, heden en eeuwig Dezelfde blijft, dat wat er mee beleefd
was in de woestijn het voorwerp van hedendaagse ervaringen kan
uitmaken; dat Gods arm niet verkort is en men zou speciaal nog
hebben kunnen zeggen dat er geen woord geschreven staat in verband
met het einde van haar werking, van haar gebruik en haar nut.
In feite waren de religieuze activiteiten, die de slang als centrum
hadden, een gruwel voor God. Voor heel wat mensen is het spreken in
talen ook een reliek geworden, waarvoor zij het opnemen, dat ze in
hun hart dragen. Het is voor hen een afgod waaraan zij veel zorg
wijden, waarover zij veel spreken en waaraan zij uitermate toegewijd
zijn. Omdat God het charisma gegeven heeft … ja zeker, maar zo gaf
Hij ook de koperen slang ... om een zeer precieze zaak, voor een
bepaalde tijd. Als eenmaal die tijd verstreken is, is het verouderd.
Het gaat ermee als met goederen of medicijnen met een
geldigheidsduur. Na de vervaldatum kunnen zij zelfs gevaarlijk
worden. De genezing kan overgaan in infectie. Precies wat er
gebeurde met de koperen slang. Hun geestelijk leven werd ermee
besmet. Geloof maar gerust dat voor velen het wegnemen en vernielen
van de slang het in elkaar zakken van hun godsdienstig leven
betekende, omdat zij niets tastbaars meer hadden om zich aan vast te
klampen. Ik heb begrepen hoe het mogelijk was dat sommigen als met
een soort van hartstocht gehecht waren aan het spreken in talen.
Omdat hun geestelijk leven zo schraal is blijft hen niets meer over
als ze dat moeten missen. Hun innerlijk leven, dat bijna uitsluitend
gefundeerd is op die uiterlijke manifestatie, stort dan in. Zonder
dat zijn ze helemaal de kluts kwijt. Zonder spreken in talen
gelijken zij op verslaafden aan verdovende middelen die hun dosis
missen: in een onverdraaglijke toestand van “gebrek”.
Onoprechtheid
Zulke
mensen heb ik ook ontmoet. Een voorganger, extremist wat deze
gedachte betreft, trachtte mij ervan te overtuigen dat allen moeten
komen tot het spreken in talen. Zijn koperen slang was voor allen en
voor alle tijden bestemd. Ik opende mijn Bijbel en vroeg hem samen
met mij hoofdstuk twaalf uit de eerste brief aan de Korinthiërs te
lezen, de verzen 29 en 30: Zijn zij soms allen apostelen?
“Natuurlijk niet,” antwoordde hij. Zijn zij allen profeten?
“Neen”. Zijn zij allen leraars? “Neen”. Bij het volgende
vers weigerde hij te antwoorden of verder te lezen. Hij wist waar
die tekst hem heen zou brengen. Namelijk: Spreken zij allen in
talen? Het antwoord kon niet anders zijn dan NEEN. Tot driemaal toe
probeerde ik met hem de tekst te benaderen. Drie keer weigerde hij
de uiterste consequentie in te zien. Hij is boos weggelopen. Vanaf
die dag ben ik voor hem persona non grata. Als je heilige huisjes
neerhaalt - zoals Gideon - moet je niet verwonderd zijn met hevige
reacties te doen te krijgen en vrienden te verliezen.
Extase
Nu wij
zo ver gekomen zijn is het verantwoord zekere praktijken of
ervaringen, die in het leven van enkelingen een onbewuste valse
toepassing van de Schrift zijn, van hun mysterieuze aspect te
ontdoen. Ik laat hier het getuigenis van ouders omtrent hun jonge
zoon, een oprecht christen, volgen. Iedere keer dat hij uit zijn
kamer kwam, waar hij tot God genaderd was in het spreken in talen,
kon je aan hem zien dat er iets met hem gaande was geweest. Hij leek
zoiets als op Mozes, wiens gezicht straalde nadat hij op de berg met
God had gesproken. Onweersprekelijk en overtuigend, nietwaar? Het
heeft er althans de schijn van. Maar om daartoe te komen, moet men
geen rekening houden met alles wat wij gezegd hebben omtrent het
doel van het spreken in talen. Wij moeten negeren dat het geen teken
voor gelovigen was, dat de gave niet aan allen geschonken was en
daarenboven staat er nergens geschreven dat de gave thuis moet
uitgeoefend worden, temeer waar de bepaalde tijd van toepasbaarheid
voorbij is.
Dat betekent dat de Schrift om minstens drie redenen met de voeten
getreden wordt, zonder rekening te houden met zoveel andere redenen
die we nu niet kunnen aanstippen, anders moest ik alles herhalen wat
ik reeds geschreven heb. Zij, die zich met een dergelijk vertoon
opsmukken vatten niet dat de Schrift te buiten gegaan wordt, dat ze
in de reinste subjectivisme terecht gekomen zijn. Oosterse
godsdiensten zijn daar even rijk aan, zo niet meer. Zij die het
voorrecht hadden het boek “Combats” (“strijd”) te lezen van
Pater Chiniquy, een Canadees priester die zich bekeerde na vijftig
jaar in de Roomse kerk geleefd te hebben, zouden er goed aan doen
zijn getuigenis te herlezen. Hij vertelt daar onder andere in hoe
hij als priester de heerlijkste, verhevenste ogenblikken kende
wanneer hij in aanbidding voor de hostie was. Hij voelde zich los
van de aarde, totaal veranderd. Na zijn bekering noemde hij deze
verheven toestand een effect van de transsubstantieleer, een gruwel.
En nochtans, wat een zielsverheffing, wat een verrukking, wat een
getuigenis!
Bedrieglijke verrukking
Ik
bewaar een diepe herinnering aan de eerste dagen van mijn bekering,
ergens in een gemengd kamp in Frankrijk. Samen met een jonge broeder
onttrokken wij ons aan de kampregels gedurende een namiddag, onder
het eerlijk voorwendsel in de nabij zijnde stad het evangelie te
prediken. In de naam van Jezus Christus beleefden wij een
onschuldige, maar heerlijke ontsnapping. Wij hadden de indruk iets
groots gedaan te hebben. Op de terugweg zagen wij er stralend uit,
uitgelaten blij. Onze tred was licht, alsof wij gedragen werden
door engelenhanden. Ons geluk was onze rechtvaardiging. De
kampdirecteur, een christen met ervaring, begreep er geen sikkepit
van. Maar onze opwinding was niet van lange duur. Eén ding weet ik
nu: het heeft niet lang geduurd eer ik in plaats van er het etiket
van extase, openbaring of geestelijkheid op te plakken het als
zelfsuggestie erkende. Het blijft nog altijd van kracht dat God
gehoorzaamheid verkiest boven offerande (1 Samuël 15
: 22) en dat de geesten van de profeten onderworpen zijn aan
de profeten. (1 Korinthe 14 : 32) Verhevenheid
van ziel boezemt mij helemaal geen vertrouwen in als het de koperen
slang - zelfs de Bijbelse - is van wie de ingeving uitgaat. Sinds
wanneer is religieuze intensiteit of emotionaliteit een teken van
waarachtigheid of geestelijke gezindheid?
In Ezechiël 8 : 14 lezen wij over vrouwen bij de tempeldeur te
Jeruzalem die uit devotie tot tranen toe bewogen werden. Maar zij
kwamen tot die toestand van extase onder invloed van de gruwelijke
afgod Tammuz. Het staat buiten twijfel dat die vrouwen het als een
weldaad ondervonden, dat het voor hen als een geestelijke bevrijding
overkwam. Dat neemt niet weg dat het voor God iets afschuwelijks
was. Onze tijd wordt ook gekenmerkt door heel wat uitingen van
psychische aard, die in de plaats komen te staan van het eenvoudige
geloof en het zuivere Woord, waarom wij moeten instemmen met de oude
profeet: “Tot de Wet en tot de Getuigenis”. (Jesaja
8 : 20) Ik geef toe dat er sprake kan zijn van een zekere
uitgelatenheid in de Heilige Geest. Bepaalde uitingen van volheid
zijn mij niet vreemd. Persoonlijk heb ik dergelijke ogenblikken
gekend en ik ontken ze ook niet. Maar ik heb alle dingen geoordeeld
en het goede behouden. De rest heb ik afgezworen. Dat heeft mij pijn
gedaan, des te meer waar ik, evenals de apostel Petrus, mijzelf een
vrucht achtte van Pinksteren. Maar waar bevond ik mij nu? Ging ik
bergaf of bergop? Als ik op de helling stond, ging ik snel naar
omlaag, als ik bergopwaarts ging, ging ik nog met pasjes achteruit.
Vernederende overgave
Ja,
het doet pijn te bemerken dat datgene wat men geloofd heeft,
waarvoor men gestreden heeft, waaraan men zich heeft vastgeklampt,
aan het wegzinken is en je meesleurt naar de diepte. Wat eigenlijk
nog erger was, was te moeten toegeven dat de anderen gelijk hadden.
In de grond van de zaak was het mijn “ik” dat een flinke knauw
kreeg. Als je jaren in de mening verkeerd hebt wat méér te
bezitten dan de anderen, heb je een aangenaam gevoel van
superioriteit. Maar wanneer je dan moet vaststellen dat zij, waarop
je uit de hoogte neerkeek, heel wat beter op de hoogte zijn en veel
steviger in het zadel zitten, doet dat geweldig zeer. Dat zou je met
roskammen kunnen vergelijken. Ik heb begrepen waarom kittelachtige
paarden niet houden van dat roskammen en daarbij dikwijls met de
poten achteruitslaan. Ik meende ook een goed stel trappen naar
achteren in reserve te hebben. Ongelukkig voor mij kon ik de
Bijbelteksten waarover ik vroeger zo vlug heengelezen had nu met
geen mogelijkheid van me afschudden. Wat de zaak nog droeviger
maakte was het feit dat ik van de kant van mijn geloofsgenoten, aan
wie ik om bijstand vroeg, geen enkele steun op theologische gronden
voor hun systeem kon verkrijgen. Alles draaide om ervaringen,
waarbij ontelbare negatieve belevingen, die grensden aan lastering
en bedrog, verzwegen werden.
Bij de anderen
Wanneer
ik dan voorzichtig over de opgemerkte buitensporigheden opmerkingen
maakte kreeg ik steeds tot antwoord dat dat alleen bij de anderen
voorkwam. Daaronder zijn te verstaan andere groepen, andere
pinkstergemeenten, maar nooit bij hén. Bij die aan de andere kant
van de stad of in de straat aan de overkant. Voor de Zweedse kring
was bij de Zigeuners alles verdraaid. Voor de “Assemblée de Dieu”
rook de charismatische beweging naar zwavel, of de Brahamisten, de
Four-Square, het Volle Evangelie, de Holy Rollers, het Réveil,
enzovoorts. Alhoewel al deze groepen spruiten uit dezelfde
geestelijke familie beweerden ze allen alleen de waarheid te bezitten.
En toch weer niet allemaal, want onder hen kwamen mensen voor die
hun onrust niet konden verbergen om het feit dat spiritisten zich
best thuis voelden in hun kerk, terwijl zij in het algemeen de
andere kerken ontvluchtten. Als men weet dat het fenomeen van het
spreken in talen bij de spiritisten niet onbekend is, is er
werkelijk reden tot ongerustheid. Spiritist of niet, ook dat heeft
te maken met ervaring.
Na het bezoek dat de Dalaï-Lama onlangs aan Frankrijk bracht
rapporteerden de kranten als volgt: “Zijne Heiligheid herinnert
zich nog hoe hij als kind een wonderlijke eigenschap bezat. Zonder
dat iemand hem dat geleerd had en terwijl hij in een provincie ver
van de hoofdstad woonde, sprak hij toch het dialect van Lhassa
…”. Dit spreken in een andere taal was echt, controleerbaar en
hedendaags. Het zal in niemand opkomen de authenticiteit daarvan te
betwisten. Maar door welke geest spreekt de Dalaï-Lama authentiek
in talen? Ik laat mijn lezers daar zelf op antwoorden. Ik heb
persoonlijk de voorzitter van de Spiritistische kringen van
Frankrijk horen verklaren: “In onze kringen spreken wij in talen
en deze talen worden heden ten dage nog gesproken.” Wat hij daar
aan toevoegde deed mij huiveren: “.. dat is niet zoals in de
pinkstergemeenten.” Zo kon deze bekende Spiritist er prat op gaan
de authentieke gaven van spreken in talen te bezitten, een
authenticiteit waarop de pinksterbeweging zich slechts zeer zelden
kan beroepen.
Wat moeten we dan denken als deze zeldzame authenticiteit, gesmeed
door de vader van de leugen, daarenboven gestopt wordt in een even
evangelisch kleedje als de jonge bezeten vrouw uit Handelingen 16,
waar we al meer over gezegd hebben? Wat moeten we daarvan denken,
behalve dan dat de hel schuil gaat achter deze schijnorthodoxie? De
vijand weet knap de wissels te trekken. Sinds eeuwen heeft hij
getracht Gods volk op een dood spoor te brengen. Als groot expert in
verdoezelen en als grootmeester in het gebruik van kartonnen
theaterdecors bakent hij zijn weg af met verwrongen Bijbelteksten en
zogenaamde geestelijke ervaringen, om alles een schijn van echtheid
en actualiteit te geven.
In het kader van die dwaalsporen releveer ik deze, die zeer bepaald
de sluwheid illustreert van degene die zich voordoet als een
“engel des lichts”. (2 Korinthe 11 : 13-14)
Een bepaald tijdschrift, voorstander van “de ervaring”, schrijft
hoe een Franse predikant, die geen Hebreeuws kende, plotseling door
de Geest in die taal begon te spreken, wat door één van zijn
collega’s, die deze taal wél kende, verstaan werd. Wat juichten
de overigen deze Bijbelse rechtzinnigheid toe! Nu komt mijn
verwondering daarover niet voort uit het feit zelf, wat mij
ontegensprekelijk lijkt, evenals de wonderen van Lourdes of de
wonderbare evangelische woorden van de bezetene uit Handelingen 16.
Neen, mijn verbazing werd veroorzaakt door het daaropvolgende
commentaar dat ik hierbij aanhaal: “... het schijnt aan alle
vereiste waarborgen (van Bijbelse waarachtigheid) te voldoen”. Dat
heeft me des te meer ontsteld, omdat we hier te doen hebben met een
zeer opzichtige nabootsing die zeer gemakkelijk te ontsluieren valt.
Alles is zo grof aan elkaar geregen:
1.
Eerst en vooral dit: het teken werd opgemerkt door een gelovige die
allang overtuigd is van de universaliteit van het heil in Christus.
Het teken had hem dus niets meer te leren. Het was dus in strijd met
de Heilige Geest, die verklaart dat het een teken voor de óngelovigen
is. (1 Korinthe 14 : 22)
2. Het
spreken in talen, zoals het in het Nieuwe Testament werd onderwezen
en toegepast, werd allesbehalve in het Hebreeuws gedaan. De talen
die er in de Geest gesproken werden worden “vreemde” talen of
talen van de barbaren genoemd. (1 Korinthe 14 : 21) Welnu,
wie worden met vreemdelingen of barbaren bedoeld? Slechts één
antwoord is mogelijk: de niet-Joden. De talen worden er zonder
uitzondering,in tegenstelling met het Hebreeuws, vermeld.
Geen enkele heiden ondervond de noodzaak ervan te worden overtuigd
dat de Joden tot God konden naderen, omdat het heil uit de Joden
was. Het teken van het spreken in talen was juist bestemd voor de
Joden, opdat ze zouden vatten dat de heidenen ook toegang verkregen
tot de verlossing en nooit omgekeerd. Een heiden (of een Fransman)
in het Hebreeuws doen spreken betekent de Goddelijke orde omkeren,
zoals bijvoorbeeld het gezicht van Petrus door Cornelius laten zien.
Welnu, Cornelius, die zelf uit de mond van Petrus de weg tot het
heil vernam, had helemaal niet nodig te vernemen dat de Jood,
Petrus, net als hijzelf ook gered kon worden. Dat is monumentale
nonsens. Zouden wij ons inderdaad kunnen voorstellen dat er een
taalwonder in Franse dialecten nodig zou zijn om een Engelsman ervan
te overtuigen dat een Fransman de Franse nationaliteit kan krijgen?
Dat is nochtans de ongelooflijke platitude waar we mee te maken
hebben in voornoemd artikel: te weten dat dankzij het spreken in het
Hebreeuws het aan een Frans christen duidelijk werd dat de Joden,
evengoed als hij, toegang hebben tot hun God! Dank zij de naïviteit
van sommige commentatoren kan de vijand alles kapot maken. Zonder
enige moeite kan hij zijn doel bereiken, namelijk het zaaien van
verwarring temidden van het volk van God. Zo bereidt hij de weg voor
het grote Babel, waarvan de naam “verwarring” betekent.
Alleen waar echte bankbriefjes zijn maakt men valse. Een van mijn
beste vrienden is voorganger van een opwekkingskring (Église de
Reveil). Een man van wie ik de morele en geestelijke eigenschappen
hoog aansla. Net als vele anderen herhaalt hij, in relatie tot het
spreken in talen, dat als er geen echte bankbriefjes waren men zich
niet zou bezighouden met het fabriceren van valse. Hij geeft eerlijk
toe dat er heel wat namaak in omloop is, maar met dien verstande dat
de echte bij hém gemaakt worden. De Centrale Bank is “Made in
Reveil”. Daarbij geeft deze geliefde broeder er zich geen
rekenschap van dat hij in zijn gemeente over heel de lijn
beetgenomen wordt. Want de briefjes waarvan hij koppig volhoudt dat
hij ze produceert, zijn verouderd. Zijn briefjes hebben al eeuwen
geen koerswaarde meer en zijn niet meer in omloop. Hij beweert na te
bootsen wat er gebeurde in de eerste Gemeente, terwijl de namaak bij
lange na niet de toetsing verdraagt van het model van de Bijbel.
Oordeel liever zelf. Ten eerste: 95% van het spreken in talen
bestaat uit boodschappen aan mensen. Dat betekent dat 95 van de 100
niet echt zijn, omdat de Heilige Geest verklaart dat wie in tongen
spreekt niet tot mensen spreekt. (1 Korinthe 14 : 2)
Vervolgens: de overige vijf procent is gericht tot gelovigen, wat
totaal in strijd is met het onderwijs van de Heilige Geest. (1
Korinthe 14 : 22) Tenslotte ben ik, gewapend met een
bandrecorder, één van zijn gemeenteleden gaan opzoeken die naar
hij beweert een authentieke genadegave van uitlegging van talen
bezit en in wie hij een volledig vertrouwen heeft. Ik liet hem een
opname van een vroeger spreken in talen beluisteren en verzocht
hem er opnieuw de uitlegging van te geven. Wat prompt gebeurde.
Helaas was de tweede verklaring zo verschillend van de eerste (die
zorgvuldig bewaard was) als de Rhône en Rijn van elkaar
verschillen. De tegenstelling tussen beide verklaringen was even
opvallend.
Ik heb het onderzoek nog verder doorgedreven. Een Schotse broeder
had voor mij het Onze Vader in het dialect van zijn land op band
gezet. De uitlegging die hij er van gaf stemde in niets overeen met
het gebed des Heren. In feite was zijn matrijs zo grof dat geen
enkele vervalser die had willen hebben. Maar hij houdt van zijn
namaakbriefjes, omdat hij meent dat zij echt zijn. De echte tussen
valse. Je kunt dan een flauwe, maar droeve glimlach niet weerhouden.
Maar die treurige glimlach en zijn namaakzetwerk niet te na
gesproken draag ik hem een oprechte broederlijke vriendschap toe die
hij ook echt waard is. De Bijbel waarschuwt ons voor de verleiding
van het leven bij dingen die je kunt zien: wonderen, tekenen en
persoonlijke ervaringen. Zij die zich op die weg begeven zullen
straks ten prooi vallen aan de Antichrist, die zal komen met
allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen en met allerlei
verlokkende ongerechtigheid. (2 Thessalonicenzen 2
: 9, 10) Zijn satanische geest is nu reeds werkzaam en zijn
weg schijnt goed voorbereid te worden in de harten van hen die,
alhoewel zij zich beroepen op de naam van Christus, zichzelf bewegen
op een terrein dat uitermate geschikt is voor dé antichrist. Een
rijpe vrucht valt vanzelf van de boom. De ander, de tegenstander,
zal ze maar voor het oprapen en verzamelen hebben, zonder slag of
stoot.
15. Besluit
Dit
voorlaatste woord is voor de pinksterbroeder of die van de
charismatische beweging bestemd. U hebt tot hiertoe oprecht geloof
gehecht, wat dit specifieke onderdeel van de leer betreft, aan een
onderwijs dat u nu als verwrongen voorkomt. Het werd overschat en is
zo verouderd als de koperen slang ten tijde van de koningen van
Israël. Wat het Boek der boeken ons leert zou u moeten volstaan.
Maar de kring waarin u een plaats hebt houdt u - ondanks uzelf -
vast, mede door de invloed die wordt uitgeoefend door ervaringen die
men goeddeels-kwaaddeels (of beter: meer kwaaddeels dan goeddeels)
voor Bijbels laat doorgaan. Indien er nog enige twijfel overblijft,
zij het ook maar één procent, omtrent het onderwerp dat ons nu
bezighield naar de maat van uw geloof, ben ik zo vrij u bij u op uw
geliefd terrein te voegen, het gebied van de ervaringen. Maar wees
eerlijk ten opzichte van uzelf en van God. Stel uzelf op de proef
voor eigen rekening. Doe het zonder knoeien. Op het ogenblik dat u
weer in extase komt of in een taal gaat spreken durf dan uw
cassetterecorder aan te zetten en neem op band op wat u tot God
zegt. U bent er zeker van dat uw gave nog altijd werkzaam is en dat
de uwe in het bijzonder authentiek is? Dat is uw volste recht. Maar
dan moet u evengoed aanvaarden dat de gave van uitlegging van uw
broeders even waarachtig is als de uwe. Ga dan met uw opname naar
meerdere van uw broeders of zusters die u kent als geestelijke
mensen en waarin u volledig vertrouwen hebt. Verzoek hen -
afzonderlijk - uw spreken in een taal uit te leggen. En als u de
moed er toe hebt, beluister dan elk van de uitleggingen en vergelijk
ze. Die zouden, op enkele woorden of zinswendingen na, dezelfde
inhoud moeten hebben. Dan pas zult u mij kunnen zeggen of ik
overdrijf als ik het over “namaak” heb.
Ik weet wat er nu bij het lezen van deze dingen in u omgaat. U bent
zenuwachtig. U bent bang. Angst om de waarheid onder ogen te zien
overmeestert u. Nu al probeert u daaraan te ontkomen. Zo’n
“test” wilt u nooit of te nimmer afnemen. Om eraan te ontsnappen
hebt u diep in uw hart al een reden tot afwijzing gevonden. Die zal
echter alleen voor uzelf bewijskracht hebben. U zegt: Een dergelijke
gave des Geestes te onderwerpen aan een elektronische proef is
heiligschennis. Daartoe laat ik mij nooit brengen. Bent u er zeker
van dat het wel de échte reden is die u daarvan weerhoudt? Immers
bij andere gelegenheden aarzelt u niet uw prediking of boodschap op
band te zetten, ze te beluisteren of te laten beluisteren, te laten
waarderen of te beoordelen door andere personen. Of is het misschien
de vrees de waarheid omtrent uzelf eindelijk te ontdekken die u doet
aarzelen? Toch hebt u hier een middel om de geesten te beproeven
binnen uw bereik. Daarenboven is de wetenschap en de elektronica een
exacte discipline. Zij is onpartijdig. In elk geval kunt u er niet
door worden bedrogen, noch bedriegt zij zichzelf. Of u verkiest
misleid te worden en te blijven. U neemt me kwalijk wat ik u zeg? Ik
begrijp dat wel. U verwijt mij dat ik u een onfeilbaar controlemiddel
aan de hand gedaan heb. Voortaan kunt u niet langer meer vertellen:
“Niemand verstaat het”. Het is gedaan met verstoppertje spelen.
U staat in uw hemd. U bent uitgeteld. Ik heb het begrepen. Het heeft
mij tijd gekost, maar ik heb het door. Maar mogelijk blijft u liever
onwetend zoals de vrome man, die, toen hij vernam dat de
kalenderheilige die hij dikwijls aanriep niet bestond, zei: of ze
bestaat of niet gaat mij niet aan; ik blijf tot haar bidden en
daarmee basta. Daarin wordt de hardnekkigheid van het menselijk hart
geopenbaard. Ik houd aan mijn koperen slang vast. Nou, ‘t is toch
God Zelf die haar gegeven heeft ... enzovoorts. Vooruit dan maar!
Het middel
Meerderen
die deze gave niet bezaten en er jarenlang met hart en ziel naar
verlangden hebben mij hun wanhoop kenbaar gemaakt. Hun leven lang
kenden ze onrust en onzekerheid betreffende hun heil. Er werd immers
gesuggereerd dat de zekerheid van de verlossing verkregen werd door
het spreken in talen. Bleven zij zich desalniettemin ware gelovigen
noemen, dan gaf men hen de indruk mee dat ze randchristenen waren
die niet ten volle bij het volk van God gerekend konden worden. Tot
al degenen die gekweld worden door twijfel wil ik zeggen dat zij
moeten ophouden met zichzelf te folteren en dat zij in het geloof
aangrijpen dat elk kind van God “in Hem voleindigd is” (Kolossenzen
2 : 10) in de Christus Gods die al evenmin als zij de gave
van het spreken in talen had en die nochtans DE ZOON VAN GOD is.
Weer anderen zijn naar mij toegekomen om hulp. Zij bekenden totaal
in de war te zijn geraakt, want de uitoefening van deze gave was
voor hen slechts schijn, want in werkelijkheid waren zij het
voorwerp van een gigantisch geestelijk en moreel bankroet. Hun
spreken in talen compenseerde een leven vol mislukkingen. Zij bleven
heel oppervlakkig en wilden de indruk geven van veel diepgang. Zij
hadden de uitoefening van die gaven nodig om in eigen ogen en ten
opzichte van de anderen een zeker aanzien te verkrijgen. Zij die
deze praktijk vooral toegepast hadden waren mensen met een pijnlijke
onstandvastigheid. Zij leden daaraan in hun binnenste, zonder zich
daarover te durven uitlaten en zonder er zelf de oorzaken van te
vermoeden. Om niet hun gezicht te verliezen moesten zij zich steeds
meer inspannen om vol te houden op de ingeslagen weg en om zichzelf
gerust te stellen. Zij waren met hun ervaringsprobleem in een
vicieuze cirkel terechtgekomen. Het drijfzand van hun psychische
belevingen - om het niet sterker uit te drukken - deed hen een leven
kennen met hoogte- en dieptepunten, met niet te voorziene
veranderingen in hun humeur; nu eens uitgelaten blij, dan weer tot
tranen toe bedroefd. Hun levensdiagram bestond hoofdzakelijk uit
pieken; gelukkig ‘s morgens en terneergedrukt ‘s avonds; de
vorige maand bewierookten zij hun dienstknecht in het werk des
Heren, de maand daarop verguisden zij hem, terwijl zij van
plaatselijke gemeente veranderden zoals wij van overhemd veranderen.
Om uit zo’n situatie te geraken is de volgende weg te volgen:
zichzelf op de proef stellen om te zien of men in het geloof aan de
Heer Jezus is. Vervolgens dient er gehandeld te worden naar het
voorbeeld van de vrome koning Hizkia, die de koperen slang, die
Mozes gemaakt had, in stukkensloeg. Dat wil zeggen, de verkeerde
leer, zelfs onder Bijbels mom beoefend, en de nasleep ervan oprecht
belijden. Tenslotte al het verkeerde totaal afzweren en pleiten op
het bloed van Jezus Christus dat ons rein maakt van alle zonde. (1
Johannes 1 : 7-9) Israël ontving vergeving toen de afgod was
verwijderd. God zal ook uw dwaling vergeven. In het geloof moet u
dan de volle vergeving van God aangrijpen en de volledige bevrijding
van die psychische overmeestering die u in zijn greep hield en
waardoor u, ondanks al uw inspanningen, wankelmoedig werd gemaakt.
Aan Jezus’ voeten vond de geschokte Legioen, de schreeuwende man,
die in zijn gevoelsleven ups en downs kende, om zich echter telkens
weer in de diepte te bevinden, vrede, rust, verstand en de kracht om
een goed samenhangend getuigenis te geven aan die hem omringden. (Markus
5 : 5) Mijn vurige gebed is dat het lezen van deze regels u
mag doen buigen voor Hem die alle banden losmaakt, ook die welke
gesmeed zijn door een ijver voor de Bijbel, maar zonder verstand. (Romeinen
10 : 12)
Eindconclusie
De
laatste paragraaf is voor u bestemd, mijn broeder die niet tot de
pinksterbeweging behoort. Het lezen van dit boek valt u gemakkelijk.
Het geeft u gelijk. De weg die ik geestelijk afgelegd heb heeft mij
bij u gebracht. Misschien had u verwacht dat ik nog verder zou
gegaan zijn, tot het uiterste. U had van mij willen horen dat het
spreken in talen, antibijbels en buitenbijbels als het is, slechts
duivels van oorsprong kan zijn. Dat heb ik niet gezegd, want -
eerlijk - ik mag niet verder gaan dan te spreken van wat ik als
waarachtig of onwaarachtig heb onderscheiden. Wel erken ik dat de
vader der leugen er achter zit. Sommigen beweren dat zij de geesten
die hen - die in talen spreken - bezielen naar het Schriftwoord (1
Johannes 4 : 1-3) hebben beproefd en vaststelden dat het
demonen waren. Dat stadium heb ik niet bereikt. Ik heb slechts de
gave gekregen de geesten te onderzoeken door de Schriften. Het
gebruik van de elektronica heeft dit onderzoek bevestigd en openhaar
gemaakt dat het huidige spreken in talen onder leiding staat van een
geest van dwaling. Die geest is buiten alle twijfel niet de Heilige
Geest.
Misschien oppert u dat “geest van satan” en “geest van
dwaling” identiek zijn. Als u er op staat, verwijs ik u liever
naar de geschriften van Dr. Gerald E. MacGraw, die naar mijn gevoel
een verlengstuk zijn van wat ik schreef. Ik laat enkele korte
uittreksels uit zijn belangrijke artikel “Tongues should be tested”
(In Duitse vertaling gepubliceerd in “Bibel und Gebet”, oktober
1974) volgen: ... na een korte bidstond verzoeken wij de
persoon in kwestie in talen te spreken. Daarna stelt hij - die de
leiding over de groep heeft - vragen, niet aan de persoon zelf, maar
aan de geest die de talen ingeeft ... Het merendeel van hen had de
gave van de talen beoefend gedurende een periode van persoonlijke
bezinning. Velen twijfelden aan de echtheid van de gave, maar vele
anderen waren er zeker van dat de proef waaraan zij zich
onderwierpen de Goddelijke oorsprong ervan zou bevestigen. De
pijnlijke vaststelling was dat meer dan 90% moest toegeven dat de
oorsprong van hun gave van talen demonisch was.
Er zijn heel wat aanhangers van pinkstergemeenten en van de
charismatische beweging die toegeven dat demonische talen inderdaad
bestaan. Maar wat hún gave aangaat beweren zij in het bezit te zijn
van de echte. Een jong meisje vroeg haar gave te beproeven omdat zij
aanvoelde dat slechte invloeden op haar leven inwerkten. Zij was
ervan overtuigd dat haar gave van Goddelijke oorsprong was. Een dame
uit haar kerk die de gave van onderscheiding had, had haar de verzekering
gegeven dat haar spreken in talen van de Heilige Geest kwam. Toen
wij samenkwamen om voor de bevrijding van deze zuster te bidden zei
de geest ons dat hij de Here Jezus Christus haatte. Bij het
ondervragen gaf de demon toe dat hij de bron was van haar gave van
spreken in talen... Christenen met veel kennis kunnen bezeten zijn
door een demon die in talen spreekt... Het is gebeurd dat
zendelingen tijdens hun verlof hoorden spreken in talen, waarbij in
de landstaal van hun zendingsveld werd gelasterd... Iemand vroeg om
een onderhoud. Het ging om een opmerkelijk begaafde, evenwichtige
christin op wie men steeds kon rekenen, een zielenwinnares... Ik kon
me niet voorstellen dat zo’n christin een demon in betrekking tot
de talen in zich zou dragen... Weldra drukte zij in talen sprekend
allerlei wrok en haat tegenover Christus, ten aanzien van zichzelf
en ons uit. Zij was ontegensprekelijk in het bezit van een duivelse
gave van talen.
Anderen ... zijn diep, ernstig en geestelijk. Hun leven geeft blijk
van een ware bekering, van honger naar geestelijke groei ... Ik
geloof niet dat de duivel door het spreken in talen iemand kan
scheiden van Christus... Alleen na opgedane ervaringen en na deze
onder de loep genomen te hebben komen we, wat dat punt betreft, tot
de conclusie dat heel veel enthousiaste mensen die menen in talen te
spreken, zichzelf wat wijs maken.
Ik laat de verantwoordelijkheid voor de conclusies bij Dr. MacGraw,
maar ik spreek ze niet tegen. Anderen, in Europa, zijn tot dezelfde
resultaten gekomen. Tot dat terrein van navorsing ben ik nog niet
doorgedrongen. Ik kan niet ontkennen en niet bevestigen dat het
spreken in talen, naar hij zegt, voor 90% van duivelse oorsprong is.
Wat ik wel durf te beweren daarentegen, met de Bijbel in de hand, is
dat het 100% verkeerd is.
Tweegevecht
Nu éven
onder ons tweeën, mijn broeder. Met zijn tweeën gaan we de degens
kruisen. U zou me willen terugdringen in mijn laatste verschansingen
om me te doen zeggen waar ik helemaal geen zin in heb. U zou me daar
willen toe verplichten in een drietal onweerstaanbare steken:
1.
Omdat het niet van God is, is het van de duivel.
2. U
wilt de uitspraak in Jakobus 3 : 11 betreffende het gebruik van de
tong de doorslag laten geven: “De bron laat toch niet uit
dezelfde opening het zoete en het bittere opwellen?”
3.
Logisch redenerend komt u tot de enig mogelijke conclusie: zij die
door satan spreken, kunnen niet van Christus zijn; Christus en
Belial kunnen niet samenwonen in eenzelfde leven. (2
Korinthe 6 : 15)
Richting: eeuwige verdoemenis!
Even geduld! U loopt geweldig de kans met dergelijke redeneringen
terecht te komen op de bank van de beschuldigden. Immers, u zingt de
lofzang van dezelfde Heer die u gered heeft van een zo groot verderf
door zo’n grote offerande. En diezelfde lippen die zich in de
eredienst als een bron van zoet water openen, dienen daarbuiten als
een bron van bitter water om kwaad te spreken van uw naaste, van uw
collega, of van het werk dat God hem heeft toevertrouwd. U zegt dat
het de duivel is die in talen spreekt bij monde van uw
pinksterbroeder? Misschien hebt u gelijk. Maar WIE legt de woorden
in uw mond als u uw ondergeschikten toesnauwt in onaangename
bewoordingen of wanneer u een even onaangenaam stilzwijgen bewaart
tegenover uw echtgenote, of als u kwaad spreekt van uw broeder,
wanneer u hem zwart maakt, hem beledigt of hem “de waarheid”
naar het hoofd slingert en hem flink de oren wast in plaats van de
voeten? Als men bepaalde christenen in de week hoort spreken vraagt
men zich met reden af wat ze ‘s zondags in de eredienst zouden
kunnen zingen... Laten wij maar eerlijk bekennen: uw bron is ook dan
weer zoet en dan weer bitter en die bitterheid komt niet uit God.
Wiens fout?
Daarenboven
hebt u niet door in welke mate u medeverantwoordelijk bent voor het
afglijden van hen die in uw gemeente die zogenoemde geestelijke
manifestaties begeren. Ik ging eens een nieuw paar schoenen kopen in
een schoenwinkel. Ik zal nooit vergeten op welke manier de verkoper
mijn afgedragen schoenen typeerde; hij zei: “Ze zijn moegelopen,
meneer.” Kan dat ook niet van vele van onze kerken gezegd worden?
Zij zijn moe. De liederen spreken van vermoeidheid, de gebeden
worden met moeite opgezongen, de boodschappen worden moeizaam
gebracht. Zeker, alles is in orde en juist, maar wat is het
afgesleten. Het frisse, het broederlijke, het spontane is er uit; de
liefde is zelfs vermoeid geworden. Vergeet daarbij nooit dat mensen
een hartelijke leugen meer op prijs stellen dan een koude waarheid.
Al te veel is de waarheid, die in uw bezit is, niet meer dan een
koude rechtzinnigheid. Harten worden niet warm van ijsbergen. Nog
minder als ze in een diepvrieskist terechtkomen. Een goede oude
houtkachel, die ronkt en rookt, zal een warmere sfeer scheppen dan
een opgesmukte smetteloze installatie die het maar voor een kwart
doet. Lauwheid past niet in het werk van God. Er komen geen mensen
meer door tot bekering. Een christelijk leven moet intens geleefd
worden. De Heilige Geest is ons geschonken met
het oog op een overvloedig leven, niets minder dan dat. En daar waar
zo’n leven uit de Geest in overvloed aanwezig is en als een bron
levend water om zich heen laat stromen, lopen de gelovigen geen
gevaar afgetrokken te worden tot bedrieglijke experimenten die als
panacee voor alle kwalen van de kerk voorgesteld worden.
‘Er staat ook geschreven’
Zo
langzamerhand kom ik aan het eind van mijn boek. Aan u mijn broeder
die niet de pinksterbeweging aanhangt is het in eerste instantie
gericht. Het is niet bestemd voor de anderen. Zij zullen zich van
hun dwaling niet laten afbrengen, evenmin als een Jehovah’s
Getuige de leer van de Godheid van Christus zal aanvaarden, al werd
dit hem op grond van de Schrift bewezen. Meer dan ooit behoor ik bij
de uwen. Ik heb de juistheid van uw onderricht en de zuiverheid van
uw leer erkend. Beveel dit werk aan bij hen die in verwarring
gekomen zijn bij het beluisteren van het betoverende lied van de
meerminnen van de charismatische beweging. Door Gods genade, de
bijstand van de Geest en het licht van het Woord ben ik ontkomen aan
hun valstrikken. U hebt het boek uitgelezen. Lees het opnieuw en
bestudeer systematisch de waarheden die erin naar voren gebracht
werden en de dwalingen die erin werden ontmaskerd. De vragenlijst
(*1)
die zich achterin bevindt kan u een dankbare hulp zijn wanneer u het
geloof dat in u is moet verantwoorden. (1
Petrus 3 : 15)
Welbeproefd ten dienste van God zult u dan een arbeider zijn die
rechte voren trekt bij het brengen van het Woord der waarheid. (2
Timótheüs 2 : 15)
Spaar geen moeite om mensen die zich overgeven aan experimenten, die
alleen in naam schriftuurlijk zijn, terug te brengen tot de Schrift.
Herinner hen er aan dat toen de Here Jezus door de satan tot
driemaal toe verleid werd om een experiment te doen, Hij daarop drie
keer antwoordde: “Er staat geschreven”. (Matthéüs
4 : 7)
Wanneer dan de tegenstander de verleiding aanscherpt door zelf te
zeggen “er staat geschreven”, laat dan niet na te antwoorden
met: “Er staat ook geschreven”. Durf in navolging van onze
Goddelijke Voorganger te zeggen tot al wie door allerlei leer beïnvloed
worden, die met de stroom mee gaan en graag “up to date” zijn,
wat Hij tot de Samaritaanse vrouw zei: “... u weet niet wat u
aanbidt...” (Johannes
4 : 22)
Er mag van geen wijken sprake zijn tegenover hen. Integendeel, hen
weerstaan om het geloof dat eenmaal de heiligen is overgeleverd (Judas
3)
en naar het voorbeeld van onze Meester, hun zeggen met liefde en in
oprechtheid: “U dwaalt, want u kent de Schriften niet…” (Matthéüs
22 : 29)
16. Vragenlijst ( (*1)
alleen opgenomen in de boekversie )
|